Posts tonen met het label willem minderhout. Alle posts tonen
Posts tonen met het label willem minderhout. Alle posts tonen

woensdag 30 september 2015

Uitbreiding Leidsenhage

Antwoord
FZ/GS/Alg
W.A. Minderhout (PvdA)
(d.d. 21 april 2015)
Nummer
3033
Onderwerp
Leidsenhage

Aan de leden van Provinciale Staten,

Toelichting vragensteller
De gemeente Leidschendam Voorburg is van plan het winkelcentrum Leidschenhage
op te knappen. Onderdeel van de plannen is een aanzienlijke uitbreiding van het netto
vloeroppervlak.

De Leidse wethouder Robert Strijk (D66) verwoordt de zorgen van de omgeving over
deze ontwikkeling als volgt: “Het vernieuwde Leidsenhage wordt een concurrent voor
omliggende dorpskernen die mogelijk hun omzet met tientallen procenten zullen zien
dalen. Onze regio heeft al een overschot aan detailhandel.” De provincie wijst erop dat
Leidsenhage zich moet richten op een hoogwaardig, uniek en bovenregionaal
detailhandelsegment. Dit moet de gemeente wel borgen in het bestemmingsplan.
Bron: Telegraaf 17-4, zie bijlage.

In de Visie Ruimte en Mobiliteit staat: “De gezamenlijke inspanning van de provincie
en andere partijen is gericht op het terugbrengen van het winkelvloeroppervlak en de
planvoorraad op die plaatsen waar ruimtelijk gezien de minste vraag is. Toevoeging
van winkelmeters kan slechts in enkele perspectiefrijke onderdelen van de bestaande
provinciale detailhandelstructuur aan de orde zijn.”

In de Nota Detailhandel staat het als volgt verwoord: “Deze aanpak (nieuwe aanpak
om de winkelvastgoedmarkt te versterken) is niet meer gericht op groei, maar op
vernieuwing en aanpassing. Partijen moeten gezamenlijk het winkelvloeroppervlak en
de zachte planvoorraad in omvang terugbrengen.”

1. Bent u met ons van mening dat de economische wenselijkheid en ruimtelijke
inpasbaarheid van de huidige ontwikkelingsplannen van Leidsenhage zo spoedig
mogelijk getoetst moeten worden aan de criteria uit de Visie Ruimte en Mobiliteit? Zo
ja, wanneer kunt u deze toetsing aan PS presenteren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Ja, tijdens de tervisie legging van het ontwerpbestemmingsplan Leidsenhage is door
ons college een zienswijze ingediend. Bij de beoordeling is het plan getoetst aan de
criteria uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma ruimte en de Verordening
ruimte 2014.
De ingediende zienswijze met begeleidend schrijven is u al op 22 april 2015 door
gedeputeerde Veldhuijzen toegezonden. Voor de volledigheid is de zienswijze
nogmaals als bijlage bijgevoegd.

Den Haag, 12 mei 2015
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
secretaris a.i., voorzitter,
drs. J.H. de Baas drs. J. Smit


Onderwerp
Zienswijze ex artikel 3.8 Wro inzake
ontwerpbestemmingsplan Leidsenhage
Geachte raad,
lnleiding
lngevolge artikel 3.8, lid 1, onder b van de Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) ontvingen wij op
12 februari 201 5 het bovengenoemde ontwerpbestemmingsplan.
Wij hebben het ontwerpbestemmingsplan beoordeeld op de vraag hoe het zich verhoudt tot de
provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant zijn. Dit
beoordelingskader is vastgelegd in de provinciale Msie Ruimte en Mobiliteit (hierna:VRM), de
Verordening ruimte 2014 (hierna: de verordening) en het Programma ruimte 2014 (hiema:
programma). De VRM, de verordening en programma zijn op 9 juli 2O14 door Provinciale Staten
vastgesteld en op 1 augustus 2014 in werking getreden. ln de verordening zijn regels opgenomen
voor de borging en bescherming van provinciale belangen.
ln het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro heeft de directeur van de directie Ruimte en
Mobiliteit bij brief van 5 februari 2015 al aangegeven welke provinciale belangen bij dit
bestemmingsplan aan de orde zijn. Op dat moment was alleen een ruimtelijk kader voor het
winkelcentrum Leidsenhage als bijlage bijgevoegd en nog geen voorontwerpbestemmingsplan.
Algemeen
Wij staan positief tegenover de beoogde sloop van bijna 30.000 m2 lbvo¡ leegstaande
kantoorruimte . De daarmee gepaard gaande reductie van bestaande plancapaciteit levert een
goede bijdrage aan de operationele doelen van het provinciale kantoorbeleid.
Ook de vooziene integrale herontwikkeling en schaalsprong in kwaliteit kunnen op zich op onze
instemming rekenen. De wijze waarop de invulling van het programma in het bestemmingsplan is
vormgegeven is echter zodanig geformuleerd dat wij ons in dit stadium genoodzaakt zien
EhSEI ffi
Verzonden op 25-03-241 5 PZH-201 5-51 1028266 dd. 25-03-201 5
Ons kenmerk
e'i'jr'j HonaNo
een zienswijze in te dienen
Zienswijze
Onze zienswijze heeft betrekking op het onderdeel detailhandel
Uitgangspunten provinciaal beleid
Volgens het programma biedt Haaglanden op regionale schaal nog ontwikkelingsmogelijkheden
voor detailhandel. ln Holland Rrjnland is een overaanbod aan detailhandelsvoorzieningen. ln het
programma is Leidsenhage één van de te ontwikkelen centra. ln deze centra wordt gestreefd
naar een opwaardering van de detailhandelsfunctie in termen van kwalleit (winkelbestand en
openbare ruimte), parkeren en bereikbaarheid en imago/beleving. Onder de voorwaarde van
toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking, kan voor deze categorie sprake zijn van
uitbreiding van het winkelareaal. Uitbreiding is mogelijk als de behoefte is onderbouwd en
gemotiveerd en als is aangetoond dat het wooft en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast
en geen onaanvaardbare leegstand in de omgeving ontstaat. Bovendien moet de ontwikkeling
regionaal zijn afgestemd.
Beoordeling
Mogelijkheden op grond van de planregels in relatie tot de beoogde invulling.
Het beoogde programma omvat 25.000 m' bvo detailhandel. W'lj constateren allereerst dat in de
planregels van het bestemmingsplan (artikel 10.3.1 'Winkelcentrum') detailhandel mogelijk wordt
gemaakt tot maximaal 100.500 m' bvo. Op grond van de in artikel 10.4.1 . opgenomen
añruijkingsbevoegdheid kan nog uitbreiding plaatsvinden tot maximaal 105.525 m2 bvo. Onder
detailhandel zoals op grond van die artikelen mogelijk wadt gemaakt vallen mede een aantal
functies die - ook volgens de in artikel 1.48 van de regels opgenomen begripsbepaling- niet tot
detailhandel te rekenen zijn ( horeca, kantoorruimte, dienstverlening etc.).
Aangezien voor die functies echter geen afzonderlijk aanlal m2 is opgenomen kan op grond van
de regels ook een volledige invulling met detailhandel tot 100.500 nf bvo resp. 105.525 m2 bvo
plaatsvinden. Daarmee zou sprake zijn van een uitbreiding van ruim 43.000 m' bvo ten opzichte
van het nu aanwezige detailhandelsaanbod van 62.100 m'bvo.
Daarnaast is geen onderscheid gemaakt tussen detailhandel in dagelijkse goederen en in nieF
dagelijkse goederen.
Het DPO gaat blijkens de toelichting uit van een uitbreidingsmogelijkheid in de niet-dagelijkse
sector van ca. 21.000 m2 wvo. Voor detailhandel in dagelijkse goederen is in het dpo berekend
dat er - tot 2025- theoretisch uitbreiding tot 3300 m' wvo kan plaatsvinden.De totale uitbreiding
kan volgens het DPO derhalve 24.3OO mt wvo omvatten, hetgeen overeenkomt met 30.300 m2
bvo. Uit de toelichting van het plan blijkt verder dat slechts een beperkte uitbreiding van het
dagelijks winkelaanbod - alleen ten behoeve van de bestaande aanbieders - wordt beoogd.
Gezien het voorgaande zal artikel 10 zodanig moeten worden aangepast dat de
uitbreidingsmogelijkheden van de functie detailhandel beperkt worden tot hetgeen beoogd en onderbouwd is. Daarbij zal tevens een onderscheid in dagelijkse en niet-dagelijkse goederen
moeten worden aangebracht.

Beoordeling behoefte, ruimtelijke effecten en regionale afstemming.


Niet-dagelijkse goederen

Behoefte
Het DPO geeft aan dat er in de niet-dagelijkse artikelen uitbreidingsruimte is voor ca. 21 .000 ri
wvo unieke en hoogwaardige detailhandel met een bovenregionale aantrekkingskracht en dat
daarmee de behoefte is aangetoond,
De helft van de extra omzet die hiervoor nodig is, is volgens het DPO afkomstig van buiten
Holland Rijnland en Haaglanden en/of afkomstig van verschuiving van consumptieve
bestedingen. De leegstandsgevolgen voor Holland Rijnland en Haaglanden zijn in dat geval
volgens het DPO aanvaardbaar.
Deze uitgangspunten en aannames uit het DPO kunnen gehanteerd worden, indien het unieke en
hoogwaardige karakter van de detailhandel in het plan geborgd wordt.
Die juridische borging dient dan ook- naast eventuele aanvullende privaatrechtelijke afsprakenalsnog
in het bestemmingsplan te worden vastgelegd.
Effecten en regionale afstemming

Het DPO veronderstelt, dat gelet op de specifieke invulling, de effecten in ZuidHolland zich
vooral in de regio's Haaglanden en Holland Rijnland zullen voordoen.
Het REO Haaglanden heeft positief geadviseerd over de uitbreiding van Leidsenhage.
Gelet op de effecten die kunnen optreden bij omliggende gemeenten achten wij bestuurlijke
afstemming met die gemeenten noodzakelijk. Om die reden wordt met die betreffende
gemeenten nog bestuurlijk overleg gevoerd.


Dagelijkse goederen


Behoefte en effecten


Zoals hiervoor reeds is aangegeven blijkt uit het dpo dat in deze sector nog uitbreiding tot
maximaal 3300 m2 wvo mogelijk is. Op basis van dat uitgangspunt is in het dpo geconcludeerd
dat noch op lokaal niveau noch op regionaal niveau duurzame ontwridting zal plaatsvinden.
Wij kunnen met die conclusies instemmen , mits- zoals hiervoor al aangegeven - die maximale
uitbreidingsruimte dan ook juridisch in de regels van het plan wordt verankerd.
Zonder die beperking kan immers niet aangetoond worden dat van duurzame ontwrichting geen
sprake zal zijn.

Conclusie

Samenvattend komen wij tot de volgende conclusies:
- De uitbreidingsmogelijkheden van het bestemmingsplan (43.000 m2 bvo) komen ver boven het
in het dpo onderbouwde metrage (25000 m'¡ uit. De regionale behoefte aan een uitbreiding van
43.000 m'bvo is niet onderbouwd.
- lndien het metrage voor dagelijkse artikelen in het plan wordt begrensd en het hoogwaardige en
unieke karakter van de niet-dagelijkse goederen in het bestemmingsplan wordt geborgd, kunnen
de uitgangspunten en aannames uit het DPO gehanteerd blijven. Daarnaast achten wij voor een
integrale añreging ten aanzien van de regionale effecten bestuurlijke afstemming met de
betreffende gemeenten noodzakelijk.

Voor de duidelijkheid merken wij tenslotte op dat wij - indien onverhoopt zou worden afgezien
van een goede juridische borging van de beoogde unieke en hoogwaardige invulling en de
noodzakelijke maximering van het aantal m2 - het plan zullen beoordelen op basis van een
maximale invulling met regulier aanbod. ln dat geval zal moeten worden aangetoond en worden
onderbouwd dat op dat punt sprake is van een regionaal afgestemde behoefte en dat- indien
zo'n behoefte aanwezig zou zijn - de ruimtelijke effecten aanvaardbaar zijn


Tenslotte geven de voorschriften ons nog aanleiding tot de volgende opmerkingen :
ln artikel 3.'t.l sub a wordt bepaald dat bij het verkooppunt voor motorbrandstoffen
bedrijfsgebonden detailhandel is toegestaan, waarbij artikel 3.3 sub b bepaalt dat
detaihandel in de vorm van een supermarkt tot strijdig gebruik wordt gerekend. Het is
onduidelijk hoe die bepalingen zich tot elkaar verhouden, zolang niet aangegeven is wat bij
een motorbrandstoffenverkooppunt wordt verstaan onder "bedrijfsgebonden ". Op grond van
het provinciaal beleid is bij dergelijke verkooppunten enige vorm van detailhandel
toegestaan in de vorm van gemakswinkels met een maximum van 200 m2 bvo. Verzocht
wordt de voorschriften daaraan aan te passen.


Op basis van de aangeboden gegevens constateren wij dat het ontwerpbestemmingsplan op
genoemde onderdelen niet in overeenstemming is met het provinciale beoordelingskader en
daarom verzoeken wij u om het bestemmingsplan bij de vaststelling alsnog opdeze punten aan
te passen. Wij behouden ons het recht voor om de motivering in een later stadium aan te vullen
Wij verzoeken u in uw correspondentie altijd het DO$nummer te vermelden dat wij rechts
bovenaan in deze brief hebben opgenomen.


Hoogachtend


Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
voor dezen,
ir. P.J.C.M. Murk

Ultrafijnstof bij Rotterdam The Hague Airport

Antwoord
FZ/GS/Alg W.A. Minderhout (PvdA)
(d.d. 25 augustus 2015)
Nummer 3070
Onderwerp Ultrafijnstof bij Rotterdam The Hague Airport

Aan de leden van Provinciale Staten

Toelichting vragensteller
In antwoord op vragen van de PvdA-fractie (M.A. Loose, d.d. 22 december 2014) naar
aanleiding van metingen van verontrustende concentraties ultrafijnstof door TNO bij
Schiphol antwoordde GS dat ze ‘bij de staatssecretaris (zullen) aandringen om het
onderzoek niet te beperken tot Schiphol maar dit ook uit te breiden naar andere
luchthavens in Nederland, waaronder Rotterdam The Hague Airport.’
In een brief aan de Bewoners tegen Vliegtuigoverlast meldt staatssecretaris Mansveld echter dat een vervolgonderzoek door het RIVM vooralsnog beperkt zal blijven tot de Luchthaven Schiphol.

Vraag 1. 
Bent u met ons van mening dat voor een zorgvuldige beoordeling van een nieuw Luchthavenbesluit voor RTHA een gedegen inzicht in de utrafijnstofconcentraties rond deze luchthaven van belang is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Tot op heden is niet bekend wat de betekenis en het effect is van een eventueel verhoogde ultrafijn stof concentratie rond een luchthaven. Verder is er geen wetgeving waaraan getoetst kan worden. Daarom is ultrafijn stof formeel geen onderdeel van de besluitvorming.

Vraag 2. 
Heeft het in de beantwoording van de genoemde schriftelijke vragen toegezegde gesprek van GS met de staatssecretaris reeds plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, was de uitkomst vergelijkbaar met het in de brief van de staatssecretaris aan BVO (zie bijlage) ingenomen standpunt?

Antwoord
Gedeputeerde De Bondt had beloofd om dit verzoek mee te nemen om het in de Omgevingsraad Schiphol aan de Staatssecretaris voor te leggen. Dit overleg heeft echter niet door kunnen gaan. Inmiddels is het onderzoek bij Schiphol nagenoeg afgerond.

Vraag 3. 
Bent u, indien het standpunt van de staatssecretaris inderdaad negatief is, van zins om er bij haar (alsnog) op aan te dringen om haar standpunt te herzien en RTHA toch bij de metingen te betrekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Het onderzoek naar ultrafijnstof bij Schiphol is zeer onlangs afgerond. Het RIVM concludeert dat, hoewel de bijdrage van het vliegverkeer grofweg vergelijkbaar is met de bijdrage van wegverkeer in binnensteden, nadelige gezondheidseffecten niet kunnen worden uitgesloten. Er is op basis van de wetenschappelijke literatuur echter weinig bekend over de gezondheidseffecten van blootstelling aan ultrafijnstof. De staatssecretaris heeft aangegeven het advies van het RIVM, om de effecten van
langdurige blootstelling aan ultrafijnstof te onderzoeken, over te nemen. Zij denkt daarbij aan het koppelen van lange termijn blootstelling aan ultrafijn stof aan sterftestatistieken of medicijngebruik in de regio Schiphol. Wij zullen aandringen in dit onderzoek ook RTHA te betrekken. Dit zal gebeuren tijdens de Bestuurlijke Regiegroep Rotterdam The Hague Airport op 26 oktober 2015.

Vraag 4. 
Bent u voornemens om, indien de staatssecretaris volhardt in haar standpunt, zelf metingen bij RTHA te laten verrichten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Het is prematuur hierover nu al een standpunt in te nemen.

Vraag 5. 
Oriënteert GS zich – al dan niet in samenwerking met Rotterdam en Den Haag - reeds op maatregelen als beplanting, of innovatieve technische maatregelen om (ultra)fijnstof rond RTHA af te vangen? (Zie ook onze schriftelijke vragen ‘nieuwe technieken fijnstofreductie’ d.d. 25 juni 2015.) Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer zult u PS daarover berichten?

Antwoord
Zoals ook in de beantwoording van de schriftelijke vragen nummer 3050, ‘nieuwe technieken fijnstofreductie’ d.d. 26 juni 2015 is aangegeven zal de DCMR met deskundigen in gesprek gaan over de mogelijke toepassing van innovatieve technieken. Mede op basis van die gesprekken zullen GS zich verder oriënteren op mogelijke innovatieve technieken. In het kader van het in het hoofdlijnenakkoord aangekondigde initiatief voor een nieuw provinciaal actieprogramma luchtkwaliteit zullen wij PS hierover informeren.

Den Haag, 29 september 2015
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
secretaris a.i., voorzitter,
drs. J.H. de Baas drs. J. Smit

Nieuwe technieken fijnstofreductie

Antwoord
FZ/GS/Alg
W.A. Minderhout (PvdA)
(d.d. 26 juni 2015)
Nummer
3050
Onderwerp
Nieuwe technieken fijnstofreductie

Aan de leden van Provinciale Staten
Toelichting vragensteller
Het nieuwe college van GS heeft hoge ambities geformuleerd in het
hoofdlijnenakkoord met betrekking tot verbeteren van luchtkwaliteit. Er wordt, in
samenwerking met andere overheden, een nieuw provinciaal actieprogramma
luchtkwaliteit in het vooruitzicht gesteld. De problematiek van de luchtkwaliteit rond
vliegvelden en snelwegen in stedelijke omgeving worden met name genoemd.
Daarnaast verwacht GS veel van innovatieve oplossingen, die niet alleen tot
kwaliteitswinst leiden, maar ook een stimulans voor de Zuid-Hollandse economie
zouden kunnen zijn.

De PvdA-fractie denkt graag met GS mee om van deze beleidsambities een succes te
maken. De belangrijkste uitdaging is de aanpak van (ultra) fijn stof, dat niet alleen
grote gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, maar, als het eenmaal hoog in de
atmosfeer terecht komt, ook een van de belangrijkste oorzaken van het broeikaseffect.
Onlangs had onze fractie een gesprek met Bob Ursem, een Delftse wetenschapper,
die een techniek ontwikkeld heeft om fijnstof af te vangen: het fijn stof en ultra fijn stof
reductie systeem, populair genoemd de ‘fijnstofmagneet’. Volgens Ursem is zijn
techniek zeer breed toepasbaar. Zelfs het (ultra) fijn stofvrij, zoals bijvoorbeeld
elementair koolstof, maken van Rotterdam The Hague Airport is volgens hem in
theorie en praktijk haalbaar.

Mogelijk zijn er ook andere innovatieve technieken in ontwikkeling die tegemoet
komen aan de ambities van GS op het gebied van fijnstofreductie en innovatie. Wij
stellen daarom de volgende vragen:

1. Bent u bereid om nieuwe technieken voor fijnstofreductie te betrekken bij de opstelling
van het komende ‘provinciaal actieprogramma luchtkwaliteit’?
Antwoord
Ja.

2. Bent u bereid (een) experiment(en) te financieren om te bezien in hoeverre deze
technieken bij knelpunten luchtkwaliteit kunnen worden ingezet?
Antwoord
Wij zijn bereid om een experiment (mede) te financieren, uiteraard onder de
voorwaarde dat dit experiment meerwaarde biedt. Experimenten voor de
‘Fijnstofmagneet’ hebben eerder in 2007 in de Thomassentunnel (N15 onder
Calandkanaal) en in 2012 langs de A9 bij Amstelveen plaatsgevonden. De DCMR zal
de heer Ursem uitnodigen om van gedachten te wisselen over de mogelijke
toepassing van innovatieve technieken, zoals de fijnstofmagneet.


3. Bent u bereid om Innovation Quarter opdracht te geven om de economische kansen
van deze technieken voor Zuid-Holland als innovatieve provincie te onderzoeken?
Antwoord
Innovation Quarter richt zich op het aanjagen en realiseren van innovatieve projecten
door het smeden van consortia tussen ondernemers en met kennisinstellingen. Het
initiatief ligt daarbij bij de ondernemer en niet bij de overheid. Wij zullen wel
ondernemers wijzen op de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van
Innovation Quarter.


Den Haag, 25 augustus 2015
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
secretaris a.i., voorzitter,
drs. J.H. de Baas drs. J. Smit

Hernieuwde stort Derde Merwedehaven?

Merkwaardig antwoord: vervuilde grond is geen vervuilde grond als je het een 'IBC-bouwstof' noemt. Milieudeskundigen, wat is uw oordeel?



FZ/GS/Alg W.A. Minderhout (PvdA) (d.d. 14 september 2015) Nummer 3079

Onderwerp: Hernieuwde stort Derde Merwedehaven

Aan de leden van Provinciale Staten

Toelichting vragensteller:

De provincie Zuid-Holland, de gemeente Dordrecht, exploitant Delta Milieu bv en het provinciaal afvalbedrijf Proav N.V. kwamen eind 2010 overeen om de afvalstort in de Derde Merwedehaven op 31 december 2012 (vervroegd) te staken vanwege verminderd aanbod en protesten uit de omgeving.

Om het terrein te egaliseren en geschikt te maken voor een recreatiegebied en een bedrijventerrein blijkt nu te zijn besloten om de gaten in het talud vol te storten met AVI-bodemas. Deze bodemas bestaat uit slakken die over blijven in vuilverbrandingsovens en bevatten toxische stoffen en zware metalen. Het gebruik van ‘secundaire bouwstoffen, bijvoorbeeld verbrandingsslakken’ was door GS al in het vooruitzicht gesteld, mits zij ‘zullen voldoen aan het Besluit bodemkwaliteit’.(Zie: Antwoord aan S. Stoop (CU/SGP) en E. van den Boogaard (PVDA) (d.d. 29 mei 2013.)
Ons heeft informatie bereikt dat de eigenaar van de Derde Merwedehaven, lndaver, betaald wordt voor het aanwenden van deze AVI-bodemas. Gegranuleerde bodemas, die aan het ‘Besluit bodemkwaliteit’ voldoet, wordt echter verhandeld op de markt.
Het vermoeden rijst dat het hier geen voorbewerkt en milieuvriendelijk granulaat betreft, maar onbewerkte bodemas, die hoog toxisch is.

Vraag 1. 

Bent u op de hoogte van het voornemen van Indaver om gaten en sleuven in het voormalige afvalstortterrein Derde Merwedehaven te egaliseren met AVI-bodemas?

Antwoord:

Ja. Met een besluit van 29 juli 2015 hebben wij aan Derde Merwedehaven B.V. goedkeuring verleend aan een plan van aanpak voor het toepassen van naar schatting circa 25.000 ton bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. In dit plan van aanpak dat bij het goedkeuringsverzoek is gevoegd is beschreven dat AVI-bodemas ten behoeve van profilering zal worden aangebracht in grote gaten in het talud van de afvalberging. In afwachting van een definitieve bovenafdichting zal dit met grond worden afgedekt.

Vraag 2. 

Is onze informatie juist dat de te gebruiken bodemas tegen betaling
wordt aangeboden?
 
Antwoord:

Ja, de informatie is juist dat de bodemas tegen betaling is aangeboden.

Vraag 2a: 

Zo ja, kunt u uitleggen waarom deze bodemas met geld toe, in plaats van tegen betaling, geleverd wordt?

Antwoord:
 
De bodemas betreft een zogenaamde IBC-bouwstof die zal worden afgewerkt met een bovenafdichting. Het is marktconform dat hiervoor een vergoeding wordt geboden.

Vraag 3. 
Is het vermoeden juist dat het hier onbewerkte (niet-gegranuleerde)AVI-bodemas betreft? Zo ja, welke risico’s brengt het gebruik van die stoffen voor de aanvulling van de taluds met zich mee voor de omgeving. (dampen, grondwater, verspreiding in bodem etc.)

Antwoord:

Het is nog niet bekend of onbewerkte AVI-bodemas wordt gebruikt voor de aanvulling. Omdat de stortplaats na de aanvulling wordt afgedicht conform de Richtlijn Dichte Eindafwerking komen in beginsel zowel bewerkte als onbewerkte AVI-bodemassen in aanmerking.
Het is bij stortplaatsen gebruikelijk dat deze bodemassen nuttig worden toegepast als steunlaag onder een bovenafdichting.
De toepassing van AVI-bodemasssen is niet kostenverhogend voor de bovenafdichting of de nazorg.
In het goedkeuringsverzoek is opgenomen dat Derde Merwedehaven B.V. de
toepassing van bouwstoffen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit zal melden bij het meldpunt bodemkwaliteit van Agentschap.nl. De toe te passen AVI-bodemas dient te voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld op basis van het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast worden voorgenomen toe te passen partijen bouwstof en grond voorafgaand aan de toepassing gemeld aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ), waarbij kwaliteitsgegevens ter verificatie worden voorgelegd. De OZHZ beoordeelt of de toepassing van bouwstoffen in overeenstemming is met het Besluit
bodemkwaliteit. Toepassing vindt niet eerder plaats dan nadat OZHZ met de
voorgenomen toepassing heeft ingestemd.
Derde Merwedehaven B.V. verwacht de werkzaamheden in 2015 af te ronden. Een melding met kwaliteitsgegevens voor het toepassen van AVI-bodemas in verband met de taludaanvulling is nog niet bij OZHZ ingediend. Hierdoor kan nog geen uitspraak worden gedaan over de kwaliteit van de toe te passen AVI-bodemas.
In het plan van aanpak is een aantal maatregelen omschreven. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden wordt er conform de publicatie 132 "Werken in of met verontreinigde grond" gewerkt.
IBC staat voor Isoleren, Beheersen en Controleren. AVI-bodemas betreft een IBC-bouwstof, die toegepast mag worden met IBC-maatregelen. Wanneer AVI-bodemas gecontroleerd wordt toegepast wordt de verspreiding van toxische componenten in het milieu voorkomen. Dit is in lijn met het Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021. AVI-bodemas wordt veelvuldig toegepast in grond- en wegenbouwkundige werken. Afvalberging Derde Merwedehaven is een stortplaats die, gelet op het beschermingsregime, voldoet aan de IBC-criteria.
In geval van Derde Merwedehaven is de bescherming van bodem en grondwater al geborgd via de (strengere) voorschriften uit het Stortbesluit bodembescherming, die zijn opgenomen in de omgevingsvergunning.

Vraag 4. Indien het onbewerkte AVI-bodemas betreft bent u dan met ons van mening dat dit in strijd is met het staken van de stort van (toxisch) afval per 31 december 2012? Zo ja, bent u van zins maatregelen te nemen om dit voornemen te verhinderen? Zo nee, op welke grond ziet u af van ingrijpen?

Antwoord:
Nee, indien het onbewerkte AVI-bodemassen betreft is dit geen storten van afvalstoffen.
Er is bij het opvullen van grote gaten in het talud met AVI-bodemas geen sprake van het storten van afvalstoffen, maar van het nuttig toepassen van een bouwstof, die dient te voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Dit gebeurt vooruitlopend op de eindafwerking van de afvalberging.
Omdat nog geen melding voor de toepassing is ingediend is de kwaliteit van de toe te passen AVI-bodemas ons nog onbekend. Wij zien geen aanleiding op basis hiervan maatregelen te treffen.

Bijlage: 'Toch gevaarlijk afval, Gaten Derde Wereldhaven opgevuld met AVI-slakken' door ANDRÉ OERLEMANS http://www.opgecomenlanden.nl/15_24874.pdf
 
Den Haag,
6 oktober 2015
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
secretaris a.i. voorzitter,
drs. J.H. de Baas drs. J. Smit

Consequenties aanscherpen klimaatbeleid voor Zuid-Holland.

Antwoord
FZ/GS/Alg
W.A. Minderhout (PvdA), H. Sahin (GroenLinks) en A.H.K. van Viegen (PvdD)
(d.d. 29 juni 2015)
Nummer
3051
Onderwerp
Aanscherpen klimaatbeleid
Aan de leden van Provinciale Staten


Toelichting vragensteller
Het hoofdlijnenakkoord van GS zegt dat ‘een toekomst waar schone en kostenefficiënte energie voorziet in onze energiebehoefte binnen handbereik’ is. Om dit ook daadwerkelijk te realiseren is ons een nieuwe provinciale energieagenda in het vooruitzicht gesteld om bij te dragen aan de landelijke en Europese doelstellingen (totaal incidenteel € 5 miljoen) en een energiefonds ter grootte van € 100 miljoen in het leven geroepen.


Onlangs heeft de Haagse rechtbank de uitspraak gedaan dat het klimaatbeleid in Nederland fors aangescherpt dient te worden. De rechter acht een reductie van 25 procent van de CO2-uitstoot in 2020 (in vergelijking met de situatie in 1990) noodzakelijk, in plaats van het huidige nationale streven om tot 17% reductie te komen.


In het licht van deze ontwikkelingen stellen wij u de volgende vragen:
1. Indien de uitspraak, eventueel ook na hoger beroep, stand houdt, wat betekent dit dan voor de te realiseren beleidsopgaven in Zuid-Holland? Wij ontvangen deze informatie bij voorkeur zo veel als mogelijk gekwantificeerd en opgesplitst naar energiebron.


Antwoord
De rechtzaak van Urgenda is gevoerd tegen de Staat der Nederlanden. Het provinciaal beleid op gebied van CO2 emissiereductie, dat vooral is verbonden met het energiebeleid, is daarbij niet in het geding. De coalitie heeft in het hoofdlijnenakkoord afgesproken dat de provinciale ambities op energiegebied overeind blijven. Daarnaast worden een nieuwe met partners van de provincie op te stellen energieagenda en € 100 miljoen revolverende middelen ingezet om die doelen ook daadwerkelijk c.q. sneller en of slimmer te halen.

2. Wat zijn dan de consequenties voor de volgende passage in het coalitieakkoord ‘Wij geven uitvoering aan de ruimtelijke inpassing van de huidige met het Rijk overeengekomen opgave oor windenergie op land. Daarboven zien wij geen ruimte voor een extra opgave windenergie op land’?
Antwoord


De provincie komt de afspraken met het rijk over wind op land na en levert daarvoor de noodzakelijke inspanningen om in 2020 het afgesproken vermogen van 735,5 MW te hebben gerealiseerd.


3. Wanneer kunnen wij de nieuwe provinciale energieagenda verwachten?
Antwoord
Medio 2016.

Den Haag, 29 september 2015
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
secretaris a.i., voorzitter,
drs. J.H. de Baas drs. J. Smit

vrijdag 31 mei 2013

De financiele wurggreep van 'Den Haag'.


In een interview in Binnenlands Bestuur (18 januari 2013) zegt Ronald Plasterk dat hij ‘intellectueel de logica inziet’ van de uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied. ‘Maar waar je in deze tijd burgers vraagt de broekriem aan te halen, past het niet om dan de belastingen uit te breiden.’ Ik kan deze gedachtegang van onze bewindsman niet volgen. Het gaat immers niet om een verhoging van de collectieve lastendruk, maar om een verschuiving van rijksbelastingen naar lokale belastingen. Een dergelijke verschuiving lijkt niet meer dan logisch nu er sprake is van een forse decentralisatie van rijkstaken – Wmo, Participatiewet - en er wordt aangestuurd op een ongekende schaalvergroting.

Uit het feit dat ‘Den Haag’ taken naar de gemeenten schuift zonder dat deze meer grip krijgen op hun inkomsten blijkt dat het Rijk de gemeentes niet voldoende vertrouwt en stevig aan de ‘gouden koorden’ van centrale financiering wil vasthouden. De inverdieneffecten die deze decentralisatie met zich mee zou brengen, komen hierdoor in gevaar omdat er een uitgebreid controle- en verantwoordingscircus dreigt. In plaats daarvan zouden de gemeenteraden, als kaderstellend en controlerend orgaan, een belangrijke stem moeten krijgen, maar juist op de lokale democratie wordt fors bezuinigd.  

De Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor de Financiële Verhoudingen denken niet dat deze centralistische ‘have the cake and eat it too’-benadering (wel decentraliseren en efficiencywinst inboeken, maar nauwelijks zeggenschap over de wijze van besteding overdragen en geen eigen financiering toestaan) erg vruchtbaar zal zijn en ik denk dat zij daar groot gelijk in hebben. ‘De Raden achten het een gemiste kans dat op geen enkele wijze een opening wordt geboden om het decentraal belastinggebied uit te breiden onder gelijktijdige verlaging van de rijksbelastingen. De mogelijkheden van gemeenten om op enige wijze zelf invulling te geven aan de decentrale taken, eigen afwegingen te maken en risico' s op te vangen zijn daarmee minimaal.’(ROB/RfV, ‘Brief Regeerakkoord 2012, 11 december 2012)

Een opwaardering van de lokale overheid vind ik overigens een verstandige beleidsrichting. De gemeente - als ‘eerste overheid’ - kan veel effectiever en efficiënter lokale taken uitvoeren dan de rijksoverheid. Wat dat betreft geldt de subsidiariteitsdiscussie - beslissingen dienen op een zo laag mogelijk niveau genomen te worden - die de nationale overheid momenteel met ‘Europa’ voert net zo hard voor de verhouding lokaal–nationaal.

Willen de gemeenten echt effectiever worden, dan moeten ze meer zijn dan een soort door het rijk aangestuurde ‘zelfstandige’ bestuursorganen. Gemeenten zouden daadwerkelijk de kosten op de baten moeten kunnen afstemmen. De argumenten voor de vergroting van wat men het ‘lokaal belastinggebied’ noemt zijn bekend: meer ruimte om voorzieningen te bieden die aansluiten op lokale behoeften, meer budgettair verantwoordelijkheidsbesef, grotere keuzevrijheid voor burgers en bedrijven en – last not least - een bevordering van de lokale democratie.

Maar de financiële armslag van gemeenten is de laatste decennia alleen maar verder ingeperkt. Bekend zijn de afschaffing van het huurdersdeel van de OZB en de beperkingen die aan de hoogte van het eigenaarsdeel van die belasting gesteld zijn. De vereveningssystematiek van het Gemeentefonds, waarbij de waarde van het onroerend goed in een gemeente – als indicator voor de belastingcapaciteit - negatief meeweegt in de verdeling van de algemene uitkering, vormt een verdere rem op lokaal initiatief: het grootste deel van de extra belastingopbrengst als gevolg van gemeentelijke investeringen vloeit immers weg.(Zie ook Paul Bordewijk, ‘Verzin een list bij de verevening’, B&G, juli/augustus 2013.) Indien men decentralisatie serieus neemt dan zal ‘Den Haag’ deze wurggreep moeten slaken.

Uiteraard zal het rijk ervoor moeten blijven zorgen dat de voorzieningencapaciteit van de gemeenten onderling gelijk blijft. Een gemeentefonds zal daartoe nodig blijven. Ik voel me gekwalificeerd noch geroepen om te schetsen hoe het ‘lokale belastinggebied van de toekomst’ er idealiter uit zouden moeten zien. Flip de Kam heeft daar veel behartenswaardige beschouwingen aan gewijd. In Wie betaalt de staat? bepleit hij een vergroting van het aandeel van de lokale belastingen als percentage van de totale gemeentebegroting van de huidige 10% tot 25% bij een gelijkblijvende collectieve lastendruk. Hij stelt een gemengd stelsel van OZB ‘oude stijl’ en gemeentelijke opcenten op de inkomstenbelasting of een ingezetenenheffing voor. Deze ‘schets van De Kam’ kan als basis dienen voor een vergroting van het lokale belastinggebied als sluitstuk van de decentralisatie. De tijd is rijp voor een doorbraak, maar dan moet die kans wel gepakt worden.

Een overdracht van financiële bevoegdheden naar het lokaal bestuur zal mijns inziens meer dan wat ook bijdragen aan de door de PvdA nagestreefde ‘participatiestaat’. De wens uit de partijresolutie Over wat van waarde is voor ‘directe invloed van mensen op de publieke voorzieningen en de politiek in hun omgeving’ kan immers alleen tot stand komen als lokale politici ook verregaande invloed op deze voorzieningen hebben. Ook en vooral wat betreft de financiering van die voorzieningen.


Willem Minderhout


Verschenen in Socialisme & Democratie 5+6, 22 mei 2013

zaterdag 1 december 2012

De Leunstoel is bepaald geen ‘massamedium’


Interview Willem Minderhout, schrijver voor internetmagazine De Leunstoel

Door Ivar Lingen

De Leunstoel: een internetmagazine voor rustige mensen. Schrijvers die vanuit hun leunstoel de wereld overdenken. De onderwerpen die de medewerkers van het internettijdschrift behandelen zijn zeer uiteenlopend, maar hebben een zekere ironische distantie gemeen. Theo Capel en Frits Hoorweg waren tien jaar geleden op het idee gekomen om een weekblad te maken dat alleen via internet te verkrijgen zou zijn. Zij hadden de ambitie om een soort ‘zaterdagbijlage’ te maken, maar dan één die zij zelf leuk en interessant vonden. Minderhout is vanaf de tweede jaargang een vaste medewerker van het magazine.

Minderhout schrijft over allerlei zaken waar op een of andere manier een aardig verhaal in zit, liefst met onalledaagse associaties. Het kan over werelpolitiek, literatuur, of een over een vogeltje dat aan is komen vliegen gaan. Ook maakt hij regelmatig interviews. Alles loopt vrij ongepland. De tweewekelijkse deadline is voor hem enerzijds een verschrikkelijke gesel, maar anderzijds dwingt het hem om er steeds weer iets uit te persen. “Dat is een noodzakelijk kwaad voor een ‘deadlinegestuurd’ persoon als ik.”

Reacties op zijn ‘Leunstoel-stukjes’ krijgt hij zelden. “Maar soms kom je een wildvreemde tegen die De Leunstoel regelmatig blijkt te lezen. Dat vind ik erg leuk. Ik ben uiteraard benieuwd wat anderen van al dat geschrijf vinden maar het blijft toch een beetje flessenpost.” Hij heeft twee keer iets op FrontaalNaakt gepubliceerd, over de SGP en over cultuurrelativisme, en daar werd direct veel op gereageerd. “Dat zal wel iets met de aard van de onderwerpen te maken hebben gehad, maar vast ook met het medium.”

De Leunstoel is bepaald geen ‘massamedium’. “We hebben vijf tot tienduizend bezoekers per maand. Er zit een metertje op de site dat aangeeft hoe vaak een artikel gelezen is. Daaraan kun je wel zien dat het niet erg storm loopt als er een nieuwe uitkomt.” Toch wordt de Leunstoel niet slecht gelezen. “Het is blijkbaar 'slow reading'. Na verloop van tijd is alles wel minstens een paar honderd keer gelezen en soms loopt het in de duizenden”, reageert hij. Zijn interview met Joris Voorhoeve, bijvoorbeeld maar ook een artikel over de brievenboeken van Reve en Apollinairebleek om een of andere reden duizenden lezers te trekken. Dat zijn weliswaar nog steeds geen GeenStijl-cijfers, maar dat is de prijs die je betaalt als je wel stijl hebt”, aldus Minderhout.

Minderhout heeft altijd geschreven dus hij vermoedt dat hij dat ook zal blijven doen. Schrijven is voor hem een manier om zichzelf en de wereld om hem heen te onderzoeken. Hij schrijft dus voor zichzelf, maar hij hoopt dat anderen het lezen en het ook leuk vinden, anders heeft publicatie geen zin. “Hoe lang De Leunstoel het volhoudt is met geen mogelijkheid in te schatten”, denkt Minderhout. Hij concludeert dat De Leunstoel nog lang niet ‘af’ is. Sterker nog, De Leunstoel groeit: “Onlangs is er een flink aantal nieuwe schrijvers bij gekomen. Dat werd ook wel eens tijd. De meesten heb ik van Twitter geplukt en er zit een voormalige studente van mij bij.” De Leunstoel is aan zijn tiende jaargang bezig en dat vindt hij op zich al een hele prestatie. “Wij zijn nog steeds erg enthousiast bezig, dus wie weet halen wij die twintigste jaargang ook nog wel”, zegt hij glimlachend.

Al Minderhout's Leunstoelstukjes vindt u hier op een rij >>>

zaterdag 24 november 2012

Grenzen






Grenzen






Willem Minderhout
Inzending voor de Hofvijver Poëzieprijs 2012.




I - GRENZEN :

Begripsbepaling en verkenning

Een grens
Een grens is een lijn.
Wel lengte, geen dikte
Verloren in het landschap
Aangegeven door een paal
of door prikkeldraad waar
de grens precies doorheen loopt.

Als het waait wiebelt de grens heen en weer.





Eerste schermutseling: De uitdaging

‘En als ik mijn voet nu daar zet?’
‘Met alle respect, dan hebben wij
een geschil.’
‘Kunt u die grens niet verleggen?’
‘Graag, maar dan wel in uw richting!’
‘Zijn wij dan geen bevriende mogendheden?’
‘Wellicht. Maar beter een goede buur
dan een al te nabije vriend.’


 





Tweede schermutseling: De erfvijand

‘Natuurlijk bent u welkom op mijn erf
maar wel op mijn condities
en slechts voor een vooraf bepaalde tijd.
U kunt dat nalezen in
het aan u verstrekte visum.’

‘Maar ik wil hier graag
mijn tenten op slaan
mijn vee hoeden
en gebruik maken van
uw waterput.’

‘Daar komt niets van in
als u zich niet onmiddellijk terugtrekt
stuur ik de hofhond op u af
en verklaar ik u tot erfvijand.’


Derde schermutseling: de aanval

Na drie dagen op volle zee
bereikte mijn kanonneerboot
haar territoriale wateren.

Ik liet de torpedo’s gereed maken.
Wat dacht ze wel met haar ‘mijn en dijn’.
Het uur naderde, de spanning steeg.
Maar tevergeefs zocht ik een doelwit
in de woeste baren.

Door de deining zag ik de mijn te laat.
Schielijk trok ik mij terug.
Zwaar gehavend.


 


Terugkeer tot de Real Politik

Plots realiseerde ik me
dat ik mijn eigen grenzen
schromelijk verwaarloosd had.

Ik besloot me te scheren
en een nieuw overhemd
te kopen.
Blauw vanwege
de kleur van mijn ogen.

Achter mijn nieuwe schutswal
bereidde ik een charmeoffensief voor.

Wolken eau de toilette
- pour hommes -
overschreden de grens
en vulden de loopgraven.

Een eenzame vogel
floot een deuntje.
De wind ritselde in het struweel.
Verder bewoog er niets.
De grens leek onverdedigd.
Een aanval was het overwegen waard.


Een onverwachte wending.

Enkele uren voordat ik
de generale staf het bevel zou geven om
de grens te overschrijden
was er sprake van
een onverwachte wending
in mijn gemoed.

Twijfel sloop in mijn hart
misschien zou ik vanavond
als overwinnaar
de lauwerkrans mogen dragen, maar …

Maar wat doet een overwinnaar
met overwonnenen
binnen zijn nieuwe grenzen?

Ik schreed door mijn hoofdkwartier
maar de ruimte was mij een ruw kleed aan 't bezwete lijf.  
In plaats van den werveldans der elementen
in mijn ertsen greep te willen vatten
oefende ik d'ivoren glimlach van den stille knaap.

Diplomatie! Handelsmissies!Bilaterale verdragen! Douane-unie!
De comparatieve kostentheorie der internationale handel niet te vergeten.
Argumenten zat
om de grens niet te doorbreken
maar poreus, zacht en meegaand te maken.

Ik besloot mijn strategie aan te passen.
Onthutst smeedden mijn troepen hun sabels om.


 



Tussen wal en schip

Tussen wal en schip
ligt water in de weg.
Soms hele wilde baren.

Want wal is wal en schip is schip
en als zij elkaar ontmoeten
schuurt ijzer op steen met
ijselijk geluid.

(Slechts gewapend met stootkussens
kan het schip – dikhuidig, maar gevoelig –
de wal verdragen.)

Een wankele loopbrug
verbindt
wal en schip
land en zee
geborgenheid en vrijheid.

Slechts moedige en sterke mensen
wagen het elkander halverwege te ontmoeten.
Zoet wiegend in de wind.

zondag 15 april 2012

Cohen en Cohen

Onlangs kwam ik, toen ik in mijn foto-archief op zoek was, deze foto tegen:


Foto: Wouter Booij.

Het is een foto van Job Cohen die wijst naar een muurreclame in de Wesselstraat in het Haagse Transvaalkwartier. Aanvankelijk meende ik me te herinneren dat ik hem gemaakt had, maar dat was niet zo. Ik had die muurreclame, waar ik talloze malen langs gefietst moet zijn, kort tevoren ontdekt. Toen ik hoorde dat Job Cohen op de Haagse Markt zou zijn tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen heb ik Wouter Booij gezegd dat hij een foto zou moeten maken van Job onder die muurreclame.

Op twitter maakte Fokke Zwaan me opmerkzaam op een (helaas anoniem) stukje uit de Wijkkrant Transvaal over de Cohens van de  'Stoom Wasch- en Strijkinrichting'.  Ik vreesde al zoiets, maar het is toch telkens weer aangrijpend als je het leest:

'Stoomwasscherij Neerlandia, oorspronkelijk gestart in de Engelenburgstraat, in de Wesselsstraat. Het pakhuis is er nu nog, als je vanuit de Kempstraat richting Hoefkade kijkt, kijk je direct links tegen een zijmuur aan waarop de oude reclameschildering nog duidelijk te lezen is: Fa. J. Cohen, Stoomwasscherij en -strijkerij.

Vader en dochter Cohen maakten hier in 1925 een nieuwe start, maar lang heeft dit helaas niet geduurd.Reeds in 1942 moeste zij dit ambachtelijke bedrijf uit handen geven aan de Duitse Treuhandler, die het overnam en in 1943 te gelde maakte. De Cohen's werden op transport gesteld naar Duitsland.

Naspeuringen hebben aan het licht gebracht dat Samuel Cohen (51 jr.) en zijn 15-jarige dochter op transport gesteld werden naar het Concentratiekamp Auschwitz en direct na aankomst aldaar, op 26 februari 1943 zijn vermoord!'

http://www.transvaalkwartier.nl/paginas/PDF/Wijkkrant130LR.pdf

Fokke Zwaan wees me ook op een digitaal monument voor het gezin Cohen uit de Wesselsstraat:

zaterdag 12 november 2011

De Kaftan van de Koran scheiden?

Na de moord op Theo van Gogh (2 november 2004) schreef ik dit gedicht. Het werd vlak na het verschijnen op tal van PvdA-websites geplaatst. Omdat ik ernaar verwijs in mijn Brief aan Marcel Duyvestijn in De Leunstoel plaats ik hem nu - zeven jaar na de moord - op 'De Willem'.  

Wo 3 Nov 2004 - Willem Minderhout
De Kaftan van de Koran scheiden?




Ja, mijn vriend, ik geloof je
graag
als je zegt dat je cultuur en religie niet
met elkaar moet verwarren.

Dat de oneindige wijsheid
en liefde van Allah
niets te doen heeft met
de verwarde gedachten
van de hufter met de baard en
het mes.

Ik geloof
dat jij dat meent.

Maar ik heb er mijn bekomst van.

Net hadden we onze eigen God
getemd en
- via Jorwerd -
teruggestuurd
naar het Niets.
De laatste Zucht van de Verlichting!

En toen kwam jij.

Wij dachten dat ook jij hier kwam
om vrij adem te leren halen.

Je was welkom!

Maar in je binnenzak
smokkelde God
- de Listenrijke -
Zichzelf weer mee naar binnen.
Vertoornd door Zijn ballingschap:
God der Wrake!

En nu vraag je mij
om de Kaftan van de Koran te scheiden?

Ik zal het proberen,
maar argwaan valt niet langer te vermijden.

zaterdag 9 juli 2011

Pen Insula

De Hofvijver Poëzieprijs heeft dit jaar als thema 'eiland'. Ik ben dol op prijzen, dus ik wilde graag meedoen.
Ik had de spelregels echter weer eens niet goed gelezen, dus ik was te laat. Bovendien had ik een hele 'cyclus' moeten indienen in plaats van slechts een gediggie.
Mijn oude vriend en Hofvijver-baas Eelco van der Waals plaatste mijn inzending als troost op de Facebookpagina van de Vrienden van de Hofvijver, maar daar kan natuurlijk niet iedereen bij. Vandaar dat ik mijn inzending - onder het motto 'de laatste zal de eerste zijn' - ook op De Willem zet. Het plaatje heeft Eelco er bij gezocht.



Pen Insula

Ik trek met mijn pen
Een grillige lijn
Op het witte papier
De lijn sluit zich
Ik heb een eiland getekend.

Er is een grens getrokken!

Alles buiten die grens
Verliest mijn belangstelling
Dat eiland
Dat wil ik kennen
Doorgronden
Liefhebben
Beheersen.

Alles bakenen wij af
In een poging
Grip te krijgen
Op de grenzenloze chaos
Zoals wij zelf afgebakend zijn

Door onze begrenzing
Denken wij
Dat we onszelf kunnen:
Kennen
Doorgronden
Liefhebben
Beheersen

‘Ik ben een eiland, dus ik besta.
Jij bent ook een eiland, zie je wel?’
‘Zie je mij, zie je mijn eenzame eiland?’
‘Laten we een brug bouwen,
als dat kan.’
‘Ja. Maar dan wel
een ophaalbrug.’

Eilanden zijn een illusie.

Met mijn pen teken ik
  – met angst en beven –
een brug.

woensdag 23 maart 2011

ALTERNATIEF CONCEPT-BEGINSELMANIFEST VAN DE PARTIJ VAN DE ARBEID

Verschenen in Socialisme & Democratie 7/8, 2004

’s-Gravenhage, 14 juli 2004

Het op 1 mei 2004 gepubliceerde concept-beginselmanifest van de PvdA is een belangrijke stap om te komen tot een eigentijdse omschrijving van de uitgangspunten waar de Partij van de Arbeid zich op baseert. Het is sinds de vaststelling van het oude beginselprogramma van 1977 de eerste poging daartoe waar de partijleiding zich nadrukkelijk aan gecommitteerd heeft. Dat alleen al verdient waardering. Te lang heeft men een fundamentele discussie over wat de leden van de Partij van de Arbeid onderling bindt, en wat hun onderscheidt van anderen, trachten te ontlopen. Daardoor heeft de waan van de dag binnen de Partij van de Arbeid te veel ruimte gekregen.

Dat neemt niet weg dat met het publiceren van dit concept-manifest het laatste woord inzake de beginselen van de PvdA niet gesproken kan zijn. Een manifest dat voor langere tijd probeert weer te geven wat de leden van een grote partij bindt, vraagt dat er door die leden over wordt meegedacht en gediscussieerd. Wij zien het gepubliceerde concept-manifest dan ook eerder als een uitnodiging aan de partij om mee te denken, dan als een hamerstuk voor het congres van december a.s. Anders dan Erik van Bruggen in De Groene van 5 juni 2004 beschouwen wij niet wie van die uitnodiging gebruik wil maken als een droeftoeter, maar degeen die zijn partijgenoten het recht wil ontzeggen naar aanleiding van het concept kritische opmerkingen te maken en alternatieve teksten voor te stellen.

Voor dergelijke voorstellen is er naar onze mening alle reden, ook al onderschrijven wij de politieke strekking van het concept van 1 mei. Het probleem bij het opnieuw formuleren van de uitgangspunten van de Partij van de Arbeid is dat een dergelijk stuk onderscheidend moet zijn ten opzichte van andere partijen, maar tegelijkertijd voldoende breed om de uiteenlopende opvattingen die je binnen een brede volkspartij aantreft te overspannen. Naar onze mening zijn de auteurs in dit laatste voldoende geslaagd, maar heeft daardoor het stuk aan onderscheidend vermogen ten opzichte van andere partijen verloren, al blijken op het eerste gezicht algemene teksten ('iedereen heeft recht op een fatsoenlijk bestaan') in de praktijk wel degelijk onderscheidend.

Een gemiste kans daarbij is dat het stuk, anders dan vorige beginseldocumenten, geen analyse bevat van de maatschappelijke ontwikkelingen waarop de PvdA dient te reageren, en die de geformuleerde beginselen hun relevantie geven. In het concept-manifest ontbreekt een kritiek op de neo-liberale ontwikkeling die de wereld sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw ondergaat. Die ontwikkeling heeft aan de ene kant de sociaal-democratie in het defensief gebracht heeft, maar aan de andere kant gemaakt dat formuleringen inzake solidariteit waarvan leek of ze algemeen ingang hadden gevonden, een nieuwe actualiteit als onderscheidend beginsel hebben gekregen.

In het volgende treft de lezer een alternatieve tekst, waarbij gebruik is gemaakt van het gepubliceerde ontwerp, maar waarbij geprobeerd is het onderscheid met andere partijen te verduidelijken. Dat betreft allereerst een analyse van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen, maar ook een aantal onderwerpen die naar onze mening in het manifest onvoldoende aan de orde komen maar wel degelijk van belang zijn voor het profiel van de Partij van de Arbeid. Daarnaast kiezen wij hier en daar voor scherpere formuleringen. Wij hebben ook geprobeerd onze tekst zodanig te redigeren dat deze zich beter leent voor amendering door het partijcongres.

Wij menen dat een duidelijker gearticuleerd beginselmanifest mogelijk is zonder dat de PvdA daarmee zijn aantrekkingskracht als brede volkspartij verliest. Integendeel, wij denken dat juist door scherper het onbehagen over de toenemende macht van het grote geld te formuleren dat bij velen leeft, de partij alleen maar aan aantrekkingskracht kan winnen.

Paul Bordewijk
Maarten Hajer
Willem Minderhout
Bart Tromp


ALTERNATIEF CONCEPT-MANIFEST

BEGINSELEN VAN DE PARTIJ VAN DE ARBEID

1.De doelstellingen van de sociaal-democratische beweging

1.1 De Partij van de Arbeid is de politieke vertegenwoordiger in Nederland van de sociaal-democratische beweging. Deze beweging streeft er vanouds naar de ongelijkheid, onvrijheden en onrechtvaardigheden die door de kapitalistische productiewijze op economisch, sociaal en cultureel gebied worden veroorzaakt tegen te gaan en te compenseren, zowel op nationale als internationale schaal, ten einde alle mensen een fatsoenlijk bestaan te waarborgen.

1.2 Dit streven is vandaag de dag te meer van belang, nu in het dominante politieke klimaat allerlei voorstellen gedaan worden om de bestaanszekerheid en autonomie van mensen aan te tasten onder het mom van ‘marktwerking’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’.

2. Partij en politiek.

2.1 De sociaal-democratische beweging ontstond in de negentiende eeuw uit het verzet tegen de wijze waarop het op ongeremde kapitalisme de levensomstandigheden van grote groepen van de bevolking aantastte. Zij kreeg vorm in een politieke partij die zich ten doel stelde door gezamenlijke inspanning en langs democratische weg de samenleving rechtvaardiger te maken en iedereen een redelijk bestaan te garanderen.

2.2 Dit streven kreeg noodgedwongen allereerst op nationaal niveau gestalte en is in veel opzichten succesvol geweest. Maar het in stand houden, aanpassen aan de eisen van de tijd en verbeteren van de verworvenheden die nu vanzelfsprekend lijken, vergt een blijvende politieke inspanning.

2.3 Meer dan ooit is de huidige wereldeconomie gebaseerd op een kapitalistische productiewijze waarin het maken van winst een doelstelling is die ertoe leidt dat overwegingen van rendement en efficiency ten koste gaan van heel andere waarden, zoals de bevordering van cultuur en de in stand houding van de natuur tot het waarborgen van zorg en gezondheid. Daartegen richt zich het streven van de Partij van de Arbeid, dat de economie ten dienste wil laten van functioneren van een fatsoenlijke samenleving, in plaats van dat de laatste wordt opgeofferd aan de eerste.

2.4 Daarom wil zij mensen kansen geven om het beste uit zichzelf naar boven te halen en dat niet alleen in economische zin. Ook al is iedereen in beginsel verantwoordelijk voor zijn eigen toekomst, uitgangsposities zijn ongelijk en risico’s zijn ongelijk verdeeld. Alleen gelijke kansen bieden is daarom onvoldoende. Mensen hebben ondanks pech en tegenslag het recht op zekerheid van een behoorlijk bestaan. De Partij van de Arbeid streeft naar een vorm van politiek die mensen aanspreekt en organiseert om verantwoordelijkheid te nemen; niet alleen voor de eigen toekomst maar ook voor die van de maatschappij als geheel.

2.5 Grote delen van de klassieke arbeidersklasse en veel vrouwen zijn uit hun traditionele achterstandspositie geëmancipeerd. Eén gevolg daarvan is het ontstaan van een omvangrijke doch heterogene middenklasse. Desalniettemin is niet iedereen in Nederland goed opgeleid en geëmancipeerd. Onder lager opgeleiden zien we steeds hardnekkiger achterstanden. Nieuwkomers vinden soms maar moeizaam een plek in de maatschappij. De zorgen van deze drie groepen lopen ver uiteen. Dat maakt de organisatie van solidariteit uitdagender dan ooit tevoren Toch is het juist deze uitdaging die mensen met verschillende levensbeschouwingen, van verschillende generaties, met verschillende achtergronden en uit verschillende landen steeds weer in de sociaal-democratische beweging bijeen brengt.

2.6 De sociaal-democratische beweging onderscheidt zich van het neoliberalisme onder andere door haar nadruk op het belang van burgerrechten ook in de economische sfeer. Daarnaast vindt zij dat het de taak van de overheid is door middel van herverdeling van kansen en middelen om gelijkere uitgangsposities en ontplooiingskansen te scheppen en zo de menselijke vrijheid te vergroten. Daarbij pleit de Partij van de Arbeid voor een actief burgerschap, waarin rechten en plichten in evenwicht zijn, voor een ontspannen samenleving waarin mannen én vrouwen keuze kunnen maken tussen arbeid, zorg, leren en vrijwilligerswerk. De Partij van de Arbeid verdedigt een levensbeschouwelijk en religieus pluralisme binnen de grenzen van democratie en rechtsstaat

3. Veel landen, één wereld

3.0.1 De wereld wordt steeds meer een economische eenheid. Dat komt deels door de toegenomen transportmogelijkheden en de ontwikkeling van de communicatietechnologie. Door de groei van de luchtvaart kunnen we hier genieten van vers fruit uit andere werelddelen, door satellietverbindingen kunnen we werk uitbesteden aan callcentra en ICT-bedrijven in India. Maar de mondialisering is ook het gevolg van de bewuste politieke beslissingen van de afgelopen dertig jaar om financiële en handelsbarrières te slechten.

3.0.2 Deze ontwikkeling biedt zowel kansen als bedreigingen. Economieën in de Derde Wereld kunnen zo in principe nieuwe afzetmarkten verwerven, wat leidt tot economische groei. Tegelijkertijd worden de opbrengsten van de economische groei vaak zeer onrechtvaardig verdeeld. In de westerse landen gaat er een druk tot grotere ongelijkheid vanuit, waarbij de hoogst betaalden zich optrekken aan de exorbitante inkomens die sommigen in Amerika weten te incasseren, terwijl wie het minder in het leven getroffen heeft gewezen wordt op de concurrentie vanuit de lage-lonenlanden, zodat aan de onderkant van inkomensverdeling een 'race tot the bottom' dreigt. Dit wordt versterkt door de nadruk op 'share holder value' in het bedrijfsleven. Ten slotte leidt ongeremde economische groei tot een versnelde uitputting van natuurlijke hulpbronnen en verontreiniging van het milieu, met immense bedreigingen voor het klimaat.

3.0.3 Deze ontwikkelingen onderstrepen de actualiteit van het sociaal-democratische project, waarbij machtsstructuren in het leven worden geroepen en worden versterkt die een meer egalitaire en duurzame mondiale samenleving mogelijk maken. Daarbij onderscheiden we een opgave op mondiaal, Europees en nationaal niveau. Uiteraard is de invloed van de PvdA op Europees en mondiaal niveau slechts beperkt, maar de internationale verhoudingen bepalen meer en meer welke speelruimte de politiek op nationaal niveau nog heeft. Juist om deze reden is het van belang dat sociaal-democraten en verwante groeperingen elkaar op Europese en mondiale schaal weten te vinden en samen te werken.

3.1 De mondiale samenleving

3.1.1 De Partij van de Arbeid wil een rechtvaardige en duurzame mondialisering. Ongereguleerde mondialisering leidt enerzijds tot monopolievorming en anderzijds tot roofbouw en uitbuiting.

3.1.2. Een rechtvaardige mondiale samenleving is niet denkbaar zonder herregulering van financiële markten en de opbouw van een systeem van ‘economic governance’, waarin sociale bescherming van de bevolking van ontwikkelingslanden net zo belangrijk is als financiële transparantie; structurele hulp aan deze landen, waaronder een vergaande beperking van hun schuldenlast en toegang tot beschermde Westerse markten.

3.1.3 Daarnaast blijft ontwikkelingshulp van belang, maar daarbij dient wel kritisch te worden gekeken naar de effecten. Structurele hulp kan alleen effect hebben wanneer er voldaan wordt aan minimumcondities ten aanzien van rechtszekerheid en spreiding van de welvaart. Een fatsoenlijk bestaan vraagt een fatsoenlijk bestuur. Internationale solidariteit betekent ook gerichte armoedebestrijding en emancipatie van kwetsbare groepen.

3.1.4 Wereldwijd moeten de rechten van de mens en de beginselen van de sociale markteconomie en de democratische rechtsstaat worden erkend, uitgeoefend en toegepast. Daartoe moet gebruik worden gemaakt van multilaterale kaders zoals de Verenigde Naties en het Internationale Strafhof, die moeten worden versterkt en ingezet ten behoeve van mondiale democratisering. Internationale druk is nodig opdat alle landen zich hierbij aansluiten.

3.1.5 Voor het verdedigen en in sommige gevallen herstellen van de internationale rechtsorde is een effectief geweldsinstrument noodzakelijk. De bestrijding van het terrorisme vraagt een hechte internationale samenwerking, waarbij ook de oorzaken worden aangepakt. Voor militaire interventie is een volkenrechtelijk mandaat nodig.

3.1.6 Zonder mondiale afspraken over beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen dreigen grote rampen. Daarnaast zien we afname van de soortenrijkdom op aarde, mede door de inkrimping van de regenwouden. Het betekent vooral voor de westerse landen met hun hoge energieconsumptie dat zij bereid moeten zijn die consumptie te beperken en te investeren in alternatieve energiebronnen. Daarbij zijn allereerst internationale afspraken van belang, waarbij valt te betreuren dat de Verenigde Staten als grootste energieconsument daar tot nog toe niet toe bereid zijn gebleken. Ook zonder dergelijke afspraken dienen de Europese landen hun gebruik van fossiele brandstoffen te matigen, waarbij individuele bedrijven en consumenten door verantwoord gedrag ook een bijdrage kunnen leveren.

3.2 Europa

3.2.1 Terwijl in de eerste helft van de twintigste eeuw Europa verscheurd is geweest door twee bloedige oorlogen, hebben de landen in West-Europa daarna gekozen voor velerlei vormen van internationale samenwerking, waarvan de NAVO en de Europese Unie de belangrijkste zijn. Deze samenwerking heeft grote resultaten opgeleverd: de oorlogsdreiging vanuit de Sovjet-Unie is eerst gepareerd en daarna geheel verdwenen, oorlog tussen West-Europese landen is nauwelijks meer denkbaar, en de welvaart is spectaculair gestegen. Nagenoeg in heel Europa is op nationaal niveau de democratische rechtsstaat gerealiseerd, al zien we nog wel aanloopproblemen in sommige landen die zich nog kort geleden van het communisme hebben bevrijd.

3.2.2 Het slechten van de handelsbarrières binnen Europa in het kader van de toenmalige Europese Economische Gemeenschap heeft ongetwijfeld een belangrijke bijdrage geleverd aan de gestegen welvaart. Maar we zien de laatste jaren in naam van de vrije markt een steeds toenemende bemoeienis van Europa met het interne beleid van de lidstaten, die ook in toenemende mate ergernis oproept. Aan de ene kant komt dat door het detaillisme (veiligheid van wipkippen, BTW op schoenreparaties), aan de andere kant doordat de Europese eenwording fungeert als voertuig voor het neoliberalisme, zoals bij de eis aan alle lidstaten om openbaar vervoer en andere nutsvoorzieningen open te stellen voor de markt.

3.2.3 Daarom moet opnieuw gedefinieerd worden met welke problemen de Europese Unie zich bezighoudt. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat Europa alleen die problemen aanpakt die we niet goed in eigen land kunnen oplossen (het subsidiariteitsprincipe). Daarmee wordt ook de toetreding van nieuwe landen gemakkelijker gemaakt. Het betekent dat o.a. cultuur, gezondheidszorg, nutsbedrijven en openbaar vervoer volledig de zeggenschap van de lidstaten moeten zijn.

3.2.4 Om uitwassen van de vrije markt tegen te gaan, dient Europa het sociaal beleid van de lidstaten te faciliteren, niet door één stelsel van sociale zekerheid in te voeren, maar wel door te voorkomen dat de Europese landen elkaar beconcurreren met lage belastingtarieven voor bedrijven. Daarmee wordt immers de basis van de collectieve sector uitgehold. Europa dient ook op te treden bij grensoverschrijdende milieuproblemen en bij de overbevissing van zeeën en oceanen. Dat geldt ook voor grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme, maar daarbij moeten de rechtsstelsels de bevoegdheid van de lidstaten blijven.

3.2.5 Europa heeft als handelsblok de macht en omvang om met kracht hervormingen in de mondialisering door te zetten. De sociaal-democratische beweging wil die macht nadrukkelijk gebruiken om de neoliberale benadering van mondialisering om te buigen en een ander, rechtvaardig perspectief op mondialisering te helpen vormgeven.

3.2.6 Een probleem bij de Europese integratie is dat een halve eeuw Europese samenwerking ons geen Europese publieke opinie en daarmee ook geen echte Europese partijen heeft opgeleverd. Dat betekent dat het publieke debat in hoofdzaak nationaal gevoerd wordt. Ondanks het bestaan van een Europees parlement is daarmee aan een essentiële voorwaarde voor het functioneren van de democratie op Europees niveau niet voldaan.

3.2.7 Om die reden kunnen diep ingrijpende beslissingen als die inzake oorlog en vrede niet genomen worden buiten de regeringen van de lidstaten om, ook al gaat het daarbij onmiskenbaar om grensoverschrijdende problemen. Afstemming van het buitenlands beleid is dringend gewenst, zowel tussen de lidstaten als tussen de verschillende sociaal-democratische partijen. Zolang zich echter geen echte Europese publieke opinie gevormd heeft, dient de beslissing inzake het lidmaatschap van de NAVO, de plaatsing van massavernietigingswapens op het eigen grondgebied, het al dan niet invoeren van de dienstplicht en het deelnemen aan gewapende interventies uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de lidstaten te blijven.


4 De Nederlandse samenleving

4.1 Democratie

4.1.1 Een fatsoenlijk bestaan is alleen mogelijk binnen het kader van de democratische rechtstaat. Die beschermt de burger tegen willekeur en maakt het mogelijk langs vreedzame weg tot machtswisselingen te komen.

4.1.2 In de democratische rechtsstaat is alle politieke machtsuitoefening uiteindelijk gebaseerd op een mandaat van kiezers. Publieke macht kan daarin niet worden uitgeoefend zonder publieke verantwoording, waarbij de volksvertegenwoordiging een essentiële rol speelt. Deze moet de mogelijkheid hebben het vertrouwen in het bestuur op te zeggen, zowel op nationaal niveau als bij gemeenten en provincies.

4.1.3 In een grootschalige samenleving staat de representatieve democratie noodzakelijkerwijze centraal, waarbij op verschillende niveaus een volksvertegenwoordiging wordt gekozen en een daarvan afgeleid bestuur optreedt. De burger heeft optimale mogelijkheden om gehoor te vinden voor zijn wensen wanneer de beslissingen genomen worden op een zo laag mogelijk niveau. De bewijslast voor grootschaliger bestuur en centralisatie van bevoegdheden ligt daarom bij de voorstanders.

4.1.3 In combinatie met de behoefte aan bestuur dicht bij de burgers kan de optredende schaalvergroting nieuwe bestuursvormen gewenst maken, zoals deelgemeenten en grootstedelijke besturen. Bij de inpassing daarvan in de bestuursstructuur is de bestaande hiërarchie rijk-provincies-gemeenten niet heilig.

4.1.4 Macht vraagt om tegenmacht. Steeds meer politieke macht wordt echter zonder directe betrokkenheid van de vertegenwoordigende democratie uitgeoefend: door ambtenaren, door beroepsorganisaties en belangengroepen, door woningbouwcorporaties en schoolbesturen, en door niet-gouvernementele organisaties en internationale instellingen.

4.1.5 Hoewel dit soms een manifestatie is van het vermogen van de burger in heden en verleden om zich zelfstandig te organiseren en te manifesteren, moet diezelfde burger te allen tijde de zekerheid hebben dat de eisen van evenredige belangenbehartiging en openbaarheid gewaarborgd zijn. Volksvertegenwoordigingen hebben daarbij een centrale rol, door de publieke verantwoording zelf ter hand te nemen of door er op toe te zien dat dit elders plaats vindt. De PvdA richt zich op de uitwerking van nieuwe vormen van burgerbestuur in aanvulling op het parlementaire systeem. Het geeft de burger meer macht over domeinen waar deze zelf sterk bij betrokken is.

4.2 De gemengde economie

4.2.1 Economische macht vraagt om tegenmacht. De ondernemingsgewijze productie is een belangrijke motor van innovatie, welvaart en werkgelegenheid. Maar economische macht kan ook schade doen, als ze geconcentreerd wordt, als verantwoording en controle ontbreken of als de tegenkrachten zwak zijn. Ondernemerschap en bedrijvigheid richten zich dan sneller naar de belangen van kapitaal en kapitaalverschaffers dan naar de belangen van werknemers, natuur en milieu en latere generaties.

4.2.2 Wij kiezen daarentegen voor een gemengde economische orde waarin een duurzaam gebruik van ruimte, energie en grondstoffen voorop staat en in ieder geval de bevoordeling van energie-intensieve economische activiteiten door de overheid ongedaan wordt gemaakt. De PvdA ziet hier verder een rol voor consumenten-, werknemers- en milieu-organisaties die als maatschappelijke tegenmacht kunnen optreden. Zo kan een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven worden aangemoedigd en afgedwongen.

4.2.3 Een gemengde economie veronderstelt een heldere politiek gericht op de bescherming en uitbouw van de institutionele pijlers van een meer beschaafd kapitalisme, waaronder: een belastingstelsel dat op draagkracht is gebaseerd; een vitale collectieve sector; een sociaal-economisch beleid dat economische en maatschappelijke doelstellingen combineert en een visie op de onderneming als een samenwerkingsverband van management en een diversiteit van belanghebbenden.

4.3 Werk en inkomen

4.3.1 De maatschappij draait op arbeid. Betaalde arbeid vormt de primaire bron van zelfstandig inkomen, maar levert ook een bijdrage aan de samenleving. Voor veel mensen is werk de basis voor hun (zelf)respect, maar daarvoor is de kwaliteit van de arbeid en zeggenschap over arbeidsverhoudingen essentieel.

4.3.2 In de praktijk levert niet ieders arbeid evenveel op. Dergelijke verschillen zijn acceptabel wanneer ze het gevolg zijn van verschillen in inspanning, nu of vroeger. Veel ongelijkheid valt echter ook terug te voeren op verschil in aanleg of in uitgangspositie, op machtsverhoudingen, of domweg op geluk. Er zijn verschillende redenen voor de overheid om dergelijke inkomensverschillen te beperken.

4.3.3 Aan de onderkant van de inkomensverdeling verliezen mensen zonder een adequaat stelsel van sociale zekerheid de mogelijkheid om een fatsoenlijk bestaan te leiden. Daarbij speelt niet alleen de koopkracht in absolute zin een rol, maar ook wat in een bepaalde samenleving gebruikelijk is, zeker voor ouders van opgroeiende kinderen. Naarmate mensen meer geconfronteerd worden met eigen bijdragen en eigen risico's, moeten ze ook beter in staat gesteld worden die bijdragen op te brengen.

4.3.4 Al te grote inkomensverschillen ondermijnen ook de solidariteit. Wanneer het in slechte tijden wenselijk is dat lonen gematigd worden, mag het niet zo zijn dat de hoogst betaalden zich daaraan onttrekken. En daar waar schaarste gereguleerd wordt door een prijs te vragen, of het nu gaat om parkeren, rekeningrijden of wonen op gewilde locaties, leiden inkomensverschillen tot ongelijke ontplooiingsmogelijkheden. Ten slotte kan extreme rijkdom ertoe leiden dat mensen politieke macht kopen. Amerika vormt in dat verband een afschrikwekkend voorbeeld.

4.3.5 Een progressief belastingsysteem is een belangrijk middel om een gelijkmatige inkomstenverdeling te bevorderen. Wie kiest voor een toppositie in de publieke sector, zal moeten accepteren dat de wens om al te grote inkomenstegenstellingen te vermijden invloed heeft op het beloningsniveau.

4.3.6 Solidariteit is niet alleen een kwestie van hoe de lasten moeten worden verdeeld tussen (kans)rijk en (kans)arm, maar ook tussen jongeren en ouderen. Lusten en lasten moeten ook voor volgende generaties in evenwicht zijn.

4.4 Sociale zekerheid

4.4.1 Wij willen dat zoveel mogelijk mensen op eigen benen kunnen staan en dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten. De samenleving biedt niet louter kansen, er zijn ook grote risico’s en onzekerheden. Kennis kan snel verouderen en achterstanden kunnen hardnekkig zijn. In de economie wisselen perioden van voor- en tegenspoed elkaar af. Daarom moet er een goed stelsel van sociale zekerheid zijn, gericht op bescherming én activering.

4.4.2 De maatschappij moet niet alleen ruimte bieden aan mensen die met hun kennis en vaardigheden de welvaart van ons allemaal kunnen vergroten, maar ook zekerheid aan mensen die het goed gaat maar zich verzekerd willen weten tegen pech of tegenslag, en bescherming aan hen die wel willen maar niet kunnen. In veel gevallen kan die zekerheid alleen collectief via ‘risico-solidariteit’ worden georganiseerd, bijv. wanneer anders uitsluiting op basis van toepassing van genetische screening dreigt.

4.4.3 Daarbij worden ook eisen gesteld aan mensen: wanneer ze niet oud, ziek of invalide zijn moeten ze bereid zijn te werken, en ze moeten hun financiële verplichtingen nakomen. Niet iedereen doet dat echter, vaak door psychische of verslavingsproblemen. Dat leidt tot uitsluiting van voorzieningen. De overheid kan echter niet accepteren dat zo een groeiend leger van bedelaars en daklozen ontstaat, maar moet dit probleem actief aanpakken, ook als dat alleen kan door de autonomie van mensen in te perken.

4.5 Collectieve voorzieningen

4.5.1 Niet alles waaraan mensen behoefte hebben voor een fatsoenlijk bestaan, kan door de markt in voldoende mate geleverd worden. Daarbij gaat het bij voorbeeld om onderwijs, zorg en huisvesting, de bescherming tegen criminaliteit en terreur en de mogelijkheid om als volwaardig burger mee te doen aan publieke besluitvorming. De ontwikkeling en instandhouding van een stabiele en betrouwbare en kwalitatief hoogwaardige publieke dienstverlening ziet de sociaal-democratie als voorwaarde voor het stimuleren van een veelzijdige ontplooiing.

4.5.2 Voor het goed functioneren van een markt is het noodzakelijk dat er meerdere aanbieders van goederen of diensten optreden, en dat mensen individueel kunnen kiezen of ze daarvan wel of geen gebruik willen maken. In sommige gevallen kan die keuze echter individueel niet gemaakt worden, zoals wanneer het gaat om het functioneren van de rechtsorde, in andere gevallen is er slecht één aanbieder, zoals bij de meeste netwerkdiensten. Bij sommige diensten is het maatschappelijk niet acceptabel dat mensen vanwege een te laag inkomen daarvan afzien. Bij de toegang tot het onderwijs gaat het immers allereerst om talent of de afwezigheid daarvan, bij het krijgen van zorg gaat het om de vraag wie ziek is of gezond.

4.5.3 De politiek dient dergelijke publieke belangen te borgen, maar het hangt af van het specifieke karakter van de betreffende dienst wie deze aanbiedt. Dat kan een overheidsinstelling zijn, maar ook een non-profit instelling of een private onderneming. Toegankelijkheid zal daarbij vaak het belangrijkste publieke belang zijn, omdat geld niet mag domineren waar andere overwegingen maatgevend moeten zijn.

4.5.4 Wij willen dat iedereen zich verbonden voelt met de publieke voorzieningen en daaraan ook bereid is bij te dragen. Dat lukt alleen door de belastingbetaler kwaliteit te bieden. Fatsoen betekent in dit geval vooral dat afhankelijkheid van en vernedering door anonieme bureaucratieën wordt tegengegaan. Omdat bij instellingen die niet op de markt opereren altijd het gevaar van gemakzucht op de loer ligt, dient er een goed stelsel van toezicht te zijn. Dit toezicht dient zodanig vorm te worden gegeven dat het de interne motivatie van de medewerkers niet schaadt.

4.5.5 Ten slotte mag een overheid die investeert in haar burgers rekenen op wederkerigheid. Zij moet alert zijn op oneigenlijk gebruik en misbruik en moet haar burgers aanspreken op eigen verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid.

4.6 Kennis en cultuur

4.6.1 Voor de toekomst van mensen is goed onderwijs essentieel. Bij de opzet van het onderwijs wordt rekening gehouden met verschillen in talenten, maar ook met verschillen in maatschappelijke achtergrond. Getalenteerde kinderen van laaggeschoolde ouders verdienen extra faciliteiten, zoals de mogelijkheid om over te stappen van het ene schooltype op het andere.

4.6.2 Naast voorbereiding op de arbeidsmarkt heeft het onderwijs als taak cultuuroverdracht en het overdragen van de normen en waarden die ten grondslag liggen aan de democratische rechtstaat, in relatie tot de wijze waarop deze zich in Nederland ontwikkeld hebben. In het onderwijs wordt respect en begrip voor anderen aangeleerd en in de praktijk gebracht.

4.6.3 Wetenschap en cultuur hebben waarde in zichzelf, los van economische overwegingen. Daarom heeft de overheid de taak om de kwaliteit en de variëteit van kunstuitingen en wetenschapsbeoefening te bevorderen. Dit geldt ook voor de omroep. Publieke financiering van deze cultuurvormen dient om kunstenaars, journalisten en wetenschappers minder afhankelijk te maken van de markt, niet om ze tot spreekbuis van de overheid te maken.

4.6.4 Naast hun culturele betekenis zijn veel takken van wetenschap ook van groot belang voor het functioneren van onze economie en voor het oplossen van de grote uitdagingen waar de mensheid voor staat, zoals het broeikaseffect en de voedselvoorziening voor een groeiende wereldbevolking. Ondanks het modieuze gepraat over de kenniseconomie blijken de grote concerns door hun sterke gerichtheid op korte-termijnwinst eerder geneigd researchfaciliteiten af te stoten dan nieuwe laboratoria te openen, waardoor getalenteerde onderzoekers hun heil moeten zoeken in het buitenland. De overheid kan deze ontwikkeling niet op zijn beloop laten.

4.6.5 Bij de ontwikkeling van de wetenschap springt de biotechnologie in het oog. Deze kan bijdragen aan de verhoging van de kwaliteit van het bestaan door vergroting van de voedselproductie, de ontwikkeling van nieuwe medicijnen en prenatale screening. Niet elke toepassing is echter aanvaardbaar: prenatale screening moet zijn vrijwillige basis houden en de PvdA deelt de algemene afkeer van het reproductief klonen van mensen. Nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen moeten ten goede komen aan de hele mensheid en niet alleen aan de financiers van het onderzoek of aan de rijke landen.

4.7 Normen en waarden

4.7.1 De maatschappij draait niet alleen op voorschriften van de overheid. Samenleven vraagt een inspanning van iedereen. Zorg voor elkaar, vrijwilligerswerk en deelname aan het verenigingsleven zijn van groot belang voor onderling vertrouwen en sociale betrokkenheid. Zij zijn bovendien een leerschool voor democratisch burgerschap en tolerantie. Mannen en vrouwen moeten arbeid, zorg en levenlang-leren zo kunnen organiseren dat ze ook ruimte hebben voor zichzelf, hun familieleden en vrienden, voor ontspanning en maatschappelijke activiteiten.

4.7.2 Wij waarderen de dynamiek, het innovatievermogen en de sterk toegenomen mogelijkheden van individuele variatie in levensstijlen in onze moderne maatschappij. Maar zo’n gevarieerde wereld stelt hoge eisen aan de inschikkelijkheid van mensen.
Crimineel en asociaal gedrag in de openbare ruimte zijn onaanvaardbaar, juist wanneer we de betekenis inzien van een publiek domein waar iedereen de waarde van erkent en zich door gestimuleerd voelt. We verwachten van iedereen de bereidheid tot respectvolle omgang met anderen, juist om de waarde van diversiteit te kunnen blijven beleven. Racisme en discriminatie, misbruik van sociale voorzieningen en belastingontduiking, en al te grote inkomensverschillen ondermijnen de maatschappelijke solidariteit en dienen derhalve sterk te worden bestreden.

4.7.3 De commercialisering van media en sport maakt soms dat vormen van gedrag als navolgenswaardig worden gepresenteerd waarbij onderling respect ver te zoeken is. Dit versterkt het belang van andere geldbronnen voor de omroep dan reclame. Commerciële belangen dienen ondergeschikt te zijn aan waar het hier werkelijk om gaat: informatie en ontspanning.

4.7.4 Immigratie brengt mensen naar ons land met andere opvattingen dan de laatste vijftig jaar in Nederland gemeengoed zijn geworden, vaak vanuit een religieuze achtergrond. Dit stelt Nederland voor nieuwe dilemma's. Duidelijk moet zijn dat de grondrechten voor iedereen gelden, inclusief de vrijheid van godsdienst en de vrijwaring van discriminatie. Maar wie zich in Nederland vestigt moet zelf de geloofsvrijheid van anderen respecteren, inclusief het recht op geloofsafval, en aanvaarden dat in Nederland mannen en vrouwen gelijke rechten hebben, ook in seksueel opzicht, en dat homoseksuele relaties volledig geaccepteerd worden.

5 Een moderne, open partij

5.1 De plaats waar de politiek in onze representatieve democratie primair wordt vormgegeven en uitgedragen, waar politiek inzicht tot rijping komt en politieke vertegenwoordigers worden opgeleid en geselecteerd, is de politieke partij. De Partij van de Arbeid vervult deze rol voor de sociaal-democraten in Nederland

5.2 De bijzondere rol die een politieke partij speelt in onze democratie brengt verantwoordelijkheden met zich mee. De PvdA besteedt daarom aandacht aan interne partijdemocratie, vorming en scholing van haar leden, ondersteuning van haar vertegenwoordigers, de activiteiten van haar wetenschappelijk bureau, voorlichting en dialoog met de samenleving.

5.3 De dialoog met de samenleving is doorslaggevend voor een levende partij. Enerzijds omdat de natuurlijke achterban van partijen grotendeels is verdwenen. Anderzijds omdat mede door de medialogica de neiging bestaat de politieke agenda te laten bepalen door de waan van de dag. Een partij die handelt vanuit beginselen streeft ernaar de politieke agenda zelf te bepalen, maar sluit zich niet af. Juist in wisselwerking met de samenleving winnen haar beginselen aan praktische relevantie.

5.4 De Partij van de Arbeid wil iedereen die zich door haar beginselen voelt aangesproken, organiseren en inspireren en een plek bieden van waaruit zij zich, binnen en buiten de formele politiek, maar altijd langs democratische weg, voor deze idealen in kunnen zetten.

Paul Bordewijk, Maarten Hajer, Willem Minderhout, Bart Tromp