woensdag 23 maart 2011

Moedwil of misverstand: de buitenlandse politiek van George W. Bush.

Verschenen in Socialisme & Democratie 9, 2004

“I think that many of the things which civilized people did were highly barbarous. But this is a personal whim which I have tried to keep out of the text.” [1]

“And so the Great Powers and the people of Shanklin, Isle of Wight, drew their net in ever-tightening circles around the most dangerous threat to peace the world has ever faced. They bombed Cairo, Bangkok, Cape Town, Buenos Aires, Harrow, Hammersmith, Stephey, Wandsworth and Enfield... But always it was the wrong place.“[2]

Eén ding is zeker: een evenwichtig ‘Bush, voor en tegen’ in de stijl van Pieter Geyl zal nog wel eens lang op zich kunnen laten wachten. Ieder boek, ieder artikel, ieder persbericht werpt weer een ander licht op de zaak, zonder dat er een definitief antwoord kan worden gegeven op de vraag of de VS uit idealisme of berekening handelen, noch op de vraag of deze politiek tot een stabielere, veiligere en vrijere wereld zal leiden.

Pieter Geyl’s verzuchting: “De gedachte dat Revolutie en Dictators hun wetmatigheid bezitten, heeft zich regelmatig aan mij opgedrongen” gaat ook nu op,[3] want de ‘wereldorde’ had geen Bush nodig om uit evenwicht te raken. De vraag is echter of Bush een deel van de oplossing is, of een deel van het probleem. Dit vormt tevens weer een mooie aanleiding om te filosoferen over het belang van de persoonlijkheid in de geschiedenis, want het is slecht denkbaar dat als het Hooggerechtshof Al Gore tot president had uitgeroepen de zaken een zelfde keer hadden genomen.

Een waardering van en positionering ten opzichte van Bush’ buitenlandse politiek is zeer urgent, omdat ‘links’ ook op dit terrein het initiatief volledig kwijt is. ‘Linkse’ kritiek op het buitenlandse beleid van Bush, vooral ten opzichte van de oud-bondgenoten van de VS Bin Laden en Saddam Hoessein, wordt vooral vanuit conservatieve kringen als behoudend, zelfs immoreel ten opzichte van de onder dictatuur zuchtende volkeren gezien. Tevens wordt ‘links’ ervan beschuldigd dat het terrorisme ongestraft laat, zelfs beloont.

Bart Jan Spruyt, de directeur van de conservatieve Edmund Burke Stichting, constateert dat de ‘progressieve gemeente’ een ‘reactionaire verheerlijker van gepasseerde tijden’ geworden is. Verbazingwekkend genoeg blijkt dat níet als compliment bedoeld te zijn. Spruyt roemt het idealistische neo-conservatieve buitenlandse beleid van de VS inzake Irak: preventieve oorlogen tegen dictatoriale landen ‘die binnen vijf of tien jaar wel’ over massavernietigingswapens zouden kunnen beschikken heeft zijn volledige instemming. [4]

Ook de door mij bewonderde Ian Buruma meent dat links en rechts van plaats zijn verwisseld. “De expansie van het wereldwijde kapitalisme heeft de vertegenwoordigers van links gemaakt tot voorvechters van cultureel en politiek nationalisme. Conservatief rechts was van oudsher niet internationalistisch ingesteld, en zeker niet revolutionair. Zaken doen, stabiliteit, nationale belangen en Realpolitik waren de norm. Democratie was in de ogen van de conservatieve realisten prima voor ons, maar niet voor vreemde volken.” Buruma raadt de critici van Bush aan om zich ‘Kissinger-conservatieven’ en niet langer ‘progressief links’ te noemen. [5]

Twee voorbeelden uit een lange rij critici die links een mat, zo niet laf, ‘realisme’ verwijten in tegenstelling tot het revolutionaire elan waarmee de VS de democratie verdedigen en verspreiden en het terrorisme bestrijden.

Klopt de ‘beschuldiging’ van conservatieve zijde dat ‘links’ ‘rechts’ is geworden en dat het ware idealisme zich tegenwoordig aan de rechterkant van het politieke spectrum bevindt? Een antwoord op die vraag is extra nijpend geworden nu, na ‘Madrid’, het streven van sociaal-democraten in Spanje en Nederland om hun troepen uit Irak terug te trekken wordt beschouwd als ‘wijken voor terreur’.

Om deze vraag te beantwoorden ging ik te rade bij Van Wolferen[6], Laurent[7], Barber[8]: Soros[9] en Clarke[10], maar eerst bewandel ik twee zijwegen om mijn vraagstelling scherper te krijgen.

Revolutie en realisme

Ten eerste langs de door Buruma gesmade Kissinger. Henry Kissinger geeft in de inleiding tot ‘A world restored’[11] weer wat volgens hem het verschil is tussen ‘revolutionaire’ en ‘realistische’ buitenlandse politiek. Het verschil is niet dat een revolutionaire macht zich bedreigd voelt, maar dat niets een revolutionaire macht gerust kan stellen, behalve absolute veiligheid door de volledige uitschakeling van ‘de vijand’. Absolute veiligheid voor de ‘revolutionaire mogendheid’, betekent dus absolute onveiligheid voor alle andere mogendheden. In die omstandigheden kan diplomatie, gericht op beperking van de machtsuitoefening, niet functioneren en erodeert de wereldorde. De vraag is onder welke categorie de buitenlandse politiek van Bush te scharen is.

Conservatisme en idealisme

Samuel Huntington definieert conservatisme als een ‘positionele ideologie’, die in tijden van verandering wijst op de noodzaak en de waarde van bestaande instituties. In dit opzicht is de waarde die ‘progressieven’ hechten aan instituties als de Verenigde Naties en de verzorgingsstaat met recht conservatief te noemen, zij het dat Burke al wees op de noodzaak om een keuze te maken met betrekking tot de te conserveren erfenis.[12] ‘Idealistisch conservatisme’ lijkt een contradictio in terminis. Voor Spruyt blijkt dat dit idealisme echter te bestaat uit het streven naar handhaven van de status quo van de VS als hegemoniale macht. Buruma ziet hierin een progressief streven naar democratie en gerechtigheid, een offensief van de – gewoonlijk niet met conservatisme geassocieerde – Verlichting tegen achterlijkheid, willekeur en onderdrukking. Welke van deze idealen drijft Bush?

Bush: revolutionair, of realist?

De Verenigde Staten kregen de wereld na de val van de Muur in de schoot geworpen, maar die wereld was alles behalve gemakkelijk te reorganiseren tot de ‘New World Order’ van Bush senior. Het wegvallen van de disciplinerende druk van de Koude Oorlog gaf allerlei groepen de kans om, gebruik makend van aanwezige etnische of religieuze tegenstellingen, hun eigen kansen te grijpen. Staten vielen uiteen en er bleek een voedingsbodem te zijn ontstaan voor terreurnetwerken, die voorgangers als de RAF deden verbleken. De Verenigde Naties – zie Joegoslavië, Ruanda etc. – bleek niet in staat om dit soort destructieve krachten in toom te houden.

Na ‘9-11’ moest president Bush handelend optreden. Wat Van Wolferen verbijstert[13], is dat Bush alle kansen op versteviging van internationale samenwerking heeft laten liggen toen de wereld na ‘9-11’ een grote mate van verbondenheid voelde met de VS en de NAVO artikel 5 van toepassing achtte.[14] De VS verloor deze steun grotendeels door de bondgenoten te schofferen en tot de rang van vazal te degraderen. De neoconservatieve visie dat de VS-belangen samenvallen met het algemeen belang, laat zich niet rijmen met overleg met de internationale gemeenschap op basis van gelijkwaardigheid.[15] Het heeft er alle schijn van dat ‘9-11’ werd aangegrepen om een al in concept klaarliggend plan voor een agressieve unilaterale buitenlandse politiek door te voeren. Ook de binnenlandse politieke agenda zou al klaar hebben gelegen. Kort na ‘9-11’ werd de USA Patriot Act - Uniting and Strengthening America by Providing Appropriate Tools Required to Intercept and Obstruct Terrorism Act - aan het Congres voorgelegd, met de boodschap dat ieder amendement onpatriottisch was. Er was maar één dissidente senator, Russell Feingold, die waarschuwde voor het verdwijnen van de burgerlijke vrijheden en voor criminalisering van migranten uit Islamitische landen.[16] Na ‘9-11’ werd zowel op binnenlands als op buitenlands politiek terrein een uiterst ‘revolutionaire’ agenda doorgevoerd. De daaruit voortvloeiende zelfversterkende dialectiek tussen terreur en contraterreur stortte de wereld in ‘het rijk van de angst’.[17]

Leugen en bedrog konden in dit klimaat volgens Soros als effectieve instrumenten worden ingezet, omdat ze dienstbaar waren aan een onfeilbaar geachte ideologische waarheid. Hij vergelijkt de politiek van Bush jr met een zeepbel op de beurs, waarbij schijn en werkelijkheid steeds verder uiteen kunnen lopen, totdat de bel barst. ‘9-11’ bracht de politieke situatie uit evenwicht, zoals de Internethype de beurs uit evenwicht bracht. De daadwerkelijke Amerikaanse dominantie en de neoconservatieve (‘sociaaldarwinistische’) overtrokken interpretatie van die dominantie stuwden elkaar op en versterkten de overtuiging dat de VS unilateraal met militaire middelen inderdaad iedereen hun wil konden opleggen.

Hoe komt het dat de ‘conservatief met compassie’, die zo weinig belangstelling had voor - laat staan kennis had van - buitenlandse politiek tot deze ‘revolutionaire koers’ overging?

Een ‘biografische verklaring’ loopt dood. Van Wolferen blijft steken in een fragmentarisch betoog, waarin hij sterke staaltjes van ’s mans gebrek aan beschaving – het spotten met de smeekbede van een ter dood veroordeelde vrouw bij voorbeeld[18] - en domheid geeft, maar deze afkeer van Bush komt de kwaliteit van zijn boek niet ten goede. In een schets van de Bush-dynastie geeft Eric Laurent[19] een overtuigender beeld van een familie uit de Amerikaanse plutocratie die zich nimmer heeft beknord om de ethische aspecten van het zakendoen, of het nu Nazi-Duitsland, of Saoedi-Arabië (de familie Bin Laden incluis) betreft.

George W. lijkt daar geen uitzondering op. Vanwege het presidentschap van zijn vader gunt de oliewereld hem het voorrecht om flink te verdienen aan falend ondernemerschap en als gouverneur excelleert hij in de uitverkoop van de publieke sector aan zijn vrienden, om over zijn ‘cheerleaderschap’, hij was eigenaar van een honkbalteam, nog maar te zwijgen[20]. Deze ‘secrets inavouables’ zouden echter logischerwijs moeten leiden tot een realistische verklaring ‘waarom de Verenigde Staten Irak aanvallen’, zoals de ondertitel van de Nederlandse vertaling belooft: ‘de olie’ en andere zakelijke belangen. Dat doet Laurent echter niet. George W. Blijft, net als bij Van Wolferen, een in zwart-wit termen denkende onbenul. Volgens Van Wolferen, zoals de titel van zijn boek al aangeeft, brengt Bush wel zélf de wereldorde in gevaar door een onbereikbaar (revolutionair) doel na te streven: ‘de vernietiging van ‘Het Kwaad’.[21] Clarke is minder vernietigend, maar constateert wel dat Bush’ voorkeur voor eenvoudige oplossingen niet adequaat is bij ingewikkelde zaken als terrorisme en Irak.[22]

Om een verklaring te vinden wijken alle geraadpleegde auteurs echter uit naar de ‘revolutionaire’ agenda van de neoconservatieven rond Bush.

Het neo-conservatieve idealisme

De vraag is wat die agenda dan is, is niet eenvoudig te beantwoorden. Neoconservatieven gaan, in navolging van ‘hun’ filosofen Leo Strauss en Alan Bloom, die de doeltreffendheid en het nut van politieke leugens bepleitten, ‘strategisch’ om met de waarheid.[23] Hun credo, de beginselverklaring van het ‘Project for a New American Century’ uit 1997[24] is zo gezien een principieel dubbelzinnige bron, die zich laat samenvatten als een pleidooi voor een activistisch en militaristisch buitenlands beleid gericht op het handhaven en versterken van de Amerikaanse hegemonie en het verspreiden van Amerikaanse waarden. Tot de ondertekenaars behoorden, naast Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz uit de regering Bush, ook broer Jeb. (En ook Fukuyama, leerling van Bloom, maar ondertussen bij de neocons in ongenade gevallen wegens zijn intellectuele integriteit.[25])

Vreemd zal dit gedachtegoed George W. dan ook niet zijn geweest. De beginselverklaring kan gezien worden als de onderlegger van Bush’ Nationale Veiligheidsstrategie, waarin het recht op preventieve oorlogvoering wordt geponeerd, omdat men moet kunnen ‘optreden tegen bedreigingen voordat zij tot wasdom zijn gekomen’[26]. Barber beschrijft dit als een omgekeerd isolationisme: als Amerika de wereld niet kan buitensluiten, dan moet ze de wereld herscheppen in één groot Amerika.

Bush lijkt Barber’s pleidooi uit Jihad versus McWorld over te nemen om de saaie zakelijkheid van McWorld te verenigen met de passie van Jihad onder de banier van het streven naar democratie.[27] De uitvoering staat Barber echter bepaald niet aan vanwege de arrogantie waarmee Bush de VS als na te volgen ideaaltype afficheert en de principiële onverenigbaarheid van preventieve oorlogvoering met een democratisch bestel.[28] Soros noemt dit streven een ‘primitief soort sociaaldarwinisme’ gericht op Amerikaanse suprematie.[29]

Retoriek is één ding, de waarheid achter die retoriek is daar niet eenduidig uit afleidbaar, zelfs als we Strauss en Bloom buiten beschouwing laten. Van Wolferen geeft een uitgebreide schets van de bonte verzameling voor Bush electoraal interessante groeperingen die tevreden gehouden moeten worden. De simpele zwart wit opvattingen van Bush zijn, zo niet gemeend, dan toch effectief om deze belangengroeperingen op één lijn te brengen en het neoconservatieve idealisme is wellicht een ideale dekmantel voor buitengewoon realistische verlangens, die uiteindelijk gezamenlijk resulteerden in de aanval op Irak.

De onmenselijkheid van Saddam kan geen afdoende verklaring zijn, want dan valt er nog een rijtje dictators op te noemen. De belangrijkste beschuldiging, de gifgasaanval op Hallabja, stamt zelfs nog uit de tijd dat Saddam bondgenoot van zowel de VS als het Oostblok was.[30] Waar het de bestrijding van terrorisme betreft zijn de bondgenoten Pakistan en Saoedi-Arabië veel voor de hand liggender objecten.[31]

Blijven over geostrategische overwegingen. Een democratisch Irak moet de democratie als ‘een olievlek’ verspreiden over het Midden Oosten. Soros acht het afdwingen van de Roadmap to Peace en het beëindigen van het Israëlisch Palestijnse conflict veel effectiever om democratisering van het Midden Oosten wordt te bereiken. De Republikeinse Christen fundi’s, de Armageddon-liefhebbers[32] en de relatie van een aantal Joodse neocons (Wolfowitz) met reactionaire Israëlische kringen zouden deze weg echter geblokkeerd hebben. (Zie de kritiekloze houding t.o.v de agressieve politiek van Sharon.)

Ook de belangen van het industrieconglomeraat dat verbonden is aan de Bush-Cheney regering wordt als verklaring genoemd. Bush prestaties als gouverneur die de ‘spoils’ van de liberalisering aan zijn vriendjes toedeelde, maar ook de nauwe betrokkenheid van Cheney bij Halliburton, Karl Rove met Enron[33] etc. in aanmerking genomen, ligt dit in de lijn der verwachtingen. Clarke geeft sterke staaltjes van de ‘spoils’, die Bush ook nu nog aan zijn vriendjes uitdeelt.[34]

De in de regering Bush samengebalde ‘oliebelangen’ maken het voor Soros onwaarschijnlijk dat deze overwegingen geen rol hebben gespeeld. Van Wolferen noemt dit zelfs een geruststellende gedachte, omdat de geheime agenda in dit geval ‘gewone conservatieve’ politiek zou zijn.[35]

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat Irak een mooi speelveld leek te vormen om het nieuwe Amerikaanse buitenlandse beleid aanschouwelijk uit te dragen: “zie maar wat er gebeurt als je niet voor ons bent.” Een geïsoleerd en door een erkende slechterik geregeerd land als Irak leent zich daar in eerste instantie beter voor dan het ingewikkelde Noord Korea, of het relatief kalme Iran.[36]

Dit amalgaam van belangen en doelstellingen lijkt de ingreep in Irak onkwetsbaar te maken voor kritiek. Als er geen massavernietigingswapens gevonden worden, dan is herstel van de democratie het doel. Als het herstel van de democratie tegenzit, dan is de strijd tegen het terrorisme – dat in het post-Saddam tijdperk Irak uiteindelijk toch in zijn greep lijkt te hebben gekregen - weer het eigenlijke motief.

Dit kluwen maakt het niet eenvoudig om te bepalen of ‘9-11’ een Pearl Harbour was, een gerede aanleiding om ten strijde te trekken, of een Reichstagbrand, een welkom argument om een reeds voorgenomen politiek door te voeren. Zelfs lezing van Clarke’s verslag van binnenuit maakt dat niet echt duidelijk, of leert dat het beide was. Mensen als Rice en Wolfowitz waren zo gebrand op een aanleiding om Irak aan te vallen, dat ze – mijn interpretatie - waarschijnlijk werkelijk geloofden in een betrokkenheid van Irak. Al Qaeda hadden ze tot dan toe schromelijk onderschat, zo goed als genegeerd zelfs. [37]

De aanval op Irak, anders dan de omverwerping van het Taliban-regime in Afghanistan[38], had geen enkele relatie met de strijd tegen het terrorisme van Al Quaeda. De angst voor aanwezigheid van chemische en bacteriologische wapens mag misschien gegrond zijn geweest (‘Het Westen’ had de grondstoffen immers zelf geleverd), maar de VN-wapeninspecties waren daar een effectief middel tegen. De angst voor atoomwapens, of een anderszins directe bedreiging van ‘het Westen’ is nooit gefundeerd geweest. Ook van een ‘As van het Kwaad’ was geen sprake.

Dat de neocons in de Bush-regering ‘bewijsmateriaal’ tegen Irak willens en wetens hebben opgesekst door reguliere informatie van Pentagon en CIA een ‘spin’ te geven staat ondertussen onomstotelijk vast. Hiertoe werd de afdeling Special Plans opgericht, die zich wijdde aan het ‘vinden’ van bewijzen voor de banden van Saddam met Al Quaeda en het bezit van massavernietigingswapens (waaronder kernwapens) om aan te tonen dat Saddam een acuut gevaar was voor de regio en de VS zelf, waarbij informatie uit uiterst dubieuze bronnen nog werd aangedikt.[39]

Het waarom van deze neoconservatieve verbetenheid wordt mij niet duidelijk. Afgezien van een begrijpelijk kater naar aanleiding van de afloop van Desert Storm[40], kan alleen een uiterst ‘onconservatief’ geloof in de maakbaarheid van de samenleving een begin van een oplossing bieden

Perspectieven en alternatieven

"Simply opening markets and waiting for free trade to solve problems frequently does not work. We need to acknowledge and seriously address the medium-term social and political problems created by trade globalization."[41]

De bezetting van Irak zal, volgens Soros, tot een ontnuchtering leiden en de zeepbel zal barsten.[42] Van Wolferen schetst een beeld, dat daar, de metafoor van de zeepbel incluis,[43] volledig mee overeenstemt. Clarke schetst de totale desintegratie van het Midden Oosten, zelfs als Irak tot een ‘Jeffersonian’ democratie kan worden omgesmeed.[44]

Matigende krachten in de binnenlandse politiek zouden door de commercialisering van de media, de ontaarding van het bedrijfsleven, de verdwijning van de civil society en het bankroet van de Democratische Partij - dit alles trekt in de meest sombere bewoordingen voorbij - zo goed als volledig ontbreken. Soros verklaart deze revolutionair rechtse dynamiek uit het samengaan van ‘marktfundamentalisme’ en ‘religieus fundamentalisme’ binnen de Republikeinse partij, dat twijfel noch tegenspraak duldt[45] en waarbinnen vrijhandel ‘een moreel principe’ is.[46]

Alle geraadpleegde auteurs concluderen dat de buitenlandse politiek van de VS uiteindelijk alleen kan worden verklaard uit een verblind ideologisch streven naar wereldheerschappij. Kunnen de VS deze politiek blijven voeren, of zal deze zichzelf in de staart bijten? De militairtechnologische superioriteit van de VS stelt ze in staat om de legers van nationale staten, vrijwel zonder verliezen aan eigen kant, te vernietigen, maar niet om de harten van de bevrijde volkeren te winnen.

Als het doel van Bush jr het verdedigen en uitbouwen van de Amerikaanse hegemonie is, opdat Amerika de wereld in zijn eigen beeld herschept dan is het bestaan van terreurgroepen een welkom alibi om die agenda te volgen. Bin Laden als ‘Goldstein’, Orwell zat er zo gezien in ‘1984’ maar twintig jaar naast. Bush en Bin Laden zou je dan als ‘frères–ennemis’ kunnen beschouwen, want Al Quaeda heeft er op zijn beurt belang bij dat Amerika als een bedreiging voor de ‘Muslim way of life’ kan worden afgeschilderd.[47]

De weg uit het moeras

“Je hebt verstandig gesproken, Sancho,” antwoordde Don Quichot, “wij zullen het tot onze wijsheid maken om niets te doen, totdat de kwaadaardige aspecten van de planeten, die nu regeren, voorbij zijn.” Cervantes.

De aanval op het WTC en het Pentagon wordt door alle auteurs gezien als een Pearl Harbor. De VS konden dit niet over hun kant laten gaan. De neo-conservatieven achter Bush grepen dit ‘Pearl Harbor’ echter aan om er een ‘Rijksdagbrand’ van te maken: het doorslaggevende argument om hun eigen revolutionaire agenda door te voeren op weg naar een New American Century, waarbij vanwege een samenspel van redenen Irak een aantrekkelijke test case vormde en de eenheid tegen het terrorisme wreed verstoord werd. De bestrijding van het terrorisme was een vals voorwendsel om Irak aan te vallen en blijkt zelfs contraproductief uit te pakken. Is er voor de VS een weg terug uit dit moeras? Is er een alternatieve manier om het terrorisme wel effectief aan te pakken?

Van Wolferen bepleit een keurige onderwerping aan de spelregels van een slagvaardiger te maken VN.[48] Barber en Soros werken dit perspectief verder uit, vanuit een erkenning van de Amerikaanse dominantie, echter gebaseerd op multilaterale verbanden en afspraken. Barber schetst een politiek van ‘preventieve democratie’, die de plaats moet innemen van ‘preventieve oorlog’, die andere culturen in hun waarde laat, maar ander naties en volkeren door scholing en overreding tracht te winnen voor democratische waarden en door de groei van een ‘civil society’ te stimuleren. Voor zover de VS hun tanden moeten laten zien, dan is dat ter handhaving van de regels van deze ‘CivWorld’.[49]

Soros vertoog wijkt daar niet wezenlijk van af. Hij werkt uiteraard het perspectief van zijn ‘open society’ verder uit, een mooi sociaal-democratisch programma van ‘gebreidelde’ mondialisering. De VS moeten hun ‘verantwoordelijkheid’ nemen, maar zich niet door ideologische verblinding laten leiden bij de verbreiding van Westerse waarden.[50] Hij waagt zich aan een voorspelling met betrekking tot Irak. Hij ziet drie mogelijke scenario’s: Bush zet door en slaagt erin Irak te stabiliseren; Bush ziet zijn vergissing in en stuurt de neocons de laan uit; of iets daartussenin. Hij betwijfelt of Bush in staat is om de tweede variant, de lijn Powell, te gaan volgen. Voor een diepgaande hervorming en het herwinnen van vertrouwen is een andere president nodig.[51]

De vier auteurs tonen overtuigend aan dat het buitenlands beleid van Bush van leugen en (zelf?)bedrog aan elkaar hangt. Vooral Van Wolferen schetst daarbij een desolaat beeld van de binnenlandse voorwaarden om een dergelijk beleid te kunnen uitvoeren. Deze ondergang van de Amerikaanse samenleving wordt door het beleid van Bush - verlaging van belastingen, sociale en milieu uitgaven - nog verdiept. Toch denk ik, de sterk in kracht toenemende anti-Bush oppositie en de kansen van Kerry in aanmerking genomen, dat Van Wolferen een te somber beeld schetst. Nog zijn de VS niet het Iran van het Westen.

Mocht Bush voor een tweede termijn gekozen worden en zijn huidige politiek vervolgen dan is het niet ondenkbaar dat het hoofd van Abraham Lincoln, de Amerikaanse Machiavellistische ‘Prins’ bij uitstek[52], van Mount Rushmore zal vallen[53]. Chaos zal ons deel zijn.

Wat leert lezing van deze boeken met betrekking tot de Nederlandse militaire betrokkenheid in Irak? Op zijn minst dat de regering Balkenende nu eens openlijk zou moeten toegeven dat ze onder valse voorwendselen achter de politiek van de VS is gaan staan. In antwoord op de vraag of we onze aanwezigheid moeten continueren is volgens mij cruciaal of er sprake zal zijn van een VN-mandaat en een betrouwbare overgangsregering die daartoe verzoekt.

Maar dan spring ik ver over de bespreking van de boeken heen. Vijf exemplaren uit een stroom die voorlopig nog niet zal zijn opgedroogd.

Rest mij een laatste oordeel:
  • Laurent’s boek is een prima inleiding op de film ‘Fahrenheit 9/11’. 
  • De boeken van Soros en Barber zijn onderling uitwisselbaar en vooral van belang vanwege de geschetste alternatieve politieke koers. Mocht Bush een tweede termijn krijgen, dan kan de regering Bos 1 daar zijn voordeel mee doen: zorg voor goede educatie; stimuleer kwaliteitsmedia en ga mediaconcentraties tegen; ga niet al te verkrampt om met culturele minderheden; versterk de ‘civil society’; breidel ‘het kapitaal’; streef bij de politieke vernieuwing niet naar plebiscitaire oplossingen met alle gevaren van demagogie en plutocratie opdat in ieder geval Nederland een ‘open society’, een ‘CivCountry’ blijft.
  • Van Wolferen schetst wat er gebeurt als je dit soort maatregelen achterwege laat. Kortom: word geen VS en houd vast aan de VN. Een ambitieuze, maar tamelijk conservatieve agenda dus. Misschien kan prinses Mabel haar vriend Soros eens bij Balkenende introduceren. Van Wolferen’s boek verdient het om een, in minder grote haast geschreven, tweede bijgewerkte druk te krijgen. Het is een rijk boek, maar nogal slordig van compositie en overemotioneel van toon.
  • Clarke’s boek ten slotte, zal als ooggetuigenverslag een bron van waarde blijven. Bovendien leest het als een thriller van Le Carré. Een absolute aanrader!

Willem Minderhout

[1] A.J.P. Taylor, From Sarajevo to Potsdam, Londen, 1978 (1966), p. 8.

[2] 'Mr. Neutron is still missing', Monty Python's Flying Circus,

[3] Pieter Geyl, Napoleon, voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, Utrecht, 1946, p. XIV.

[4] Bart Jan Spruyt, ‘Idealisme drijft conservatieven’, Groene Amsterdammer, 18 oktober 2003.

[5] Ian Buruma, ‘De morele verlamming van links’, NRC Handelsblad, 20-09-2003.

[6] Karel van Wolferen, De ondergang van een wereldorde, Contact Amsterdam, 2003

[7] Eric Laurent, La guerre des Bush : Les secrets inavouables d'un conflit, Plon Parijs 2003.

[8] Benjamin Barber, Het rijk van de angst, AMBO/Manteau Amsterdam Antwerpen 2003

[9] George Soros, De zeepbel van de Amerikaanse macht, Contact Amsterdam 2004, p. 17-20.

[10] Richard Clarke, Against all enemies, Free Press, New York etc. 2004

[11] Henry Kissinger (2000; 1957), A world restored. Metternich, Castlereagh and the problems of peace 1812-1822, Phoenix Press Londen p. 1-3.

[12] Jerry Z. Muller, ‘What is conservative social and political thought?’, in: Conservatism, an anthology of social and political thought from David Hume to the present, Princeton University Press, Princeton 1997.

[13] Van Wolferen bevindt zich hier in het gezelschap van de voormalige neo-conservatieve goeroe Francis Fukuyama. Zie het interview van Pieter van Os, ‘Niemand luister meer naar mij’, Groene Amsterdammer, 22 november, 2003.

[14] Van Wolferen, 23-24. 43. Soros, 42.

[15] Barber, p.70-82.

[16] Senator Russell Feingold, Statement on the Anti-Terrorism Bill (Oct. 25, 2002), zie ook Soros, 42-45.

[16] Soros, 26-27.

[17] Barber, p. 30-31.

[18] Van Wolferen, p. 55.

[19] Eric Laurent, 2003.

[20] De benaming ‘cheerleader’ is van Gore Vidal. Marc Cooper, ‘Gore Vidal, de allerlaatste verdediger van de republiek’, in: Gore Vidal, Droomoorlog, Arbeiderspers Amsterdam Antwerpen, 2003, p. 164.

[21] Van Wolferen, p. 62-66.

[22] Clarke, p. 243.

[23] Danny Postel, Noble lies and perpetual war (Interview met Shadia Drury), www.opendemocracy.org 2003; Saul Bellow beschrijft Bloom in Ravelstein, Viking New York, 2000, besproken in: Shadia Drury, ‘Gurus of the right’, www.uregina.ca/arts/CRC/gurus.html; ‘Con man’ betekent in Amerikaans slang ook ‘oplichter’, confidence man’, in dit geval zeer toepasselijk.

[24] Integraal afgedrukt in: Soros, p. 17-20.

[25] Pieter van Os, ‘Niemand luistert meer naar mij’, interview met Fukuyama, Groene Amsterdammer, 22 november 2003.

[26] Barber, p. 84.

[27] Barber (2003), p. 70-72; Benjamin Barber, Jihad versus McWorld, Ballantine New York, 1995.

[28] Barber, p. 141–148.

[29] Soros, p. 16

[30] Slechts een aantal West Europese landen, het Europese parlement en de Socialistische Internationale waren indertijd ondubbelzinnig in hun protest. Kendal Nezan. ‘Quand « notre » ami Saddam gazait ses Kurdes’, Le Monde Diplomatique, maart 1998.

[31] Barber, 111 e.v.

[32] Van Wolferen, 236; Soros, 55-56.

[33] Wayne Madsen, ‘Exposing Karl Rove’, CouterPunch, 1 november 2002.

[34] As one Republican columnist told me, “These guys are more inbred, secretive, and vindictive than the Mafia.”, Clarke, p. 245.

[35] Van Wolferen, 201 e.v.

[36] Soros, 54 e.v.

[37] Clarke, p. 30.

[38] Volgens Soros, p. 47-50 en Van Wolferen, p.140 zijn de Taliban weliswaar verslagen, maar is er van bevrijding niet of nauwelijks sprake. Clarke spreekt van een halfslachtige aanpak, p. 275.

[39] Naast Clarke, zie: Seymour Hersh, ‘Selective Intelligence; Donald Rumsfeld has his own special sources. Are they reliable?’ New Yorker 12-05-2003; John Diamond, ‘Tenet: CIA lax in policing Iraq war claims’, USA Today, 10-04-2004.

[40] Clarke, p. 65, 66.

[41] Clyde Prestowitz, ‘Is the United States a Rogue Nation? Doubts of a U.S. Conservative’, The Globalist, 13 juli 2003

[42] Soros, 155-157.

[43] Van Wolferen, p. 177.

[44] Clarke, p. 284 - 286

[45] Soros, p. 25-26

[46] Van Wolferen, p. 281

[47] Soros, 160. Clarke, p. 246. Bart Tromp trekt in ‘Een paar apart’, Het Parool 12-11-2003 een aardige parallel tussen het streven van Bin Laden en het linkse terrorisme uit de jaren zeventig om de staat ‘te ontmaskeren’, dankzij Bush slaagt Bin Laden, waar de RAF faalde.

[48] Van Wolferen, 329.

[49] Barber, 213 e.v.

[50] Soros, 77 e.v.

[51] Soros, p. 164-165.

[52] Robert Kaplan (2002), ‘Machiavellistische deugdzaamheid’ in: Krijgspolitiek, Spectrum Utrecht, p. 82.

[53] Vrij naar Karl Marx’ Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte

Steun de muiterij van de Bounties!

Willem Minderhout. Verschenen in Socialisme & Democratie 4, 2003.

Onlangs kreeg een vriendin van mij te horen dat het Turkse consulaat haar geen uittreksel uit het geboorteregister wil verstrekken omdat ze met een 'oorspronkelijke' Nederlander wil trouwen. Zij is Nederlands staatsburger, maar moet nu de gang naar haar geboortedorp maken om dat papiertje op te halen, alvorens te kunnen trouwen. Na zich aan de sociale dwang van haar omgeving te hebben ontworsteld, tracht nu de overheid van haar geboorteland haar 'assimilatie' te dwarsbomen.

Voor mij was dit nieuw. Uiteraard was mij de beruchte 'namenlijst' bekend. Koerden met de Turkse nationaliteit mogen hun kinderen geen Koerdische voornamen geven, maar ook gemengd gehuwden of 'gewone Turken' mogen hun kinderen geen Jan of Marietje noemen. Mijn vriendin was verbaasd over mijn naïveteit. "Iedere Turk weet dat hij door het stof moet als hij iets van het consulaat gedaan wil krijgen. Zeker als je de nationaliteit van het migratieland hebt aangenomen." En dan is, naar ik vermoed, Turkije waarschijnlijk één van de meest liberale 'donorlanden'.

Het is op zich verhelderend dat Jan Lunsing van de Groningse PvdA-werkgroep 'Interculturele Samenleving' verschil maakt tussen 'integratie' en 'assimilatie'.[1] Het laatste, aanpassing aan de Nederlandse mores, zou volgens zijn werkgroep niet het doel van de PvdA (moeten) zijn. Lunsing heeft het, zo blijkt tussen de regels door, vooral over 'eerste generatie migranten' uit Islamitische landen. Integratie, impliciet gedefinieerd als 'wegwijs raken in de Nederlandse samenleving', zou de enige eis kunnen zijn die de Nederlandse samenleving aan deze groep migranten zou mogen stellen. Hiernaast zouden 'wederzijdse terechtwijzingen' op grond van gelijkwaardigheid, bijvoorbeeld met betrekking tot het slaan van vrouwen, de dialoog op gang moeten houden. Lunsing geeft overigens geen voorbeeld van de 'wederzijdsheid' in dezen. Los van dit slecht gekozen voorbeeld - migranten dienen zich gewoon aan de wet te houden - heeft Lunsing uiteraard gelijk dat voor veel eerste generatie migranten een zekere mate van integratie (taal!) het hoogst bereikbare streven is.

Mijns inziens is dit echter niet, of veel minder, van toepassing vanaf de tweede generatie. Die zijn namelijk wel opgegroeid met Ajax en Feijenoord en ze weten op zijn minst van het bestaan van spruitjes af en dat je geacht wordt die vies te vinden. 'Soevereiniteit in eigen kring' is geen PvdA-, maar een CDA-gedachte. De PvdA kan daar op zijn minst de kanttekening bij zetten dat dit op vrijwillige basis dient te geschieden. De zich emanciperende migrant, die zich tracht te ontworstelen aan de beperkende aspecten van zijn achtergrond, zoals eens de arbeider, dient echter de doelgroep te zijn. Sociale druk, pregnant verwoord in het vooral onder Surinamers gangbare verwijt aan assimilanten dat ze 'bounties' zijn: zwart van buiten, maar wit van binnen, mag niet versterkt worden door groepsgerichte opvattingen bij politieke partijen en overheidsinstanties. De SDAP/PvdA is niet voor niets altijd de partij geweest waar 'geassimileerde' joden, katholieken die zich niet veel van hun bisschoppen aantrokken, vrijzinnige christenen en atheïsten elkaar troffen.

Door de onheldere houding van de PvdA op dit punt oefent de partij een grote aantrekkingskracht uit op groeperingen als Milli Görüs. Nu heb ik niets tegen Milli Görüs e.t.q., alleen is het niet bepaald een sociaal-democratische beweging. Het effect hiervan is dat (in potentie) sociaal-democratische migranten zich niet in de PvdA herkennen en naar de VVD uitwijken. Uiteraard bepleit ik niet dat de PvdA dezelfde xenofobe trekken gaat vertonen als CDA en VVD. Wat dat betreft kan de electorale aantrekkingskracht van de PvdA op de meer traditionele moslims, zolang het CDA deze 'natuurlijke achterban' niet wil bedienen, of niet weet te bereiken, blijven bestaan. We moeten echter stoppen met het rekruteren van vertegenwoordigers uit de Moslimzuiltjes, maar de kant kiezen van de dissenters.

Bovendien wordt het tijd dat de PvdA er bij de regering op aandringt dat de diplomatieke vertegenwoordigingen van de donorlanden gemaand wordt hun (ex-)onderdanen op een fatsoenlijke wijze te behandelen. Ook als ze 'geassimileerd' zijn.

Steun de muiterij van de bounties!
Willem Minderhout

[1] Jan R. Lunsing, 'Een dramatisch misverstand', S&D 3, 2003

ALTERNATIEF CONCEPT-BEGINSELMANIFEST VAN DE PARTIJ VAN DE ARBEID

Verschenen in Socialisme & Democratie 7/8, 2004

’s-Gravenhage, 14 juli 2004

Het op 1 mei 2004 gepubliceerde concept-beginselmanifest van de PvdA is een belangrijke stap om te komen tot een eigentijdse omschrijving van de uitgangspunten waar de Partij van de Arbeid zich op baseert. Het is sinds de vaststelling van het oude beginselprogramma van 1977 de eerste poging daartoe waar de partijleiding zich nadrukkelijk aan gecommitteerd heeft. Dat alleen al verdient waardering. Te lang heeft men een fundamentele discussie over wat de leden van de Partij van de Arbeid onderling bindt, en wat hun onderscheidt van anderen, trachten te ontlopen. Daardoor heeft de waan van de dag binnen de Partij van de Arbeid te veel ruimte gekregen.

Dat neemt niet weg dat met het publiceren van dit concept-manifest het laatste woord inzake de beginselen van de PvdA niet gesproken kan zijn. Een manifest dat voor langere tijd probeert weer te geven wat de leden van een grote partij bindt, vraagt dat er door die leden over wordt meegedacht en gediscussieerd. Wij zien het gepubliceerde concept-manifest dan ook eerder als een uitnodiging aan de partij om mee te denken, dan als een hamerstuk voor het congres van december a.s. Anders dan Erik van Bruggen in De Groene van 5 juni 2004 beschouwen wij niet wie van die uitnodiging gebruik wil maken als een droeftoeter, maar degeen die zijn partijgenoten het recht wil ontzeggen naar aanleiding van het concept kritische opmerkingen te maken en alternatieve teksten voor te stellen.

Voor dergelijke voorstellen is er naar onze mening alle reden, ook al onderschrijven wij de politieke strekking van het concept van 1 mei. Het probleem bij het opnieuw formuleren van de uitgangspunten van de Partij van de Arbeid is dat een dergelijk stuk onderscheidend moet zijn ten opzichte van andere partijen, maar tegelijkertijd voldoende breed om de uiteenlopende opvattingen die je binnen een brede volkspartij aantreft te overspannen. Naar onze mening zijn de auteurs in dit laatste voldoende geslaagd, maar heeft daardoor het stuk aan onderscheidend vermogen ten opzichte van andere partijen verloren, al blijken op het eerste gezicht algemene teksten ('iedereen heeft recht op een fatsoenlijk bestaan') in de praktijk wel degelijk onderscheidend.

Een gemiste kans daarbij is dat het stuk, anders dan vorige beginseldocumenten, geen analyse bevat van de maatschappelijke ontwikkelingen waarop de PvdA dient te reageren, en die de geformuleerde beginselen hun relevantie geven. In het concept-manifest ontbreekt een kritiek op de neo-liberale ontwikkeling die de wereld sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw ondergaat. Die ontwikkeling heeft aan de ene kant de sociaal-democratie in het defensief gebracht heeft, maar aan de andere kant gemaakt dat formuleringen inzake solidariteit waarvan leek of ze algemeen ingang hadden gevonden, een nieuwe actualiteit als onderscheidend beginsel hebben gekregen.

In het volgende treft de lezer een alternatieve tekst, waarbij gebruik is gemaakt van het gepubliceerde ontwerp, maar waarbij geprobeerd is het onderscheid met andere partijen te verduidelijken. Dat betreft allereerst een analyse van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen, maar ook een aantal onderwerpen die naar onze mening in het manifest onvoldoende aan de orde komen maar wel degelijk van belang zijn voor het profiel van de Partij van de Arbeid. Daarnaast kiezen wij hier en daar voor scherpere formuleringen. Wij hebben ook geprobeerd onze tekst zodanig te redigeren dat deze zich beter leent voor amendering door het partijcongres.

Wij menen dat een duidelijker gearticuleerd beginselmanifest mogelijk is zonder dat de PvdA daarmee zijn aantrekkingskracht als brede volkspartij verliest. Integendeel, wij denken dat juist door scherper het onbehagen over de toenemende macht van het grote geld te formuleren dat bij velen leeft, de partij alleen maar aan aantrekkingskracht kan winnen.

Paul Bordewijk
Maarten Hajer
Willem Minderhout
Bart Tromp


ALTERNATIEF CONCEPT-MANIFEST

BEGINSELEN VAN DE PARTIJ VAN DE ARBEID

1.De doelstellingen van de sociaal-democratische beweging

1.1 De Partij van de Arbeid is de politieke vertegenwoordiger in Nederland van de sociaal-democratische beweging. Deze beweging streeft er vanouds naar de ongelijkheid, onvrijheden en onrechtvaardigheden die door de kapitalistische productiewijze op economisch, sociaal en cultureel gebied worden veroorzaakt tegen te gaan en te compenseren, zowel op nationale als internationale schaal, ten einde alle mensen een fatsoenlijk bestaan te waarborgen.

1.2 Dit streven is vandaag de dag te meer van belang, nu in het dominante politieke klimaat allerlei voorstellen gedaan worden om de bestaanszekerheid en autonomie van mensen aan te tasten onder het mom van ‘marktwerking’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’.

2. Partij en politiek.

2.1 De sociaal-democratische beweging ontstond in de negentiende eeuw uit het verzet tegen de wijze waarop het op ongeremde kapitalisme de levensomstandigheden van grote groepen van de bevolking aantastte. Zij kreeg vorm in een politieke partij die zich ten doel stelde door gezamenlijke inspanning en langs democratische weg de samenleving rechtvaardiger te maken en iedereen een redelijk bestaan te garanderen.

2.2 Dit streven kreeg noodgedwongen allereerst op nationaal niveau gestalte en is in veel opzichten succesvol geweest. Maar het in stand houden, aanpassen aan de eisen van de tijd en verbeteren van de verworvenheden die nu vanzelfsprekend lijken, vergt een blijvende politieke inspanning.

2.3 Meer dan ooit is de huidige wereldeconomie gebaseerd op een kapitalistische productiewijze waarin het maken van winst een doelstelling is die ertoe leidt dat overwegingen van rendement en efficiency ten koste gaan van heel andere waarden, zoals de bevordering van cultuur en de in stand houding van de natuur tot het waarborgen van zorg en gezondheid. Daartegen richt zich het streven van de Partij van de Arbeid, dat de economie ten dienste wil laten van functioneren van een fatsoenlijke samenleving, in plaats van dat de laatste wordt opgeofferd aan de eerste.

2.4 Daarom wil zij mensen kansen geven om het beste uit zichzelf naar boven te halen en dat niet alleen in economische zin. Ook al is iedereen in beginsel verantwoordelijk voor zijn eigen toekomst, uitgangsposities zijn ongelijk en risico’s zijn ongelijk verdeeld. Alleen gelijke kansen bieden is daarom onvoldoende. Mensen hebben ondanks pech en tegenslag het recht op zekerheid van een behoorlijk bestaan. De Partij van de Arbeid streeft naar een vorm van politiek die mensen aanspreekt en organiseert om verantwoordelijkheid te nemen; niet alleen voor de eigen toekomst maar ook voor die van de maatschappij als geheel.

2.5 Grote delen van de klassieke arbeidersklasse en veel vrouwen zijn uit hun traditionele achterstandspositie geëmancipeerd. Eén gevolg daarvan is het ontstaan van een omvangrijke doch heterogene middenklasse. Desalniettemin is niet iedereen in Nederland goed opgeleid en geëmancipeerd. Onder lager opgeleiden zien we steeds hardnekkiger achterstanden. Nieuwkomers vinden soms maar moeizaam een plek in de maatschappij. De zorgen van deze drie groepen lopen ver uiteen. Dat maakt de organisatie van solidariteit uitdagender dan ooit tevoren Toch is het juist deze uitdaging die mensen met verschillende levensbeschouwingen, van verschillende generaties, met verschillende achtergronden en uit verschillende landen steeds weer in de sociaal-democratische beweging bijeen brengt.

2.6 De sociaal-democratische beweging onderscheidt zich van het neoliberalisme onder andere door haar nadruk op het belang van burgerrechten ook in de economische sfeer. Daarnaast vindt zij dat het de taak van de overheid is door middel van herverdeling van kansen en middelen om gelijkere uitgangsposities en ontplooiingskansen te scheppen en zo de menselijke vrijheid te vergroten. Daarbij pleit de Partij van de Arbeid voor een actief burgerschap, waarin rechten en plichten in evenwicht zijn, voor een ontspannen samenleving waarin mannen én vrouwen keuze kunnen maken tussen arbeid, zorg, leren en vrijwilligerswerk. De Partij van de Arbeid verdedigt een levensbeschouwelijk en religieus pluralisme binnen de grenzen van democratie en rechtsstaat

3. Veel landen, één wereld

3.0.1 De wereld wordt steeds meer een economische eenheid. Dat komt deels door de toegenomen transportmogelijkheden en de ontwikkeling van de communicatietechnologie. Door de groei van de luchtvaart kunnen we hier genieten van vers fruit uit andere werelddelen, door satellietverbindingen kunnen we werk uitbesteden aan callcentra en ICT-bedrijven in India. Maar de mondialisering is ook het gevolg van de bewuste politieke beslissingen van de afgelopen dertig jaar om financiële en handelsbarrières te slechten.

3.0.2 Deze ontwikkeling biedt zowel kansen als bedreigingen. Economieën in de Derde Wereld kunnen zo in principe nieuwe afzetmarkten verwerven, wat leidt tot economische groei. Tegelijkertijd worden de opbrengsten van de economische groei vaak zeer onrechtvaardig verdeeld. In de westerse landen gaat er een druk tot grotere ongelijkheid vanuit, waarbij de hoogst betaalden zich optrekken aan de exorbitante inkomens die sommigen in Amerika weten te incasseren, terwijl wie het minder in het leven getroffen heeft gewezen wordt op de concurrentie vanuit de lage-lonenlanden, zodat aan de onderkant van inkomensverdeling een 'race tot the bottom' dreigt. Dit wordt versterkt door de nadruk op 'share holder value' in het bedrijfsleven. Ten slotte leidt ongeremde economische groei tot een versnelde uitputting van natuurlijke hulpbronnen en verontreiniging van het milieu, met immense bedreigingen voor het klimaat.

3.0.3 Deze ontwikkelingen onderstrepen de actualiteit van het sociaal-democratische project, waarbij machtsstructuren in het leven worden geroepen en worden versterkt die een meer egalitaire en duurzame mondiale samenleving mogelijk maken. Daarbij onderscheiden we een opgave op mondiaal, Europees en nationaal niveau. Uiteraard is de invloed van de PvdA op Europees en mondiaal niveau slechts beperkt, maar de internationale verhoudingen bepalen meer en meer welke speelruimte de politiek op nationaal niveau nog heeft. Juist om deze reden is het van belang dat sociaal-democraten en verwante groeperingen elkaar op Europese en mondiale schaal weten te vinden en samen te werken.

3.1 De mondiale samenleving

3.1.1 De Partij van de Arbeid wil een rechtvaardige en duurzame mondialisering. Ongereguleerde mondialisering leidt enerzijds tot monopolievorming en anderzijds tot roofbouw en uitbuiting.

3.1.2. Een rechtvaardige mondiale samenleving is niet denkbaar zonder herregulering van financiële markten en de opbouw van een systeem van ‘economic governance’, waarin sociale bescherming van de bevolking van ontwikkelingslanden net zo belangrijk is als financiële transparantie; structurele hulp aan deze landen, waaronder een vergaande beperking van hun schuldenlast en toegang tot beschermde Westerse markten.

3.1.3 Daarnaast blijft ontwikkelingshulp van belang, maar daarbij dient wel kritisch te worden gekeken naar de effecten. Structurele hulp kan alleen effect hebben wanneer er voldaan wordt aan minimumcondities ten aanzien van rechtszekerheid en spreiding van de welvaart. Een fatsoenlijk bestaan vraagt een fatsoenlijk bestuur. Internationale solidariteit betekent ook gerichte armoedebestrijding en emancipatie van kwetsbare groepen.

3.1.4 Wereldwijd moeten de rechten van de mens en de beginselen van de sociale markteconomie en de democratische rechtsstaat worden erkend, uitgeoefend en toegepast. Daartoe moet gebruik worden gemaakt van multilaterale kaders zoals de Verenigde Naties en het Internationale Strafhof, die moeten worden versterkt en ingezet ten behoeve van mondiale democratisering. Internationale druk is nodig opdat alle landen zich hierbij aansluiten.

3.1.5 Voor het verdedigen en in sommige gevallen herstellen van de internationale rechtsorde is een effectief geweldsinstrument noodzakelijk. De bestrijding van het terrorisme vraagt een hechte internationale samenwerking, waarbij ook de oorzaken worden aangepakt. Voor militaire interventie is een volkenrechtelijk mandaat nodig.

3.1.6 Zonder mondiale afspraken over beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen dreigen grote rampen. Daarnaast zien we afname van de soortenrijkdom op aarde, mede door de inkrimping van de regenwouden. Het betekent vooral voor de westerse landen met hun hoge energieconsumptie dat zij bereid moeten zijn die consumptie te beperken en te investeren in alternatieve energiebronnen. Daarbij zijn allereerst internationale afspraken van belang, waarbij valt te betreuren dat de Verenigde Staten als grootste energieconsument daar tot nog toe niet toe bereid zijn gebleken. Ook zonder dergelijke afspraken dienen de Europese landen hun gebruik van fossiele brandstoffen te matigen, waarbij individuele bedrijven en consumenten door verantwoord gedrag ook een bijdrage kunnen leveren.

3.2 Europa

3.2.1 Terwijl in de eerste helft van de twintigste eeuw Europa verscheurd is geweest door twee bloedige oorlogen, hebben de landen in West-Europa daarna gekozen voor velerlei vormen van internationale samenwerking, waarvan de NAVO en de Europese Unie de belangrijkste zijn. Deze samenwerking heeft grote resultaten opgeleverd: de oorlogsdreiging vanuit de Sovjet-Unie is eerst gepareerd en daarna geheel verdwenen, oorlog tussen West-Europese landen is nauwelijks meer denkbaar, en de welvaart is spectaculair gestegen. Nagenoeg in heel Europa is op nationaal niveau de democratische rechtsstaat gerealiseerd, al zien we nog wel aanloopproblemen in sommige landen die zich nog kort geleden van het communisme hebben bevrijd.

3.2.2 Het slechten van de handelsbarrières binnen Europa in het kader van de toenmalige Europese Economische Gemeenschap heeft ongetwijfeld een belangrijke bijdrage geleverd aan de gestegen welvaart. Maar we zien de laatste jaren in naam van de vrije markt een steeds toenemende bemoeienis van Europa met het interne beleid van de lidstaten, die ook in toenemende mate ergernis oproept. Aan de ene kant komt dat door het detaillisme (veiligheid van wipkippen, BTW op schoenreparaties), aan de andere kant doordat de Europese eenwording fungeert als voertuig voor het neoliberalisme, zoals bij de eis aan alle lidstaten om openbaar vervoer en andere nutsvoorzieningen open te stellen voor de markt.

3.2.3 Daarom moet opnieuw gedefinieerd worden met welke problemen de Europese Unie zich bezighoudt. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat Europa alleen die problemen aanpakt die we niet goed in eigen land kunnen oplossen (het subsidiariteitsprincipe). Daarmee wordt ook de toetreding van nieuwe landen gemakkelijker gemaakt. Het betekent dat o.a. cultuur, gezondheidszorg, nutsbedrijven en openbaar vervoer volledig de zeggenschap van de lidstaten moeten zijn.

3.2.4 Om uitwassen van de vrije markt tegen te gaan, dient Europa het sociaal beleid van de lidstaten te faciliteren, niet door één stelsel van sociale zekerheid in te voeren, maar wel door te voorkomen dat de Europese landen elkaar beconcurreren met lage belastingtarieven voor bedrijven. Daarmee wordt immers de basis van de collectieve sector uitgehold. Europa dient ook op te treden bij grensoverschrijdende milieuproblemen en bij de overbevissing van zeeën en oceanen. Dat geldt ook voor grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme, maar daarbij moeten de rechtsstelsels de bevoegdheid van de lidstaten blijven.

3.2.5 Europa heeft als handelsblok de macht en omvang om met kracht hervormingen in de mondialisering door te zetten. De sociaal-democratische beweging wil die macht nadrukkelijk gebruiken om de neoliberale benadering van mondialisering om te buigen en een ander, rechtvaardig perspectief op mondialisering te helpen vormgeven.

3.2.6 Een probleem bij de Europese integratie is dat een halve eeuw Europese samenwerking ons geen Europese publieke opinie en daarmee ook geen echte Europese partijen heeft opgeleverd. Dat betekent dat het publieke debat in hoofdzaak nationaal gevoerd wordt. Ondanks het bestaan van een Europees parlement is daarmee aan een essentiële voorwaarde voor het functioneren van de democratie op Europees niveau niet voldaan.

3.2.7 Om die reden kunnen diep ingrijpende beslissingen als die inzake oorlog en vrede niet genomen worden buiten de regeringen van de lidstaten om, ook al gaat het daarbij onmiskenbaar om grensoverschrijdende problemen. Afstemming van het buitenlands beleid is dringend gewenst, zowel tussen de lidstaten als tussen de verschillende sociaal-democratische partijen. Zolang zich echter geen echte Europese publieke opinie gevormd heeft, dient de beslissing inzake het lidmaatschap van de NAVO, de plaatsing van massavernietigingswapens op het eigen grondgebied, het al dan niet invoeren van de dienstplicht en het deelnemen aan gewapende interventies uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de lidstaten te blijven.


4 De Nederlandse samenleving

4.1 Democratie

4.1.1 Een fatsoenlijk bestaan is alleen mogelijk binnen het kader van de democratische rechtstaat. Die beschermt de burger tegen willekeur en maakt het mogelijk langs vreedzame weg tot machtswisselingen te komen.

4.1.2 In de democratische rechtsstaat is alle politieke machtsuitoefening uiteindelijk gebaseerd op een mandaat van kiezers. Publieke macht kan daarin niet worden uitgeoefend zonder publieke verantwoording, waarbij de volksvertegenwoordiging een essentiële rol speelt. Deze moet de mogelijkheid hebben het vertrouwen in het bestuur op te zeggen, zowel op nationaal niveau als bij gemeenten en provincies.

4.1.3 In een grootschalige samenleving staat de representatieve democratie noodzakelijkerwijze centraal, waarbij op verschillende niveaus een volksvertegenwoordiging wordt gekozen en een daarvan afgeleid bestuur optreedt. De burger heeft optimale mogelijkheden om gehoor te vinden voor zijn wensen wanneer de beslissingen genomen worden op een zo laag mogelijk niveau. De bewijslast voor grootschaliger bestuur en centralisatie van bevoegdheden ligt daarom bij de voorstanders.

4.1.3 In combinatie met de behoefte aan bestuur dicht bij de burgers kan de optredende schaalvergroting nieuwe bestuursvormen gewenst maken, zoals deelgemeenten en grootstedelijke besturen. Bij de inpassing daarvan in de bestuursstructuur is de bestaande hiërarchie rijk-provincies-gemeenten niet heilig.

4.1.4 Macht vraagt om tegenmacht. Steeds meer politieke macht wordt echter zonder directe betrokkenheid van de vertegenwoordigende democratie uitgeoefend: door ambtenaren, door beroepsorganisaties en belangengroepen, door woningbouwcorporaties en schoolbesturen, en door niet-gouvernementele organisaties en internationale instellingen.

4.1.5 Hoewel dit soms een manifestatie is van het vermogen van de burger in heden en verleden om zich zelfstandig te organiseren en te manifesteren, moet diezelfde burger te allen tijde de zekerheid hebben dat de eisen van evenredige belangenbehartiging en openbaarheid gewaarborgd zijn. Volksvertegenwoordigingen hebben daarbij een centrale rol, door de publieke verantwoording zelf ter hand te nemen of door er op toe te zien dat dit elders plaats vindt. De PvdA richt zich op de uitwerking van nieuwe vormen van burgerbestuur in aanvulling op het parlementaire systeem. Het geeft de burger meer macht over domeinen waar deze zelf sterk bij betrokken is.

4.2 De gemengde economie

4.2.1 Economische macht vraagt om tegenmacht. De ondernemingsgewijze productie is een belangrijke motor van innovatie, welvaart en werkgelegenheid. Maar economische macht kan ook schade doen, als ze geconcentreerd wordt, als verantwoording en controle ontbreken of als de tegenkrachten zwak zijn. Ondernemerschap en bedrijvigheid richten zich dan sneller naar de belangen van kapitaal en kapitaalverschaffers dan naar de belangen van werknemers, natuur en milieu en latere generaties.

4.2.2 Wij kiezen daarentegen voor een gemengde economische orde waarin een duurzaam gebruik van ruimte, energie en grondstoffen voorop staat en in ieder geval de bevoordeling van energie-intensieve economische activiteiten door de overheid ongedaan wordt gemaakt. De PvdA ziet hier verder een rol voor consumenten-, werknemers- en milieu-organisaties die als maatschappelijke tegenmacht kunnen optreden. Zo kan een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven worden aangemoedigd en afgedwongen.

4.2.3 Een gemengde economie veronderstelt een heldere politiek gericht op de bescherming en uitbouw van de institutionele pijlers van een meer beschaafd kapitalisme, waaronder: een belastingstelsel dat op draagkracht is gebaseerd; een vitale collectieve sector; een sociaal-economisch beleid dat economische en maatschappelijke doelstellingen combineert en een visie op de onderneming als een samenwerkingsverband van management en een diversiteit van belanghebbenden.

4.3 Werk en inkomen

4.3.1 De maatschappij draait op arbeid. Betaalde arbeid vormt de primaire bron van zelfstandig inkomen, maar levert ook een bijdrage aan de samenleving. Voor veel mensen is werk de basis voor hun (zelf)respect, maar daarvoor is de kwaliteit van de arbeid en zeggenschap over arbeidsverhoudingen essentieel.

4.3.2 In de praktijk levert niet ieders arbeid evenveel op. Dergelijke verschillen zijn acceptabel wanneer ze het gevolg zijn van verschillen in inspanning, nu of vroeger. Veel ongelijkheid valt echter ook terug te voeren op verschil in aanleg of in uitgangspositie, op machtsverhoudingen, of domweg op geluk. Er zijn verschillende redenen voor de overheid om dergelijke inkomensverschillen te beperken.

4.3.3 Aan de onderkant van de inkomensverdeling verliezen mensen zonder een adequaat stelsel van sociale zekerheid de mogelijkheid om een fatsoenlijk bestaan te leiden. Daarbij speelt niet alleen de koopkracht in absolute zin een rol, maar ook wat in een bepaalde samenleving gebruikelijk is, zeker voor ouders van opgroeiende kinderen. Naarmate mensen meer geconfronteerd worden met eigen bijdragen en eigen risico's, moeten ze ook beter in staat gesteld worden die bijdragen op te brengen.

4.3.4 Al te grote inkomensverschillen ondermijnen ook de solidariteit. Wanneer het in slechte tijden wenselijk is dat lonen gematigd worden, mag het niet zo zijn dat de hoogst betaalden zich daaraan onttrekken. En daar waar schaarste gereguleerd wordt door een prijs te vragen, of het nu gaat om parkeren, rekeningrijden of wonen op gewilde locaties, leiden inkomensverschillen tot ongelijke ontplooiingsmogelijkheden. Ten slotte kan extreme rijkdom ertoe leiden dat mensen politieke macht kopen. Amerika vormt in dat verband een afschrikwekkend voorbeeld.

4.3.5 Een progressief belastingsysteem is een belangrijk middel om een gelijkmatige inkomstenverdeling te bevorderen. Wie kiest voor een toppositie in de publieke sector, zal moeten accepteren dat de wens om al te grote inkomenstegenstellingen te vermijden invloed heeft op het beloningsniveau.

4.3.6 Solidariteit is niet alleen een kwestie van hoe de lasten moeten worden verdeeld tussen (kans)rijk en (kans)arm, maar ook tussen jongeren en ouderen. Lusten en lasten moeten ook voor volgende generaties in evenwicht zijn.

4.4 Sociale zekerheid

4.4.1 Wij willen dat zoveel mogelijk mensen op eigen benen kunnen staan en dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten. De samenleving biedt niet louter kansen, er zijn ook grote risico’s en onzekerheden. Kennis kan snel verouderen en achterstanden kunnen hardnekkig zijn. In de economie wisselen perioden van voor- en tegenspoed elkaar af. Daarom moet er een goed stelsel van sociale zekerheid zijn, gericht op bescherming én activering.

4.4.2 De maatschappij moet niet alleen ruimte bieden aan mensen die met hun kennis en vaardigheden de welvaart van ons allemaal kunnen vergroten, maar ook zekerheid aan mensen die het goed gaat maar zich verzekerd willen weten tegen pech of tegenslag, en bescherming aan hen die wel willen maar niet kunnen. In veel gevallen kan die zekerheid alleen collectief via ‘risico-solidariteit’ worden georganiseerd, bijv. wanneer anders uitsluiting op basis van toepassing van genetische screening dreigt.

4.4.3 Daarbij worden ook eisen gesteld aan mensen: wanneer ze niet oud, ziek of invalide zijn moeten ze bereid zijn te werken, en ze moeten hun financiële verplichtingen nakomen. Niet iedereen doet dat echter, vaak door psychische of verslavingsproblemen. Dat leidt tot uitsluiting van voorzieningen. De overheid kan echter niet accepteren dat zo een groeiend leger van bedelaars en daklozen ontstaat, maar moet dit probleem actief aanpakken, ook als dat alleen kan door de autonomie van mensen in te perken.

4.5 Collectieve voorzieningen

4.5.1 Niet alles waaraan mensen behoefte hebben voor een fatsoenlijk bestaan, kan door de markt in voldoende mate geleverd worden. Daarbij gaat het bij voorbeeld om onderwijs, zorg en huisvesting, de bescherming tegen criminaliteit en terreur en de mogelijkheid om als volwaardig burger mee te doen aan publieke besluitvorming. De ontwikkeling en instandhouding van een stabiele en betrouwbare en kwalitatief hoogwaardige publieke dienstverlening ziet de sociaal-democratie als voorwaarde voor het stimuleren van een veelzijdige ontplooiing.

4.5.2 Voor het goed functioneren van een markt is het noodzakelijk dat er meerdere aanbieders van goederen of diensten optreden, en dat mensen individueel kunnen kiezen of ze daarvan wel of geen gebruik willen maken. In sommige gevallen kan die keuze echter individueel niet gemaakt worden, zoals wanneer het gaat om het functioneren van de rechtsorde, in andere gevallen is er slecht één aanbieder, zoals bij de meeste netwerkdiensten. Bij sommige diensten is het maatschappelijk niet acceptabel dat mensen vanwege een te laag inkomen daarvan afzien. Bij de toegang tot het onderwijs gaat het immers allereerst om talent of de afwezigheid daarvan, bij het krijgen van zorg gaat het om de vraag wie ziek is of gezond.

4.5.3 De politiek dient dergelijke publieke belangen te borgen, maar het hangt af van het specifieke karakter van de betreffende dienst wie deze aanbiedt. Dat kan een overheidsinstelling zijn, maar ook een non-profit instelling of een private onderneming. Toegankelijkheid zal daarbij vaak het belangrijkste publieke belang zijn, omdat geld niet mag domineren waar andere overwegingen maatgevend moeten zijn.

4.5.4 Wij willen dat iedereen zich verbonden voelt met de publieke voorzieningen en daaraan ook bereid is bij te dragen. Dat lukt alleen door de belastingbetaler kwaliteit te bieden. Fatsoen betekent in dit geval vooral dat afhankelijkheid van en vernedering door anonieme bureaucratieën wordt tegengegaan. Omdat bij instellingen die niet op de markt opereren altijd het gevaar van gemakzucht op de loer ligt, dient er een goed stelsel van toezicht te zijn. Dit toezicht dient zodanig vorm te worden gegeven dat het de interne motivatie van de medewerkers niet schaadt.

4.5.5 Ten slotte mag een overheid die investeert in haar burgers rekenen op wederkerigheid. Zij moet alert zijn op oneigenlijk gebruik en misbruik en moet haar burgers aanspreken op eigen verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid.

4.6 Kennis en cultuur

4.6.1 Voor de toekomst van mensen is goed onderwijs essentieel. Bij de opzet van het onderwijs wordt rekening gehouden met verschillen in talenten, maar ook met verschillen in maatschappelijke achtergrond. Getalenteerde kinderen van laaggeschoolde ouders verdienen extra faciliteiten, zoals de mogelijkheid om over te stappen van het ene schooltype op het andere.

4.6.2 Naast voorbereiding op de arbeidsmarkt heeft het onderwijs als taak cultuuroverdracht en het overdragen van de normen en waarden die ten grondslag liggen aan de democratische rechtstaat, in relatie tot de wijze waarop deze zich in Nederland ontwikkeld hebben. In het onderwijs wordt respect en begrip voor anderen aangeleerd en in de praktijk gebracht.

4.6.3 Wetenschap en cultuur hebben waarde in zichzelf, los van economische overwegingen. Daarom heeft de overheid de taak om de kwaliteit en de variëteit van kunstuitingen en wetenschapsbeoefening te bevorderen. Dit geldt ook voor de omroep. Publieke financiering van deze cultuurvormen dient om kunstenaars, journalisten en wetenschappers minder afhankelijk te maken van de markt, niet om ze tot spreekbuis van de overheid te maken.

4.6.4 Naast hun culturele betekenis zijn veel takken van wetenschap ook van groot belang voor het functioneren van onze economie en voor het oplossen van de grote uitdagingen waar de mensheid voor staat, zoals het broeikaseffect en de voedselvoorziening voor een groeiende wereldbevolking. Ondanks het modieuze gepraat over de kenniseconomie blijken de grote concerns door hun sterke gerichtheid op korte-termijnwinst eerder geneigd researchfaciliteiten af te stoten dan nieuwe laboratoria te openen, waardoor getalenteerde onderzoekers hun heil moeten zoeken in het buitenland. De overheid kan deze ontwikkeling niet op zijn beloop laten.

4.6.5 Bij de ontwikkeling van de wetenschap springt de biotechnologie in het oog. Deze kan bijdragen aan de verhoging van de kwaliteit van het bestaan door vergroting van de voedselproductie, de ontwikkeling van nieuwe medicijnen en prenatale screening. Niet elke toepassing is echter aanvaardbaar: prenatale screening moet zijn vrijwillige basis houden en de PvdA deelt de algemene afkeer van het reproductief klonen van mensen. Nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen moeten ten goede komen aan de hele mensheid en niet alleen aan de financiers van het onderzoek of aan de rijke landen.

4.7 Normen en waarden

4.7.1 De maatschappij draait niet alleen op voorschriften van de overheid. Samenleven vraagt een inspanning van iedereen. Zorg voor elkaar, vrijwilligerswerk en deelname aan het verenigingsleven zijn van groot belang voor onderling vertrouwen en sociale betrokkenheid. Zij zijn bovendien een leerschool voor democratisch burgerschap en tolerantie. Mannen en vrouwen moeten arbeid, zorg en levenlang-leren zo kunnen organiseren dat ze ook ruimte hebben voor zichzelf, hun familieleden en vrienden, voor ontspanning en maatschappelijke activiteiten.

4.7.2 Wij waarderen de dynamiek, het innovatievermogen en de sterk toegenomen mogelijkheden van individuele variatie in levensstijlen in onze moderne maatschappij. Maar zo’n gevarieerde wereld stelt hoge eisen aan de inschikkelijkheid van mensen.
Crimineel en asociaal gedrag in de openbare ruimte zijn onaanvaardbaar, juist wanneer we de betekenis inzien van een publiek domein waar iedereen de waarde van erkent en zich door gestimuleerd voelt. We verwachten van iedereen de bereidheid tot respectvolle omgang met anderen, juist om de waarde van diversiteit te kunnen blijven beleven. Racisme en discriminatie, misbruik van sociale voorzieningen en belastingontduiking, en al te grote inkomensverschillen ondermijnen de maatschappelijke solidariteit en dienen derhalve sterk te worden bestreden.

4.7.3 De commercialisering van media en sport maakt soms dat vormen van gedrag als navolgenswaardig worden gepresenteerd waarbij onderling respect ver te zoeken is. Dit versterkt het belang van andere geldbronnen voor de omroep dan reclame. Commerciële belangen dienen ondergeschikt te zijn aan waar het hier werkelijk om gaat: informatie en ontspanning.

4.7.4 Immigratie brengt mensen naar ons land met andere opvattingen dan de laatste vijftig jaar in Nederland gemeengoed zijn geworden, vaak vanuit een religieuze achtergrond. Dit stelt Nederland voor nieuwe dilemma's. Duidelijk moet zijn dat de grondrechten voor iedereen gelden, inclusief de vrijheid van godsdienst en de vrijwaring van discriminatie. Maar wie zich in Nederland vestigt moet zelf de geloofsvrijheid van anderen respecteren, inclusief het recht op geloofsafval, en aanvaarden dat in Nederland mannen en vrouwen gelijke rechten hebben, ook in seksueel opzicht, en dat homoseksuele relaties volledig geaccepteerd worden.

5 Een moderne, open partij

5.1 De plaats waar de politiek in onze representatieve democratie primair wordt vormgegeven en uitgedragen, waar politiek inzicht tot rijping komt en politieke vertegenwoordigers worden opgeleid en geselecteerd, is de politieke partij. De Partij van de Arbeid vervult deze rol voor de sociaal-democraten in Nederland

5.2 De bijzondere rol die een politieke partij speelt in onze democratie brengt verantwoordelijkheden met zich mee. De PvdA besteedt daarom aandacht aan interne partijdemocratie, vorming en scholing van haar leden, ondersteuning van haar vertegenwoordigers, de activiteiten van haar wetenschappelijk bureau, voorlichting en dialoog met de samenleving.

5.3 De dialoog met de samenleving is doorslaggevend voor een levende partij. Enerzijds omdat de natuurlijke achterban van partijen grotendeels is verdwenen. Anderzijds omdat mede door de medialogica de neiging bestaat de politieke agenda te laten bepalen door de waan van de dag. Een partij die handelt vanuit beginselen streeft ernaar de politieke agenda zelf te bepalen, maar sluit zich niet af. Juist in wisselwerking met de samenleving winnen haar beginselen aan praktische relevantie.

5.4 De Partij van de Arbeid wil iedereen die zich door haar beginselen voelt aangesproken, organiseren en inspireren en een plek bieden van waaruit zij zich, binnen en buiten de formele politiek, maar altijd langs democratische weg, voor deze idealen in kunnen zetten.

Paul Bordewijk, Maarten Hajer, Willem Minderhout, Bart Tromp

Zes afspraken voor een ‘vernieuwde’ PvdA

Willem Minderhout. Verschenen in Socialisme & Democratie 7/8, 2003.

De verkiezing van Ruud Koole tot partijvoorzitter beloofde een kentering te brengen in de ontwikkelingsrichting van de PvdA. De roep, zo niet feitelijke stappen, om de PvdA tot ‘campagnepartij’ om te vormen, een partij waarin de professionals de koers bepalen en er alleen een beroep op de ledenorganisatie wordt gedaan om campagne te voeren en coöpteerbare kandidaten te leveren, werd gepareerd. In plaats van de weg naar het Greenpeace-model op te gaan, waarbij de leden tot de status van donateur zijn teruggebracht, werd de weg naar herstel van invloed van de leden ingeslagen: herstel van de PvdA als moderne kaderpartij, of pregnanter geformuleerd ‘ledenpartij’.

Het discussiestuk ‘Naar een vernieuwde PvdA’ moet deze ontwikkeling verder stimuleren. Je zou het, zoals Zuid-Hollands Statenlid Robbert Baruch stelde, eerder een pleidooi voor ‘partijveroudering’ kunnen noemen: iedereen moet gewoon zijn werk weer eens doen. Rejuvenatie is misschien een adequatere term, maar is daar ook een Nederlands woord voor, dat niet de indruk wekt dat alleen ‘jongeren’ de partij kunnen redden?

Wat er mogelijk nieuw is, is een poging de in zichzelf gekeerde regentencultuur van het professionele kader open te breken door de leden meer invloed te geven en een hoge mate van transparantie en aanspreekbaarheid ten opzichte van de kiezer na te streven. Zoals te verwachten was, is iedereen het daar van harte mee eens. Regenten kennen we niet meer binnen de partij. Marcel van Dam zei het al: “Er zijn duizend trucs en ik ken ze allemaal. Eén van de meest gebruikte is 'bukken, niet op reageren, het waait wel over, volgende week is er weer iets anders”.

Toppunt tot nu toe van deze herstelde ledeninvloed en verhoogde transparantie was – in ieder geval ogenschijnlijk - de verkiezing van een ‘politiek leider’. Dat deze verkiezing inderdaad een succes was komt mijns inziens door drie factoren:

1. De val van Balkenende I, waardoor een einde kwam aan de quizvraag wat een politiek leider nu eigenlijk voor iets was. Gewoon een lijsttrekker dus.
2. Het voornemen van gekozen leider Wouter Bos om ook bij regeringsdeelname in de kamer te blijven als fractievoorzitter. (En het feit dat dit leiderschap niet echt op de proef is gesteld door een confrontatie met ‘eigen’ bewindslieden, of een ‘cohabitation’ - of is dat een mariage? - met regeringsleider Cohen.)
3. De ‘verkiezingscampagne’, die alleszins gezellig was en een boel publiciteit trok, waardoor de PvdA weer een wat aantrekkelijker smoel – en kontje - kreeg.

Bij de Provinciale Statenverkiezingen herhaalde zich deze procedure. Bij mijn weten werden de provinciale ‘leiders’ echter – op Marleen Barth na, maar dat was een ongelukje – gewoon gedeputeerde.

In de afdeling Den Haag, maar ik wed niet alleen daar, wordt nu de roep gehoord om ook lokaal de leider te laten kiezen door alle leden. Nu werd dat altijd al gedaan op een openbare ledenvergadering, maar – in navolging van de landelijke en provinciale experimenten – dat zal waarschijnlijk een schriftelijke ronde moeten worden. Een procedure die D6 al sinds jaar en dag voor de hele lijst volgt. Dit is allemaal leuk en aardig. Er kleven echter twee bezwaren aan.

Ten eerste een psychologisch bezwaar. De gekozen leider kan zich, zoals recente uitspraken van W. Bos aantonen, gerechtigd voelen om zich, op grond van het feit dat hij direct gekozen is door de leden, onafhankelijk op te stellen tegenover het partijkader. Bij deze plebiscitaire opvatting van het leiderschap zijn twee vraagtekens te plaatsen:

1. Mag een ‘leider’ namens de partij standpunten innemen die hij niet tijdens zijn verkiezingscampagne naar voren heeft gebracht zonder de partij te consulteren?
2. Is er een verschil tussen ‘het kader’ (vergadertijgers) en ‘de leden’ (de zwijgende meerderheid) en verwoordt de partijleider per definitie de mening van de zwijgende meerderheid beter dan het kader dat doet?

Mocht dat zo zijn dan dienen deze bevoegdheden van de leider toch op zijn minst statutair te worden vastgelegd. Ik ben echter geneigd beide vragen met ‘neen’ te beantwoorden.

Ten tweede kleeft er een staatsrechtelijk probleem aan voortvloeiend uit de Wet Dualisering Lokaal Bestuur (Elzinga). Raad en Staten zijn, net als de Tweede Kamer geacht wordt te zijn, kaderstellend en controlerend, de bestuurscolleges zijn uitvoerend. Indien nu de door de leden gekozen partijleider wethouder of gedeputeerde wordt, wat hoeft deze ‘executive’ zich dan aan te trekken van zijn kaderstellende fractie?

Ook het feit dat niet alleen ministers, maar ook gedeputeerden en wethouders na de verkiezingen ‘uit de hoge hoed’ kunnen komen, zou tot enige reflectie met betrekking tot ledeninvloed en transparantie aanleiding moeten geven.

Wethouders, gedeputeerden en ministers komen net zo min als partijleiders in de statuten voor. Wat zou een mogelijke herziening van die statuten naar aanleiding van het streven naar ‘vernieuwing’ en ten gevolge van ‘Elzinga’ in kunnen houden?

Stel dat we statutair vast zouden leggen dat de gekozen partijleider/lijsttrekker na de verkiezingen fractievoorzitter wordt, dan kleeft daar het probleem aan dat wethouders en gedeputeerden goedbetaalde krachten zijn, die op een ambtelijk apparaat kunnen steunen en raads- en statenleden, zelfs als ze fractievoorzitter zijn, toch immer goedwillende amateurs, of semi-professionals blijven. Kamerleden hebben het wat dat betreft beter getroffen.

Het zal je maar gebeuren dat je tot ‘lokaal leider’ gekozen wordt, als je ambitie hebt om wethouder te worden!

Ik ben niet bang dat al die gekozen ‘leiders’ over zullen gaan tot opheffing van partij, gewest of afdeling, ten einde bestuursverantwoordelijkheid te kunnen dragen. Toch lijkt het verstandig om wat, mogelijk statutair vast te leggen, afspraken te maken. Die afspraken moeten de eerder genoemde twee doelen dienen: meer invloed van de leden en meer openheid naar en dialoog met de kiezer.

Afspraak 1 is wat mij betreft dat het begrip ‘partijleider’ weer wordt wat het altijd is geweest: een term die een de facto situatie aangeeft op basis van een positie (invloedrijk bestuurder, of volksvertegenwoordiger), maar vooral op basis van verworven gezag. Het begrip hoeft daarom niet in de statuten te worden opgenomen omdat het geen officiële functie is.

Afspraak 2 is dat er wegen gevonden worden om meer leden - of liever: de leden méér - bij de verkiezing van lijsttrekkers te betrekken. Er zou bijvoorbeeld altijd wat te kiezen moeten zijn. Enkelvoudige kandidaatstellingen moeten wellicht statutair worden uitgesloten. Mijn ervaring is, dat leden best bereid zijn een afdelingsvergadering te bezoeken als het ergens over gaat. Stemmen per brief zou echter overwogen kunnen worden, al legt dat een hoge belasting op de administratieve vermogens van een afdeling.

Afspraak 3 is dat de lijsttrekker best ‘om zijn of haar kontje’, of laten we het communicatieve vaardigheden noemen, gekozen kan worden en niet per se fractievoorzitter hoeft te worden, als een bestuursfunctie meer in de rede ligt. De lijsttrekker is dus primus inter pares; het gezicht naar buiten tijdens de campagne met goede vooruitzichten voor een boeiende functie daarna.

Afspraak 4 is dat de fractieleider het verkiezingsprogramma adopteert en op basis daarvan – en op basis van in openbaarheid verworven voortschrijdend inzicht – het bestuur ‘de kaders’ stelt. Hij zal daar in het openbaar verantwoording over afleggen tegenover de leden en de kiezers. (Ook weer een typisch staaltje ‘partijveroudering’, al kan je er nu internet bij gebruiken.)

Afspraak 5 is dat de PvdA voor de verkiezingen in het openbaar meedeelt wie de partij als potentiële wethouder, gedeputeerde, of minister op de bank heeft zitten. Ook – vooral ook – als deze personen niet op de kieslijst staan.

Afspraak 6 is dat de PvdA-vertegenwoordigers tussen de verkiezingen blijven communiceren met leden en kiezers. En dat ze nu eindelijk eens leren dat een dialoog iets heel anders is dan een toespraakje en dat debatteren iets heel anders is dan ruzie maken.

En als er dan ook nog een richtinggevend en inspirerend beginselprogramma geformuleerd kan worden, dan wordt het best nog wel wat.

Willem Minderhout

De wondere wereld van techniek en politiek

Verschenen in Socialisme & Democratie 3, 2005.

Bespreking van: Paul Bordewijk: Goud in de Grond. De geschiedenis van draadomroep en kabeltelevisie toegespits op Stadskabel Leiden, Leiden Primavera Pers, 2004.

Toen de Gemeente Leiden in 1993 haar bedrijf Stadskabel verkocht werd er een bedrag gereserveerd om om de geschiedenis van dit bedrijf vast te leggen. De Gemeente verleende Paul Bordewijk de opdracht om deze geschiedenis te boekstaven.

Gedenkboeken vormen vaak ‘een feest der herkenning’ voor de direct betrokkenen en een nuttige maar niet onkritisch te gebruiken bron voor historici. Het eindresultaat van deze studie, Goud in de grond, is echter veel meer dan dat. Er zit namelijk een idee achter. Bordewijk wil aan de hand van Stadskabel een beeld geven van de wijze waarop politici omgaan met technische ontwikkelingen, regionale samenwerking, de relatie tussen ambtenaren en bestuurders en tevens wil hij de veranderende inzichten in de rol van de overheid onder de loep nemen.

In de eerste helft van het boek beschrijft hij twee eeuwen mediageschiedenis, vanaf de optische telegraaf van Claude Chappe uit 1794 tot de huidige situatie. In de tweede helft zoomt hij in op de Leidse kabelgeschiedenis en werkt hij zijn probleemstelling minutieus uit.

Bordewijk heeft echter geen ‘twee boeken in één band’ geplakt. De schaalsprong van de wereldbol van ‘algemene mediageschiedenis’ naar de stafkaart van het Leidse kabelgedoe is groot, alsof je plotsklaps een telescoop voor een microscoop inwisselt, maar beide delen zijn complementair aan elkaar.

Deel 1 is een ‘feest der herkenning’ voor iedere lezer, want wie is er geen direct betrokkene bij de gechiedenis van de media? Bordewijk presenteert de geschiedenis van de (communicatie)techniek, waarbij hij de droombeelden, de – vaak onbedoelde – toepassingen van geniale invallen, ‘padafhankelijkheden’, het streven naar beheersing en bevoogding en winstbejag (het ‘goud’, dat ergens in de grond moet liggen) in hun samenhang presenteert: de maatschappelijke organisatie van de communicatietechniek.

Droombeelden: De televisie blijkt als ‘science fiction concept’ te zijn ‘bedacht’, in ieder geval voorspeld, door laat negentiende-eeuwse Franse auteurs in de traditie van Jules Verne. Opvallend is dat reeds vanaf dat prille begin het uitzenden van schaarsgeklede dansende meisjes als één van de toepassingen wordt geschetst. Letterlijk: Bordewijk heeft een prachtige verzameling schetsen en ‘stills’ door de jaren heen verzameld, die ongeveer allemaal datzelfde beeld laten zien.

De onbedoelde toepassingen van geniale invallen: Het lijkt een constante te zijn dat geniale uitvindingen uiteindelijk niet gebruikt worden voor de doeleinden die de uitvinder voor ogen stonden. Marconi streefde naar een ‘point to point’ communicatiesysteem en vond het eigenlijk een groot nadeel dat ‘iedereen’ de door hem uitgevonden radioberichten kon ontvangen. Bell streefde eigenlijk naar een soort omroepsysteem en was teleurgesteld dat zijn telefoon eigenlijk vooral geschikt was voor tweegesprekken. Ook de strijd tussen (de toepassingen van) ether en kabel blijkt een constante en wordt alleen maar heviger wanneer niet-technici ‘nieuwe diensten’ op basis van deze technieken willen ontwikkelen.

Padafhankelijkheden: Bordewijk geeft mooie voorbeelden van de moeilijkheden om van eenmaal ingeslagen paden af te wijken, ook wel bekend als ‘de wet van de remmende voorsprong’. De eerder genoemde optische telegraaf werke zo goed binnen Frankrijk (en onder Napoleon tot in Nederland), dat de invoering van de technisch superieure elektronische telegraaf in Frankrijk daardoor sterk is vertraagd. Een verschijnsel dat zich zou herhalen met Minitel en internet. In het voortdurende gesteggel over de vraag ‘draad of ether’ speelt dit ook een rol. Iedere keuze vergt grote investeringen en dus grote risico’s als één van de twee het pleit (tijdelijk) wint.

Het streven naar beheersing en bevoogding: Informatie is macht. De autoriteiten streefden aanvankelijk krampachtig naar een informatiemonopolie, waarbij naast staatsveiligeid ook sociale en cururele doelen werden nagestreefd. Bordewijk beschrijft hoe deze overheidsbemoeienis in de tijd veranderde omuiteindelijk plaats te maken voor commerciële exploitatie. Cultuupolitieke doelstellingen verloren aan belang en maakten plaats voor commerciële motieven.

Winstbejag: Uiteraard betekent de beheersing van een communicatienetwerk ook dat men dit kan exploiteren. Uiteenlopende commerciële initiatieven, kwamen steeds meer in de macht van een normerende, regulerende en later exploiterende overheid, waarbij lokale en landelijke overheden elkaar de baten betwistten. Deze overheidsbemoeienis werd in de zeventiger en tachtiger jaren steeds meer als bevoogdend gezien. Initiatieven om via lokale media de burger zelf aan het woord te laten en de piraterij sloegen wat barstjes in het overheidsmonopolie, dat later vergruizeld werd door de opkomst van de satellietcommunicatie, de commerciële omroepen en de privatisering van de telecom- en kabelbedrijven.

De aan de Leidse ‘Stadskabel’ gewijde helft.dwingt bewondering af door de minutieuze gedetailleerdheid waarmee Bordewijk deze geschiedenis beschrijft. Voor buitenstaanders is de beschrijving van de daden van al die ambtenaren, bestuurders en politici misschien iets teveel van het goede.

In een andere publicatie, een artikel getiteld ‘De gemeentelijke bemoeienis met omroepnetwerken’ , heeft Bordewijk gezorgd voor een heldere samenvatting van zijn bevindingen met betrekking to publieke investeringen in infrastructuur. Investeringen in kabel- en/of in etherinfratructuur hebben als achterliggende rationaliteit altijd het streven naar rentabiliteit gehad en uiteraard de vraag aan wie die baten zouden toevallen. Deze benadering lijkt echter bij de huidige discussie rond ’fiber tot the home’, geïnspireerd door de veronderstelde zegenrijke werking van breedband voor de kenniseconomie, te zijn losgelaten. Misschien kan het ‘toetsingskader’ van de Tijdelijke Comissie Infrastructuur (Commissie Duivesteijn) eens op deze plannen worden losgelaten.

Wie zich tot dit artikel beperkt en Goud in de Grond ongelezen laat, mist echter de beschrijving van de structurele spraakverwarring tussen techneuten aan de ene kant en ambtenaren en politici aan de andere. De ‘two cultures’ van C.P. Snow zijn nog volop aanwezig. Deze cultuurkloof, in combinatie met de wisselvallige samenwerking tussen bestuurders en ambtenaren en tussen bestuurders onderling, blijkt vaak tot onverwachte en vaak ok ongewenste resultaten te leiden. Het det denken aan de januskop van de techniek van Bruno Latour. Als je achterom kijkt lijkt een technische ontwikkeling zich noodzakelijkerwijs te hebben voorgedaan zoasl hij zich heeft voorgedaan. Wannneer je echter bekijkt hoe het proces zich daadwerkelijk heeft afgespeeld en vooruit kijkt door de ogen van de betrokkenen, dan merk je dat het een sociale constructie is die van de toevalligheden aan elkaar hangt.

“Goud in de grond” is zo rijk aan informatie, illustraties, anekdotes en analyses en zo goed ontsloten door het register, dat het blijvend dienst kan doen als blader- en plaatjesboek, als lees- en studieboek, maar ook als naslagwerk.


Willem Minderhout

Een avond met Manuel Castells

(Verschenen in Socialisme & Democratie, 11/12, 2001)

Op maandag 7 oktober deed de op één na beroemdste Manuel uit Barcelona Nijmegen aan op uitnodiging van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Door een gelukkige samenloop van omstandigheden viel mij een kaartje voor een zitplaats ten deel. Ik wilde hem wel eens live meemaken, dus spoedde ik mij naar de aula van de Katholieke Universiteit Nijmegen. De aula zat (en stond) werkelijk stampvol en het publiek bleek, om het mondiale karakter van de ‘Network Society’ te onderstrepen, uit alle windstreken, tot Latijns Amerika aan toe, te zijn toegestroomd.

Inhoudelijk had ik geen andere verwachting dan dat Castells ‘The information age’ nog eens bondig zou samenvatten. Wat dat betreft was het een soort concert bezoek: is Manuel live net zo goed als in geschrifte? En dat viel niet tegen. In een goeddoortimmerd en gedreven betoog zette hij het theoretische raamwerk uiteen waarmee hij de Network of Informational Society tracht te verklaren. Misschien is het in Castells’ geval beter om te praten van een heuristiek in plaats van een theorie, want ook in Nijmegen verklaarde hij menigmaal dat hij theorie slechts ziet als een ‘wegwerpinstrument’ om de werkelijkheid te verklaren. Nijvere Castellisten herkenden veel van zijn verhaal. Het volgde in grote lijnen zijn essay dat in het millennium nummer van het British Journal of Sociology verscheen.

Castells had echter goed zijn best gedaan om voor het gezelschap geografen zijn verhaal toe te spitsen op "The crisis of the city".

Deze crisis bestaat eruit dat, hoewel de wereld vrijwel volledig geürbaniseerd is en de stad ten gevolge van de erosie van de natiestaat aan belang wint, de traditionele stad qua functie, betekenis en vorm aan het verdwijnen is.

Volgens Castells wordt de functie van de stad uiteengerukt tussen de wetten van de ‘mondiale netwerken’ en de noden van de lokale bevolking. Om deze versplintering te schetsen gaat Castells zelfs nog een stap verder dan in zijn eerdere analyse van de ‘global city’. Steden zijn in zijn optiek verdichtingen, knopen, waar vele wereldomspannende netwerken elkaar treffen, maar die functioneel over de hele wereld uitwaaieren: Londen is geen global city, maar vele stukjes Londen behoren tot even zovele wereldomspannende ‘global cities’. De stad als betekenisgever, als kristallisatiepunt voor een ‘civil society’ of een publiek sfeer, komt hierdoor onder druk te staan en de politiek verliest zijn legitimiteit. Er is geen dominante cultuur meer, vastgelegd in instituties, waar mensen zich op kunnen richten. Hij voorziet hierdoor een verregaande sociale desintegratie, nog versterkt door de laatst overgebleven ‘betekenisgever’: de media. De media volgen, gedreven door commerciële motieven, iedere ‘hype’ en zijn dus eerder cultuur volgend dan constituerend.

Castells haalde als bewijs voor zijn stelling dat de politieke legitimiteit – met in het kielzog het publiek domein - verdwijnt een VN rapport aan waarin wordt beweerd dat tweederde van de wereldbevolking zich niet politiek gerepresenteerd acht.

Na het openen van deze doos van Pandora, wilde Castells – hoewel hij stelselmatig weigerde uitspraken over de toekomst te doen - toch wel iets zeggen over een mogelijke remedie voor al dit malheur. Verrassend genoeg sloot zijn remedie naadloos aan bij het pleidooi dat Hajer en Reijndorp onlangs ten bate van het publiek domein publiceerden.

De ‘time-space’ ontbreekt om beide betogen minutieus met elkaar te vergelijken. Opvallende, maar deels anekdotische, verschillen zijn er wel in de beide betoogtrants. Castells benadrukte vooral dat waar – soms letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk - een gemeenschappelijke taal ontbreekt ‘learning by doing’ geboden is. Er dienen gelegenheden gecreëerd te worden, waarin de stadbewoners door samen te werken weer nieuwe gezamenlijke betekenissen creëren.

Hajer en Reijndorp beperken zich expliciet tot de gebouwde omgeving, die tot dit soort uitwisseling van ervaringen gelegenheid moet geven. Zij noemen daarbij de Ramblas als een geslaagd voorbeeld. De Barcelonees Castells noemde juist die Ramblas als een toeristisch domein dat door de gewone Catalaan gemeden wordt als de pest. Castells prijst vervoersknopen aan als potentiële ‘public space’. Hajer en Reijndorp beschrijven dit soort oorden (in navolging van Augé) juist als ‘niet plaatsen’, quasi-machinale doorgangsruimtes.

Alle drie wijzen op de ontwikkeling dat de herontdekking van de stedelijke ‘identiteit’ juist leidt tot een kunstmatige non-identiteit: de stad als themapark. Op mijn vraag aan Castells of hij het Disney-stadje Celebration als het voorbeeld voor toekomstige stedenbouw – het themapark als stad – zag, kreeg ik helaas ten antwoord: "With all due respect, I don’t answer questions about the future". Jammer, ik had Castells wel eens willen horen uitweiden over dit soort postmodern new urbanism. Castells had wel al beweerd geen postmodernist te zijn, hoewel hij een zwak heeft voor Baudrillard.

Met een hoofd vol publiek domein spoedde ik me huiswaarts. Hier trof ik in de mail een artikel van genoemde Baudrillard aan, waarin hij naar aanleiding van de Franse Big Brother (Loft Story) en het boek ‘La Vie Sexuelle de Catherine M.’ schrijft: "At a time when television and the media in general are less and less capable of accounting for the world's (unbearable) events, they rediscover daily life. They discover existential banality as the deadliest event, as the most violent piece of information: the very location of the perfect crime. Existential banality ~is~ the perfect crime. And people are fascinated (but terrified at the same time) by this indifferent "nothing-to-say" or "nothing-to-do," by the indifference of their own lives. Contemplating the Perfect Crime --banality as the latest form of fatality-- has become a genuine Olympic contest, the latest version of extreme sports."

Het publiek domein is al ontdekt door de media. Het is tegenwoordig overal – met camerabewaking - en lijkt geen soelaas meer te bieden. Misschien hebben we elkaar wel niets meer te zeggen, omdat we gewoon niets meer te zeggen hebben.

Willem Minderhout

vrijdag 18 maart 2011

Windmolen op een breukvlak


Aukje van Roessel interviewde me voor een hoofdstuk in het boek Achter de schermen, vijftig jaar Brabers tussen bedrijfsleven en overheid dat Aukje schreef ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van Brabers Consultancy

Brabers en Aukje van Roessel gaven me toestemming om dit hoofdstuk - 'Windmolen op een breukvlak, Van nutsbedrijf tot energiereus'- op mijn weblog te publiceren.

Het gaslicht verdween niet zonder slag of stoot toen het elektrisch licht zijn intrede deed. Overheden, private ondernemers en de techniek vochten een onderlinge strijd uit. Ook nu is het de vraag welke nieuwe technologie in de toekomst het licht zal doen branden. Wederom is het niet alleen de superioriteit van een technologie zelf die maakt dat wij er één als de beste gaan beschouwen. Eerst wordt er heel wat energie gestoken in het uitvechten van belangen. Nieuw is wel de rol van het klimaat.

In Den Haag, net achter de duinen bij het zuidelijk havenhoofd, staat een windmolen. Eenzaam en alleen draaien zijn wieken daar hun rondjes. Weer hun rondjes eigenlijk, want de molen stond er al een tijd treurig en werkeloos bij en zou verdwijnen. Het energiebedrijf dat er de eigenaar van was, zag er tegenop de molen een opknapbeurt te geven, omdat de gemeente er vlakbij hoge gebouwen neer wil zetten. Dan draait een molen niet lekker meer.

Dat de windmolen toch weer energie opwekt, is te danken aan een particulier initiatief. Een groep bewoners uit de nabij gelegen Haagse Vogelwijk heeft de molen gekocht, laten opknappen en zijn blij als de wieken draaien. Dat levert vierhonderd huishoudens groene energie, draagt daarmee bij aan een vermindering van de uitstoot van het schadelijke CO2, en bovendien levert het de initiatiefnemers financieel rendement op, zodat ze wat terugkrijgen voor hun investering. Voorwaarde van de gemeente was wel: de molen moet alsnog verdwijnen als de bouwplannen doorgaan.

Een van de initiatiefnemers is Willem Minderhout, voormalig PvdA-raadslid in Den Haag en docent aan de Haagse Hogeschool. Praat met hem over die molen en je wordt niet alleen om de oren geslagen met andere enthousiaste ideeën voor het opwekken van energie op een manier die, zoals dat in vaktermen heet, hernieuwbaar is, zoals geothermie, vergisting van afval, zonnecollectoren op plattedaken, warmtewisselaars in zee.

Minderhout sleept je ook mee naar de Franse filosoof Bruno Latour. Die verdiepte zich in de vraag waarom een bepaalde technologie blijkt aan te slaan in de samenleving en een andere niet. Waarmee Minderhout maar wil zeggen: gaan al die nieuwe technieken om energie op te wekken het straks maken of zal er toch gekozen worden en welke wordt dat dan.

Latour aanhalend concludeert Minderhout dat we op een breukvlak leven. De strijd tussen de verschillende technologieën is nog niet beslist, alles is nog mogelijk, de toekomst zal ons leren welke technologie of mogelijk ook technologieën aan gaan slaan. De vraag is dan: hoe is dat zo gekomen?

Kort samengevat zegt de filosoof Latour dat het succes van een bepaalde technologie niet zozeer ligt aan die specifieke technologie zelf, maar aan de vele maatschappelijke actoren er omheen. Een aantal van die actoren slaagt er uiteindelijk in juist die ene technologie ingang te doen vinden en niet een andere. Achteraf lijkt het dan allemaal heel logisch waarom bijvoorbeeld de fiets of de auto er zijn, maar in de tijd dat beide voertuigen werden ontwikkeld was dat absoluut niet vanzelfsprekend.

In het boek De maat van de techniek gaat de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis in op de theorie van zijn Franse collega. Latour vergelijkt het achterhalen van het antwoord op de vraag waarom een bepaalde technologie een succes wordt met het openen van een zwarte doos. De term zwarte doos gebruiken ingenieurs als het gaat om technische processen die als gegeven worden beschouwd en waarvan voor hen alleen van belang is wat er in gaat en wat er uitkomt.

Een technologie wordt een succes, beweert Latour, als men er in slaagt de samenleving deze technologie als een zwarte doos te doen accepteren. Wat er dan gebeurt, omschrijft Latour zo: ‘Diesels motor dringt zich op eigen kracht op aan de consument, dringt onvermijdelijk door tot vrachtwagens en onderzeeërs…Hoewel het moeilijk is je voor te stellen dat de motoren van Diesel, fietsen of kerncentrales zich door paring voortplanten, worden trajecten getekend die eruitzien als stambomen van ‘zuiver technische’afstamming’.

Maak je de zwarte doos echter open, dan is het volgens hem als het openen van de doos van Pandora. ‘De hartstochten, machtsstrategieën en conflicten springen er uit’, verduidelijkt Achterhuis in De maat van de techniek zijn Franse collega. Andersom leidt de theorie van Latour volgens Achterhuis tot de volgende conclusie: ‘Succesvolle strategieën om een technologie te introduceren zijn juist naarmate ze beter werken ook des te meer onzichtbaar’.

Aukje van Roessel