donderdag 24 maart 2011

Van Randstad naar Eurodelta

Verschenen in Socialisme & Democratie 12, 2006


Nederland investeert extra inkomsten van de aardgasproductie ininfrastructuur. Tot nu toe vloeit het leeuwendeel van die investeringennaar de Randstad — ten onrechte, meent Ton Doesburg. In Zuid- en Oost-Nederland liggen grote kansen voor transnationale samenwerking. Een visie op een dynamische ‘Eurodelta’ biedt betere aanknopingspunten voorons ruimtelijk-economisch beleid dan het huidige bestuurlijke focus op de kwakkelende Randstad.


Over de auteurs Ton Doesburg is lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Dit artikel kwam tot stand met medewerking van Willem Minderhout


In 1991 kreeg de Gasunie toestemming van de overheid om tot 2013 tweehonderd miljard kubieke meter aardgas extra te exporteren. De baten die hieruit werden verkregen dienden niet te worden verjubeld, maar aangewend ‘voor de financiering van grootschalige investeringen van nationaal belang’.1 Voor het beheer van deze financiële middelen werd Het Fonds Economische Structuurversterking (fes) opgericht, dat uitgroeide tot katalysator van ruimtelijke investeringen en kennisinfrastructuur. Van begin af aan hebben achtereenvolgende kabinetten er expliciet naar gestreefd om de fes-gelden aan te wenden om knelpunten in de Randstad op te lossen.

De vraag dringt zich op of dat een verstandige keuze was en is. Iedere fes-investering wordt getoetst door de Interdepartementale Commissie Ruimtelijke Economie, de icre, die zodoende in grote mate bepaalt waar en op welke wijze de investeringen worden aangewend. De werkwijze van de ICRE ligt echter met enige regelmaat onder vuur 2), om de volgende redenen.

Allereerst is er sprake van slechte systematiek. Volgens de Raad voor Economisch Adviseurs (rea) ontstaat er hierdoor een risico dat fes-gelden ineffectief worden aangewend: ‘Belastingmeevallers kunnen in de huidige begrotingssystematiek, vooral ten aanzien van publieke investeringen in het kader van het fes, tot verspilling leiden.’ 3 Het voornaamste probleem in de systematiek is dat niet het aantal nuttige projecten die zich aandienen, maar de toevallige omvang van het fes bepalend is; er moet nu eenmaal jaarlijks een bepaalde hoeveelheid geld worden weggezet. Dit zou wel eens de belangrijkste reden kunnen zijn waarom, volgens het Centraal Plan Bureau, de uit het fes gefinancierde kennisprojecten voor ruim de helft maatschappelijk weinig rendabel zijn. 4

Een tweede punt van kritiek is de ondoorzichtige besluitvorming. De Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten (Commissie Duivesteijn) uitte harde kritiek op de ‘mandarijnen’ van de icre: ‘De icre moet een betere institutionele en procedurele inbedding krijgen, waarin onder meer de informatievoorziening aan de Tweede Kamer beter is georganiseerd.’5 De aanbeveling om de ICRE om te vormen tot een transparant opererende Commissie Ruimtelijk Economische Structuurversterking leidde helaas tot niets.

Tot slot wordt de besteding van de middelen uit het fes te veel beïnvloed door politieke scoringsdrift. Rick van der Ploeg zei in dit kader dat de Nederlandse politiek keer op keer investeert ‘in projecten met een rendement lager dan op de obligatiemarkt. Denk aan de tweede sluis bij IJmuiden, investeringen van het Innovatieplatform of ict-investeringen in het onderwijs. Als het Centraal Planbureau aantoont dat dergelijke investeringen onrendabel zijn, dan trekt de politiek een lange neus en dendert vrolijk door. De politici willen immers scoren.’ 6

Hoewel alle bovengenoemde kritiek hout snijdt, gaat ze voorbij aan de kern van het probleem. Dat is namelijk dat niet de vraag wordt gesteld hoe ons land eruit zou moeten zien nadat de aardgasvoorraden zijn uitgeput. Juist het antwoord op deze vraag zou de leidraad moeten zijn aan de hand waarvan de fes-gelden worden geïnvesteerd. Zolang een duidelijke visie op dit punt ontbreekt, is het onmogelijk om via ruimtelijke investeringen te werken aan structurele oplossingen en ontwikkeling. In plaats daarvan worden afzonderlijke knelpunten aangepakt die zich toevallig aandienen. Het Ruimtelijk Planbureau constateert niet voor niets dat ‘twee jaar na de publicatie van de Nota Ruimte de rijksoverheid veel inspanning stopt in het faciliteren van provincies en gemeenten, maar dat de ontwikkeling van de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur stagneert. Er is te weinig aandacht voor het eigen ruimtelijk beleid van de rijksoverheid’. 7

Dit artikel bepleit een herformulering van het nationale ruimtelijk-economisch beleid op basis van de dynamiek van alle Nederlandse regio’s en gericht op een optimale benutting van het potentieel van de Eurodelta.

Toekomstvisie


Hoe zou zo’n strategische toekomstvisie eruit kunnen zien? Maarten Hajer definieerde strategische) planning in s&ro als ‘Planning = Articulatie + Coordinatie’. Onder articulatie verstaat hij ‘het bepalen en vervolgens verbeelden van een opdracht’. Coordinatie betreft de ‘afstemming van bestuurlijke activiteiten om bepaalde ruimtelijk-maatschappelijke werkelijkheden daadwerkelijk te creëren’. ‘De kunst van de strategische planning is om consensus te genereren op basis van een kwalitatief hoogwaardig plan’, aldus Hajer. Hoewel dit op regionaal niveau nog wel lukt, ontbreekt volgens Hajer iedere verbinding met het nationale niveau. Hij wijt dit in hoge mate aan de ‘lege’ Nota Ruimte, die geen heldere ruimtelijke concepten en keuzes presenteert waardoor er niet gekozen kan worden. 8

Hajer bepleit voor Nederland een planning ‘vanuit de beweging, respectievelijk rond de mobiliteitsinfrastructuur en het water’. Hij noemt deze aanpak, die geënt lijkt op de ‘strategie van de twee netwerken’9, Deltaplanologie. Deze insteek, vanuit een door de groeiende waterproblematiek noodzakelijke ecologische invalshoek, vind ik veelbelovend, maar ik zou nog een stap verder willen gaan. Hajer bepleit een nationale visie. Maar als je die visie ent op de Delta als planningskader, dan is het om geofysische redenen noodzakelijk om ruimere grenzen te hanteren dan onze staatsgrenzen: ook delen van België en Duitsland maken deel uit van ‘onze’ rivierdelta. Daarbij meen ik dat deze grenzen ook om economische redenen te krap zijn.

In de nota Samenwerken in de Eurodelta 10) constateert de Raad voor Verkeer en Waterstaat (rvw) dat het ‘hypothetische Eurodelta-gebied ruwweg uit de Randstad en de “corridorprovincies” naar het Oosten en het Zuiden in Nederland, uit Vlaanderen inclusief Brussel en Luik in België, en uit de deelstaat Noordrijn-Westfalen bestaat’. Dit gebied staat qua verstedelijking, bevolkingsomvang en economische productiviteit, op nummer 3 van de wereldranglijst van gebieden met metropoolkarakteristieken. De nummers 1 en 2 op deze lijst zijn respectievelijk de gebieden van Tokyo tot en met Kyoto in Japan en Boston tot en met Washington in de Verenigde Staten.

De Raad pleit voor ‘het ontwikkelen van een gezamenlijke Nederlands– Belgisch–Duitse strategische visie op de toekomst van deze Eurodelta, want dit vormt voor elk van de drie betrokken landen een cruciale pijler onder de eigen nationale economie’. Ik wil de benaming Eurodelta graag overnemen en het pleidooi van de Raad ten volle ondersteunen.

Randstad-fixatie

Wat gebeurt er intussen concreet? Van de fesmiddelen is 88 procent in de Randstad terechtgekomen. 11 Om dit te rechtvaardigen als ‘nationaal belang’ wordt de Randstad gepresenteerd als ‘de motor van de Nederlandse economie’. Die motorgedachte is niet het enige idee dat achter de investeringen in de Randstad zit.

De aanhangers van een dergelijke aanpak werken vanuit een vrij concreet planningsconcept: de Deltametropool. Het was een geniale inval van de pioniers van dit concept om de Randstad niet langer te presenteren als een dichtbevolkte, misschien wel overbevolkte regio, maar als een dunbevolkte meerkernige ‘netwerkstad’ met mondiale potentie.

In de (gesneuvelde) Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening werd dit denken uitgewerkt in nationale ‘stedelijke netwerken’ (Deltametropool, Brabantstad, Groningen-Assen, Arnhem-Nijmegen en Maastricht-Heerlen). De nieuwe Nota Ruimte heeft dit concept overgenomen, maar laat het aan ‘de netwerken’ zelf over om tot onderlinge afspraken te komen met betrekking tot gezamenlijke ruimtelijke investeringen.

De focus van het rijk ligt op de mainports, sleutelprojecten’ als de Zuidas. Het begrip Deltametropool werd ¬ op nationaal niveau ¬ weer ingeruild voor het aloude begrip Randstad Holland, opgeknipt in een Noord- en een Zuidvleugel en een ‘Regio Utrecht/Gooi- en Vechtstreek’. Er wordt dus heel wat ‘gearticuleerd’, maar wie begrijpt het nog?

Temidden van alle conceptuele verwarring blijkt de gedachte van ‘de Randstad als één metropool’- waar zich bovendien de motor van de Nederlandse economie bevindt ¬ robuust verankerd in de breinen van politici, ambtenaren, wetenschappers en ondernemers. Maar is er wel een economische rationale voor dit beeld? Is de Randstad wel die economische motor, of gaat het hier om wensdenken? Er zijn redenen genoeg om daar eens kritisch naar te kijken.

Het Ruimtelijk Planbureau (rpb) heeft dat gedaan in een nota met de veelzeggende titel Vele steden maken nog geen Randstad. 12) Het rpb kon geen sterke netwerkrelaties ontdekken die zich vertalen in specialisatie, integratie en complementariteit tussen de stadsgewesten van de ‘Deltametropool’. Wel stelt het rpb vast dat zich een zekere hiërarchie aftekent, waarin Amsterdam aan de top staat.

Een vergelijkbare conclusie kan men trekken uit een ander recent rpb-rapport, Wegen naar economische groei. 13) Hier wordt Amsterdam als ‘economisch hart’, als de belangrijkste agglomeratie onderkend, maar wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor het grote economische belang van de kleinere agglomeraties Arnhem-Nijmegen, Breda e.o. en Maastricht. 14 Opmerkelijk in deze studie is dat investeringen in de a1 tussen Deventer en Amersfoort, de a1 tussen den Bosch en Utrecht en de a27 tussen Breda en Utrecht qua economisch rendement het beste scoren, terwijl de triple a-verbindingen (a2, a4 en a12 binnen de Randstad) ¬ een van de speerpunten uit de Nota Mobiliteit ¬ slechts ‘gedeeltelijk van economischbelang’ worden geacht.

Dit is geen nieuwe conclusie. Toen de gezamenlijke Planbureaus investeringen in de Oostelijke Rondweg rond Eindhoven die door de ICRE waren afgewezen (omdat sprake was van ‘te veel regionaal verkeer’) zelf met een ‘A’ beoordeelden, in tegenstelling tot veel door de icre goedgekeurde investeringen in de Randstad 15), leidde dit tot verbazing bij de Haagse ambtenaren. Zij hadden hier ‘nog nooit aan gerekend’. 16)

Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke wijze van prioriteiten stellen op nationaal niveau niet tot optimale resultaten leidt. Het gaat immers om het ontwikkelen van het economisch potentieel van Nederland als geheel. Daarom is het op zijn plaats om infrastructuurprojecten die door het FES gefinancierd zijn en projecten buiten de Randstad met elkaar te vergelijken.

Het feit doet zich namelijk voor dat de Nederlandse grote steden (G4), in tegenstelling tot wat in het buitenland gebruikelijk is, netto-ontvangers van publieke middelen zijn. Een echte ‘motor’ zou nettobetaler zijn, zoals dat in Engeland, Frankrijk, maar ook bijvoorbeeld Zweden het geval is met Londen, Parijs en Stockholm. Volgens OESO-onderzoeker Olaf Merk is een sterke lobby van de g4 de enige verklarende factor voor de kapitaalstroom richting Randstad. 17) De gerealiseerde economische groei was het in ieder geval niet.

Op de lijst van de twintig belangrijkste Europese grootstedelijke regio’s bezet de Randstad inmiddels de twaalfde plaats wat betreft de omvangvan het Bruto Regionaal Product per hoofd van de bevolking (BRP). De achteruitgang van de Randstad blijkt ook uit een persbericht van de Vereniging Deltametropool (lagere overheden en NGO’s) en de Stichting Vrienden van de Deltametropool: ‘De bereikbaarheid van de Randstad moet snel en daadkrachtig worden aangepakt omdat de economische concurrentiepositie in de afgelopen jaren aanzienlijk is verzwakt’.18) Om de gestage teruggang te keren zou, naast de nodige investeringsruimte, een ‘Randstadautoriteit harder nodig [zijn] dan ooit’.19) Zo blijft de beleidsfictie Randstad een eigen leven leiden.

Beter perspectief: Eurodelta

Wie de ontwikkeling van Nederland in de laatste vijftig jaar beziet, stelt vast dat de grootste groei werd gerealiseerd in Brabant en delen van de daaraan grenzende provincies. Alleen de Noordvleugel van de Randstad presteerde vergelijkbaar, met name dankzij Utrecht en Schiphol. De havens verliezen al jaren marktaandeel, Rotterdam in 2005 zelfs in extreme mate, hetgeen vooral voor de Zuidvleugel negatieve gevolgen had.

De neergang van de Amsterdamse haven laat zich niet keren; vanwege zijn ligging kan die haven nooit meer dan een nichespeler zijn. Feitelijk is Amsterdam dat al, met veel succes, op de cacao- en petroleummarkt.

De neergang van Rotterdam is in de eerste plaats het gevolg van slecht management, zowel bij het havenbedrijf als bij de stad. Zolang dat niet afdoende is verbeterd zullen ook massieve investeringen in de Tweede Maasvlakte de relatieve teruggang niet stoppen.

Als we, in navolging van de Raad voor Verkeer en Waterstaat, onze blik verbreden van de Randstad naar de Eurodelta, dan zien we dat Nederland deel uitmaakt van een sterk verstedelijkt gebied in Noord-West Europa, met een enorme economische potentie. Dit gebied, dat Vlaanderen (Vlaamse Ruit), delen van Wallonië (Luik) en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen (Ruhrgebied) omvat, heeft sterke metropoolkarakteristieken ¬ zie de mate van verstedelijking, de bevolkingsomvang en de economische productiviteit.

Momenteel presteert niet alleen de Randstad verre van optimaal, dat geldt ook voor de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied. De gebieden scoren niet meer dan gemiddeld wat betreft de groei van het brp, het arbeidsvolume en de arbeidsproductiviteit. 20 De RVW constateert dat van de import/exportrelaties tussen Nederland, België en Duitsland zich een significant groot gedeelte (71%) binnen de Eurodelta afspeelt. De Nederlandse, Belgische en Duitse onderdelen van dit gebied zijn economisch zeer met elkaar verweven.

De ruimtelijk- economische samenhang binnen deze regio is overigens niets nieuws: ‘als Duitsland niest, is Nederland verkouden’, zo luidt een oude volkswijsheid. Op ruimtelijk-economisch vlak worden er echter nauwelijks consequenties aan verbonden, terwijl zich juist op dit gebied grote mogelijkheden voordoen.

De gesneuvelde Vijfde Nota onderkende de samenhang in de Eurodelta al: ‘Niet de geografische grens van bestuurlijke eenheden, maar de ruimtelijke samenhang en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot gezamenlijke afweging van alternatieven bepaalt de benodigde samenwerking.’ De gedoodverfde ‘stedelijke netwerken’ waren erg blij met die aandacht, maar lazen ‘in de Vijfde Nota niets over de grensoverschrijdende samenwerking, terwijl juist daar het Rijk een actieve rol moet spelen’.21)

In de Nota Ruimte worden die internationale context en samenhang sterker aangezet. De Nota gebruikt de term ‘transnationaal’, in die zin dat geen sprake is van een resultaat van internationale afspraken, maar van ontwikkelingen die zich van grenzen niet veel aantrekken. Hoewel nog geen sprake is van concreet beleid, wordt erkend dat de invloed van metropolitane gebieden als het Ruhrgebied, de Vlaamse Ruit en de regio Frankfurt kansen biedt voor de stedelijke netwerken in Oost- en Zuid-Nederland. Over hoe deze kansen moeten worden benut, wordt helaas met geen woord gerept.

De ambitie lijkt vooralsnog niet veel verder te gaan dan het scheppen van ‘ruimte voor ontwikkeling’. Toch duidt dit alles op een begin van begrip voor het feit dat ‘netwerken’ zich niet per nota laten aanwijzen. Praktische samenwerking, zoals met Vlaanderen bij het beheer en de gezamenlijke ontwikkeling van het Schelde-estuarium, komt langzaam maar zeker van de grond. Dat kan leiden tot een verdere benutting van kansen.

Een voorbeeld van een mogelijkheid die zich aandient is een transnationaal netwerk van de havens van Vlissingen, Terneuzen en Gent. De haven van Gent ontwikkelt zich sterk en het formeren van één gezamenlijk havenschap biedt een unieke kans voor grensoverschrijdende samenwerking. Het is klein bier vergeleken met de kansen die de ontwikkeling van de Eurodelta als geheel zou bieden, maar het kan een belangrijke stap zijn in de goede richting.

Distributie- en Kennisdelta

Op dit moment vertrekt de ene na de andere handelsdelegatie naar China en andere opkomende landen. Rotterdam is nog niet vertrokken, of Den Haag staat op de stoep om zich aan te bieden als handelspartner. De Randstad blijkt zelfs hier nog niet tot samenwerking te kunnen komen! En dat terwijl de Randstad (laat staan de individuele grote steden) op mondiale schaal weinig voorstelt. Het wordt pas interessant als de Eurodelta zich als ‘Distributiedelta van Europa’ zou presenteren, als poort tot Noord-West Europa. Waar zou dit concreet toe leiden?

Ten eerste tot de conclusie dat het opknippen van de Randstad/Deltametropool in een Noord- en een Zuidvleugel meer is dan het terugschakelen naar een lager schaalniveau. Het gaat om de erkenning dat Amsterdam en Rotterdam, die beide uitstekend gepositioneerd zijn om een belangrijke rol te vervullen in de economie van de Eurodelta en vanuit die positie in de mondiale economie, binnen verschillende ‘netwerken’ opereren. 22)

Rotterdam vervult met zijn haven, een mainport, een hele andere rol dan Amsterdam. De stad is in een uitstekende positie om zaken te doen met nieuwe economische reuzen als China en India. Maar dat kan ze niet alleen. Wil Rotterdam werkelijk een rol van belang blijven spelen dan moet de stad zich samen met Antwerpen én het achterland ¬ met name de multimodale knooppunten Keulen en Duisburg (de grootste binnenhaven van Europa) in Noordrijn-Westfalen ¬ als één gesprekspartner opstellen. De Betuwelijn zal in dat perspectief een gouden greep blijken, omdat die een belangrijke verbinding kan vormen in het logistieke kwadrant Rotterdam ¬ Antwerpen ¬ Keulen ¬ Duisburg.

Het ‘Drama van de Betuweroute’ illustreert de noodzaak van een gezamenlijk ontwikkelingsperspectief. De coördinatie tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen was zowel bij de ontwikkeling als de bouw van de goederenspoorlijn allerbelabberdst en de afstemming met Antwerpen non-existent. Als Rotterdam (Zuidvleugel) werkelijk strategisch nadenkt, dan is goed bestuurlijk overleg met Antwerpen, Keulen en Duisburg van veel groter belang dan een Randstadautoriteit. Natuurlijk blijven Rotterdam en Antwerpen ‘concurrenten’, maar beide havens zouden uit welbegrepen eigenbelang moeten beseffen dat ze beter een klant aan elkaar, dan aan Hamburg of Le Havre kunnen verliezen.

Amsterdam heeft als knooppunt in de internationale (financiële) dienstverlening en als belangrijk centrum in de creatieve economie andere netwerkrelaties die gekoesterd en uitgebouwd moeten worden. Hetzelfde geldt voor Den Haag, knooppunt in de administratieve en juridische wereld en Utrecht als nationale ‘hub’.

De kenniseconomie groeit en bloeit vooral in Oost- en Zuid-Nederland. Denk aan het agrocluster rond Wageningen met zijn eigen wereldwijde netwerkrelaties en de regio Maastricht-Luik-Keulen-Aken. Het perspectief van de Eurodelta als ‘Kennisdelta van Europa’ is al concreet zichtbaar in de nauwe samenwerking van de Technische Universiteit Eindhoven, het medische cluster in Maastricht en de bèta-faculteit in Nijmegen met universiteiten in België en Duitsland. Dit straalt sterk uit naar het bedrijfsleven. Eindhoven is een belangrijke knoop in een grensoverschrijdend technologiecluster en ontwikkelt zich razendsnel.

Door het beleid van de ICRE worden ook de mogelijkheden van Oost-Nederland als belangrijk centrum van de kenniseconomie onvoldoende onderkend en ondersteund. Deze reeks voorbeelden van kansrijke en tegen de verdrukking in groeiende transnationale netwerken is gemakkelijk uit te breiden. Hier liggen kansen voor het grijpen als de overheid gericht investeert.

Transnationale Plannen


Onze nationale visie op de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Nederland is dringend aan herziening toe. Die revisie moet noodzakelijkerwijs geschieden in een transnationale context. België en Noordrijn-Westfalen dienen betrokken te zijn bij de ontwikkeling van de Nederlandse visie ¬ en andersom. Die nationale visies moeten vervolgens ook gezamenlijk worden ‘gearticuleerd’ en in praktijk worden gebracht. Praktische samenwerking is noodzakelijk en ook zeer goed mogelijk.

Twee centrale richtingen dienen zich aan:
  1. Eurodelta-Distributiedelta. Als alle betrokken overheden de Eurodelta wereldwijd gezamenlijk presenteren, dan betrekken bedrijven dit bij hun vestigingsafwegingen. Men kiest dan voor een plek in de rechthoek Rotterdam–Duisburg–Keulen-Antwerpen in plaats van voor een op zichzelf staande stad als Lissabon, Dublin of Hamburg. Deze ‘Rechthoek in de Eurodelta’ biedt fantastische logistieke mogelijkheden, gigantische schaalvoordelen en markttoegang tot het dichtstbevolkte gebied van Europa. Een gezamenlijke marketing ¬ zoals qua schaal vergelijkbare regio’s als Sjanghai, Tokio, Singapore en New York die ontplooien ¬ is niet moeilijk te realiseren. Het Netherlands Foreign Investments Agency lijkt uitstekend geëquipeerd om hierin het voortouw te nemen.

  2. Eurodelta-Kennisdelta. Concentratie en specialisatie van kennisinstellingen blijkt een belangrijke succesfactor te zijn. Rond Delft groeit en bloeit een watercluster, rond Eindhoven een techniekcluster (ict, nanotechnologie), rond Wageningen een agro- en life- sciencescluster.

Samenwerking en bundeling lonen.

Ook hier werkt een nationale bril beperkend. Er zijn tal van reële en potentiële samenwerkingsrelaties. Het inventariseren en exploiteren van de enorme distributie- en kennispotentie van de Eurodelta zal ervoor zorgen dat Nederland een belangrijke speler blijft in de wereldeconomie.

Als de aardgasbaten economisch optimaal geïnvesteerd worden, leggen we de basis voor een economisch gezonde toekomst. Gegeven alle actuele discussie over de AOW, de pensioenleeftijd en wat dies meer zij, lijkt het verbreden van ons blikveld en het verbeteren van onze investeringsstrategieën zeker het overwegen waard.

Noten



  1. Wet van 21 december 1995, houdende instelling van een Fonds Economische Structuurversterking
  2. Reeds in 2002 constateerden de gezamenlijke Planbureaus: ‘De categorie robuuste projecten is relatief klein (10% van de claims). Bijna de helft van de claims is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.’ cpb, rivm, Ruimtelijk Planbureau, scp met medewerking van avv (mei 2002), Selectief investeren. fesmaatregelen tegen het licht, p. 10. Sindsdien blijkt er weinig veranderd te zijn: ‘Miljoenen uit aardgas mogelijk in bodemloze put gestort’, in: de Volkskrant, 13-06-2006.
  3. Advies van de Raad van Economisch Adviseurs (8 juni 2006), Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 560, nr. 3
  4. cpb (mei 2006), Investeren in kennis en innovatie. Analyse van icreprojecten tweede tranche 2005, p. 12.
  5. tci, Hoofdrapport, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 283 , nrs. 5–6 62, p. 62-63
  6. Rick van der Ploeg, ‘Politiek rommelt wat aan met investeringen’, in: Financieel Dagblad, 17-6-2006
  7. Ruimtelijk Planbureau (2006), Verkenning van de Ruimte. Ruimtelijk beleid tussen overheid en markt, p. 13.
  8. Maarten Hajer, ‘Planning is dood, leve de planning’, in: Stedebouw & Ruimtelijke Ordening, 05–2006.
  9. Timmermans, W, Jonkhof, J, & Tjallingii, sp (2002). ‘Strategie van de twee netwerken’, in: Hilarius publicaties (red.), Handboek / Ruimtelijke ordening en milieu (pp. 185 -198). Alphen aan de Rijn: Kluwer.
  10. Raad voor Verkeer en Waterstaat (20 december 2005), Samenwerken in de Eurodelta. Kansen voor de positieversterking van Nederland, België en Duitsland in het economisch kerngebied van continentaal Noordwest Europa
  11. ioo (2006), Quick scan regionale verdeling fes-toezeggingen. Beknopte rapportage, Leiden: Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (ioo).
  12. Ruimtelijk Planbureau (2006), Vele steden maken nog geen Randstad, NAi Uitgevers Rotterdam.
  13. Ruimtelijk Planbureau (2006), Wegen naar Economische Groei, NAi Uitgevers Rotterdam
  14. Het rpb heeft in deze studie het buitenland niet betrokken. Ware dit wel het geval geweest, dan zouden, naar mijn overtuiging, de uitkomsten voor ‘de periferie’ nog gunstiger zijn.
  15. cpb, rivm, Ruimtelijk Planbureau, scp met medewerking van avv (mei 2002), p. 65.
  16. Volgens de Delftse hoogleraar Priemus zijn Kamerleden niet in staat om grote investeringen zinnig tegen elkaar af te wegen. Hij noemt als voorbeeld de nieuwe snelweg a6-a9, die ook uit aardgasgeld zal worden betaald: ‘Die bekijken ze apart. Een afweging met andere investeringen in het wegennet vindt niet plaats. Geciteerd in ‘Miljoenen uit aardgas mogelijk in bodemloze put gestort’, in: de Volkskrant, 13-06-2006.
  17. Merk, Olaf, Grote steden en het kind van de rekening, esb 91, 05- 05, p. 199-200.
  18. Persbericht Deltametropool (2006), Bereikbaarheid Randstad moet heel snel goed zijn, 1 maart.
  19. Persbericht ‘Regio Randstad’.
  20. Manshanden, W.J.J., A.C. Muskens, P.J.M. de Bruin, (2005) De Randstad in Europa, esb, 26-08, 374 ¬ 375. 21 vrom, De Stedelijke Netwerken rond. Voorstudie Vijfde Nota nummer 3 (juli 2002) 22 vrom Raad, Briefadvies over het Nota Ruimte programma voor de Noordvleugel van de Randstad, 23 mei 2006.

De Eurodelta als ruimtelijk perspectief

‘Als er werkelijkheidszin bestaat, dan moet er ook mogelijkheidszin bestaan’ (Robert Musil)


Ton Doesburg, Eerste Kamerfr actie Partij van de Arbeid, met medewerking van Willem Minderhout, inhoudelijk medewerker van Doesburg
Verschenen in: Ruimte in Debat, juni 2006.


Het wordt tijd dat Nederland samen met Noordrijn-Westfalen en België een ruimtelijke politiek ontwikkelt om de mogelijkheden van deze transnationale regio, de ‘Eurodelta’ in de woorden van de Raad voor Verkeer & Waterstaat, beter te benutten. Een dergelijke politiek kan ook het kader scheppen voor effectieve ruimtelijke investeringen en investeringen in de ‘kennisinfrastructuur’.

Nu verdwijnt bijvoorbeeld het leeuwendeel van de aardgasbaten (FES-gelden) in investeringen om knelpunten in de Randstad op te lossen, terwijl veel kansen onbenut blijven. Als de FES-middelen optimaal geïnvesteerd waren, dus daar waar het rendement in termen van economische ontwikkeling het grootst is, dan zou het Nederlands BNP in 2005 2 á 3 procent
hoger gelegen hebben dan het geval was, is mijn stelling.

Welk Nederland willen we tot stand brengen? Als we daarover nadenken, blijkt er te weinig over economisch rendement te worden gedacht. Ik mis bovendien een strategische visie, een overtuigend planningsconcept, in het ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Als er al een dragende gedachte aan deze nota ten grondslag ligt, dan kan ik haar niet vinden.

Een gevolg van die ontbrekende strategische visie is dat ook de ruimtelijke investeringen – denk aan de projecten die mede uit het Fonds Economische Structuurversterking worden gefinancierd – vooral worden gericht op het oplossen van knelpunten, met name in de Randstad. Knelpunten
zijn makkelijk te herkennen, maar om kansen te kunnen zien en te benutten, moet je over een toekomstbeeld beschikken.

Een overtuigend toekomstbeeld is een verhaal dat door velen als ‘mogelijk en wenselijk om te verwezenlijken’ wordt beschouwd en kan daardoor – deels – een zelf vervullende profetie worden. Doordat zo’n ‘wensbeeld’ momenteel volledig ontbreekt, zit er geen richting in het beleid. We lijken gedoemd tot wat Robert Musil ‘werkelijkheidszin’ noemt: het oplossen van problemen zonder een begrip voor een bredere tijdruimtecontext. En zo verkeren wij in de situatie van Alice in Wonderland, die op de viersprong aangekomen aan de Cheshire Cat vraagt welke weg de goede is ‘Als je niet weet waar je heengaat, is iedere weg de goede’, antwoordde de Cheshire Cat haar.

‘Mogelijkheidszin’, daarentegen, kan de overheid inspireren tot het benutten van kansen. Dit gevoel voor kansen heeft niets utopisch, maar heeft alles te maken met verstandig investeren. Voor investeringen is in het bedrijfsleven het sleutelwoord ‘rendement’. Dit blijkt bij ruimtelijke
investeringen door de overheid niet het geval te zijn.

In een TNO-rapport uit 1999, ‘De economie van steden en stadsgewesten’, werd de economische groei in 25 stadsgewesten voorspeld. De top tien bestaat, afgezien van Utrecht en Amsterdam op de plaatsen vier en zes, uit steden in Brabant en Gelderland. Terecht wordt in dit rapport opgemerkt dat congestie en ruimtegebrek dreigen voor deze in het rapport onder de aanduiding ‘Boom(ing)-regio’ genoemde gewesten (Louter 1999).

Het recente RIGO-rapport ‘Nederland in 2015’ stelt dat ‘weliswaar het aantal banen tot 2015 het meest toenemen in de stedelijke regio’s in de Randstad. Maar als gekeken wordt naar relatieve veranderingen, blijkt dat met name het economisch belang van de regio’s in de ‘eerste schil rond de Randstad’ tot 2015 toeneemt. (…) De beschikbaarheid van banen neemt vooral fors toe voor de inwoners van de omgeving van Den Bosch, West Gelderland, Utrecht en Flevoland’ (Buijs e.a. 2006).

Veel grote snelle groeiers vinden we dus buiten de Randstad in Zuidoost-Nederland. Deze ontwikkeling vindt plaats ondanks dat er van alle FES-miljarden slechts een klein deel in deze
‘groeiregio’ is neergeslagen.

Waarom werden, en worden, wensen en vooral mogelijkheden buiten de Randstad bij het toekennen van FES-middelen eigenlijk buiten beschouwing gelaten? Van die FES-middelen is 88 procent in de Randstad terechtgekomen volgens het IOO (2006). Is er sprake van een integrale weging? Ik denk het niet en durf de volgende stelling aan: als de FES-middelen optimaal geïnvesteerd waren, dus daar waar het rendement in termen van economische ontwikkeling het grootst is, dan zou het Nederlands BNP in 2005 2 á 3 procent hoger gelegen hebben dan het geval was. Dit zou iets van 10 á 12 miljard extra overheidsinkomsten per jaar betekend hebben, nog ongeacht de kostenvoordelen. En dan was het bijvoorbeeld mogelijk geweest om een economisch luwtegebied als het Noorden ieder jaar 2 miljard te geven en nog over te houden ook.

Randstadfixatie

Op dit moment pretendeert het Nederlandse ruimtelijk beleid dat versterking van de nationale ruimtelijk-economische structuur voorop staat. Met name de G4 weet de Randstad nog steeds met veel succes te presenteren als de ‘motor van de Nederlandse economie’. Dat de Randstad die toppositie niet meer heeft – tussen de 20 Europese grootstedelijke regio’s bezet de Randstad inmiddels de twaalfde plaats wat betreft de omvang van het BRP per hoofd van de bevolking is geen reden om de investeringen te heroverwegen, maar juist om meer te investeren. De ‘haperende motor’ moet weer aan de gang gebracht worden.

De cijfers van de economische ontwikkeling in de Randstad worden sinds 1993 geflatteerd door een nog grotere investeringsstroom dan voor die tijd al het geval was. Deze rijksinvesteringen
ontbreken in de rest van Nederland, waardoor aldaar de economische ontwikkeling wordt geremd. Nu ontken ik het economische belang van de Randstad niet, maar deze fixatie zorgt wel dat Nederland willens en wetens kansen laat liggen door te blijven ‘kurieren am Symptom’.

‘Willens’ onder invloed van de uitstekende lobby van gremia als de G4 en de Stichting Deltametropool.

‘Wetens’, omdat diverse nota’s aantonen dat er op beleidsniveau echt wel verder gekeken wordt, maar dat dit denken niet wordt vertaald in een handelingsrepertoire en investeringsbeslissingen. Wat door die ‘Randstadfixatie’ ook over het hoofd wordt gezien, is de samenhang met ontwikkelingen en ontwikkelingspotenties aan de andere kant van de grens.

Nederland heeft naar mijn mening de potentie om binnen Europa de rol te vervullen die bijvoorbeeld Hongkong en Singapore in Azië vervullen: een draaischijf van de mondiale economie, gericht op zowel logistiek in de meest brede zin van het woord, als op kennisintensieve productie en internationale dienstverlening op het vlak van informatietechnologie, marketing,
design, en financiële dienstverlening.

Nederland dankt die mogelijkheid aan haar geografische positie in de delta van Rijn, Maas en Schelde. In dát Nederland zal de Randstad een belangrijke rol blijven vervullen. Dat zal echter niet het geval zijn als ze wordt gezien als een op zichzelf staand ‘stedelijk netwerk’. Nee, om dat
te bereiken moet ze worden gezien als een onderdeel van een dynamische Eurodelta – een begrip gemunt door de Raad voor Verkeer & Waterstaat in 2005 –, waartoe ook Zuidoost-Nederland en delen van België en Noordrijn-Westfalen behoren.

Wil Nederland haar positie handhaven, of wellicht zelfs versterken, als (deel van) één van de belangrijkste toegangspoorten tot Europa, dan is een gezamenlijke ontwikkelingsvisie voor
deze ‘Eurodelta i.o.’ nodig.

De agorafobie van de Nederlandse ruimtelijke ordening

In Nederland lijkt de Europese eenwording slechts langzaam door te dringen in de theorie en nog langzamer in de praktijk van de ruimtelijke ordening. Hierin leek in de negentiger jaren een kentering op te treden. Vooral door de val van de muur (1989) en het openstellen van de Europese binnengrenzen (1992) werd alom ervaren dat de wereld groter was geworden.

In Nederland werd, vooral onder invloed van ‘Nederland Distributieland’, het ‘corridorconcept’ geboren. In combinatie met de ontwikkeling van de ‘mainports’ (Rotterdamse haven en Schiphol) zouden zware verbindingen met ‘het achterland’ moeten worden aangelegd om de Nederlandse centra te verbinden met andere economische centra in de Europese ‘blauwe banaan’, zoals de zone genoemd wordt die loopt van Midden-Engeland tot Noord-Italië.

Tezelfdertijd begon de EU met het streven om Trans Europese Netwerken (TEN) tot stand te brengen. De HSL-Zuid en de Betuweroute zijn duidelijke representanten van het denken
uit die periode.

Het corridordenken speelde bij de voorbereiding van de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening een grote rol, maar heeft uiteindelijk niet doorgezet. Zoals Lianne van Duinen
(2004) uiteenzet in haar magistrale dissertatie, ging dit concept – aanvankelijk vooral een visie op infrastructuurverbindingen tussen economische centra – te gronde doordat het werd
‘verrijkt’ met visies met betrekking tot bedrijfsvestigingsplaatsen en woningbouw die zich onderling slecht verhielden, zo ze elkaar niet uitsloten. De belangrijkste reden was echter het feit dat het corridorconcept door de G4 werd bestreden, omdat weglekken van economische activiteiten uit de Randstad gevreesd werd.

Het recente onderzoek van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur heeft de huiver voor grote grensoverschrijdende infrastructurele projecten nog verder vergroot. Niet ten onrechte, overigens! Bij de Betuwelijn en de HSL-Zuid, bleken afstemmingsproblemen met de partners
aan de andere kant van de nationale grens serieuze bottlenecks te zijn. (TCI 2004: Reconstructie Betuweroute pp. 64-70, Reconstructie HSL-Zuid pp.46-50) Maar is Nederland, de Randstad incluis, gebaat bij dit parochialisme?

Aanzetten tot een nieuw planningsparadigma

De nota ‘Pieken in de Delta’ probeert dit parochialisme te doorbreken: ‘wie het nationale groeivermogen wil versterken moet comparatieve voordelen van regio’s (‘pieken’) benutten in plaats van alleen maar achterstanden egaliseren’. Deze nota veronachtzaamt de potentie van de Randstad niet, maar knipt die zeer terecht op in de ‘Noordvleugel’, ‘Utrecht’ en de ‘Zuidvleugel’, drie gebieden met een zeer afwijkende economische structuur – en, zou ik daar aan toe willen voegen, netwerkrelaties. ‘Pieken’ vraagt nadrukkelijk aandacht voor grensoverschrijdende relaties als ‘Rotterdam-Antwerpen’ en herintroduceert de corridor: De mega-corridors zuid-noord en west-oost, zij het dat deze nu als ‘assen’ wordt gepresenteerd.

De Nota Ruimte geeft, in navolging van de Vijfde Nota, op zich goede aanzetten om ‘over de grens’ te kijken’. Het blijft echter voornamelijk lippendienst die aan de Europese dimensie van het ruimtelijke beleid bewezen wordt. Het Nederlandse ruimtelijk beleid lijkt nu als belangrijkste planningsconcept de ‘netwerkverstedelijking’ te hanteren. Dat hier in de richting van een ‘transnationaal’ concept wordt gedacht, blijkt uit verschillende kaartjes in de Nota. De invloed van metropolitane gebieden als het Ruhrgebied, de Vlaamse Ruit en de regio Frankfurt wordt als een kans gezien voor de stedelijke netwerken in Oost- en Zuid-Nederland.

Beleidsmatig echter stopt alles nog steeds aan de grens en van een omvattende visie is geen sprake. Zeker als we naar de investeringsprogramma’s kijken, lijkt er maar één ‘stedelijk netwerk’ te zijn dat er echt toe doet: de Randstad Holland.

Europese ruimtelijke ordening

Ruimtelijke ordening hoort niet tot de verdragstaken van de EU. Door middel van de ‘structuurfondsen’ wordt echter wel degelijk ruimtelijke politiek gevoerd. De structuurfondsen zijn er voornamelijk op gericht om achtergebleven regio’s te ondersteunen door projecten met grote ruimtelijke gevolgen te financieren. Dit doet denken aan het Nederlandse ruimtelijk beleid van ‘verdelende rechtvaardigheid’ uit de jaren zeventig (Zonneveld 2003).

Dat er met betrekking tot de aanwending van de structuurfondsen binnen de EU een - voorzichtige – verschuiving plaatsvindt van ‘verdelende rechtvaardigheid’ naar versterking van de economische structuur,kan men afleiden uit het streven naar een Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP). In 1999 stelden de Europese ministers dit EROP vast. Dit document, dat overigens iedere dwingende status mist, leek te kunnen zorgen voor een begin van een ruimtelijke visie die de uitkeringen van de structuurfondsen zou kunnen richten (RPD 1999a).

Er is veel te zeggen over het EROP, maar ik beperk me hier tot de opmerking dat het een poging is om het concept van stedelijke netwerken op Europese schaal in te vullen. De vijfhoek Hamburg-Londen-Parijs-Milaan-München werd gezien als ‘één economisch kerngebied’. Het EROP streeft een ruimtelijkeconomische structuur na zoals die in de VS bestaat met ‘meerdere kerngebieden van mondiaal belang.’ Dit wil men niet bereiken door spreiding, maar door intensivering:

‘Niet spreiding van economische activiteiten bepaalt economisch succes, maar benutting en versterking van heteigen potentieel van stedelijke gebieden.’

Het EROP zag de potentiële ontwikkeling van Rijn-Maas-Scheldedelta als een enorme kans, als één ‘integratiezone’.

In plaats van een fixatie op de Deltametropool zou het ‘Kobra’-concept, zoals voorgesteld door de ministerpresident van Noordrijn-Westfalen, gehanteerd dienen te worden: de driehoek Keulen (Köln)-Brussel-Amsterdam (RPD 1999b: 12 6-13 9).

Het EROP heeft slechts een zeer beperkte invloed op het Nederlandse ruimtelijk beleid gehad. Zonneveld (2003) telt slechts vijf verwijzingen naar het EROP in de Vijfde Nota. Ik heb deze exercitie herhaald voor de Nota Ruimte, en vond één verwijzing: naar de ‘Lijst van afkortingen’.

Einde verhaal?

Dat de EU tot nu toe geen drijvende kracht is voor ruimtelijk-economische integratie binnen de ‘Eurodelta’, ligt echter vooral aan de drie landen in deze regio zelf. In het geval van de HSL-Zuid
en de Betuweroute bleek de EU bereid om dit soort projecten te steunen: ze kregen een Europese ‘TEN-status’ en worden medegefinancierd met geld uit Europa.

Verbazingwekkend en verhelderend: in het TCI-rapport is te lezen dat het Nederlandse parlement niet of nauwelijks op de hoogte was van deze Europese dimensie (TCI 2004: Reconstructie Betuweroute. De besluitvorming uitvergroot, p. 18, Reconstructie HSL-Zuid p. 25). Misschien is het nog eigenaardiger dat ‘Europa’ de verdere transnationale coördinatie over blijkt te laten aan de lidstaat op wiens grondgebied de infrastructuur wordt aangelegd. Misschien lijkt de subsidiariteit doorgeschoten, want zelfs bij HSL en Betuweroute ontbrak een transnationale visie en transnationale coördinatie vrijwel geheel.

Met nieuw elan richting Eurodelta

Tijdens zijn speech op de laatste RPB-Ruimteconferentie liet Dirk Sijmons een dia zien van een Rotterdamse delegatie in Sjanghai, die wat schaapachtig met een Feyenoord-shirt in de hand poseert onder een ingelijst Ajax-shirt. De Amsterdammers waren ze weer net voor geweest! Wellicht dat er nu ook ingelijste shirts van ADO Den Haag en FC Utrecht hangen.

Zelfs binnen het beperkte gezelschap van de G4 blijken de afzonderlijke steden te denken dat ze los van elkaar en los van de Deltametropool een rol kunnen spelen in de mondiale economie. Hoe moeilijk zal het dan niet zijn om deze lieden in termen als ‘Eurodelta’ te laten denken en handelen?

Soms hebben de beste concepten even tijd nodig voordat de geesten er echt rijp voor zijn. Ik ben er van overtuigd dat dit bij uitstek geldt voor de Eurodelta. Het is mogelijk, omdat het noodzakelijk is.

Wel zullen de nationale overheden hier een handje moeten helpen. De ‘Eurodelta’ is, zoals zoveel deltagebieden elders op de wereld, bij uitstek geschikt om zijn positie als ‘Distributiedelta’ te
handhaven en te intensiveren indien dit in samenwerking met België en Noordrijn-Westfalen ter hand wordt genomen. Komt die transnationale Distributiedelta niet tot stand, dan zal onze positie afkalven. En zonder Distributiedelta zal er ook geen ‘Kennisdelta’ ontstaan.

We moeten ons realiseren dat ons land alleen op de schaal van de Eurodelta interessant is als logistiek knooppunt. Op dat schaalniveau hebben Rotterdam en Antwerpen dezelfde belangen.
Belangen die bovendien volledig gelijk opgaan met het belang van de grootste Europese binnenhaven Duisburg en het grote ‘multimodale knooppunt’ Keulen.

Deze Logistieke Rechthoek is perfect in staat om uit te groeien tot de belangrijkste poort van en naar het dichtstbevolkte en hoogst ontwikkelde gebied van Europa, mits er verstandig samengewerkt wordt zowel op het gebied van de ontwikkeling en exploitatie van de infrastructuur (Betuweroute, Scheldebekken, IJzeren Rijn, enzovoort) als op het gebied van
wereldwijde promotie.

In en rondom deze Logistieke Rechthoek kan een zeer kennisintensieve en creatieve economie tot bloei komen; niet alleen vanwege de logistieke kracht, maar vooral vanwege de massa in combinatie met unieke ‘plaats’-karakteristieken.

Amsterdam is ‘gemaakt’ om een belangrijke rol te (blijven) spelen in de creatieve economie van design, advertising, beeldende kunst enzovoort. De nabijheid van Schiphol draagt daar zeer veel aan bij. Amsterdam kan wel beter de pretentie laten varen dat zij een rol kan spelen als wereldzeehaven.

Als de stad zich logistiek als nichespeler opstelt, cacao en petroleum met name, is een goede toekomst mogelijk. Het bijstellen van de ambitie moet leiden tot het bijstellen van de investeringen, hetgeen geld vrijmaakt voor aantrekkelijker projecten.

Ook elders heeft de ‘Eurodelta’ grote potenties om uit te groeien tot ‘Kennisdelta’. Kenniseconomische clusters met hoge potentie bestaan nu al en ontwikkelen zich – tegen de stroom in – rond Wageningen (agro en life sciences); in de as Leuven-Eindhoven en rond Duitse topinstituten als de Technische Hochschule in Keulen. Die potenties kunnen in het brede kader van de Eurodelta tot grote bloei komen.

Tot slot

Het bredere perspectief van de Eurodelta hoeft zeker niet tot een ‘planningskramp’ te leiden. Nu zitten de Noord- en de Zuidvleugel van de Randstad voortdurend in elkaars vaarwater, juist omdat ze denken dat ze iets gezamenlijks tot stand moeten brengen.

Binnen het brede planningskader van de Eurodelta kan er juist op grensoverschrijdende regionale schaal gericht gewerkt gaan worden aan de concrete vormgeving van een bloeiende toekomst voor ons land in een mondiaal perspectief. Geen enkele productiefactor houdt zich in
werkelijkheid immers aan de grenzen. Er is veel eerder sprake van dynamische transnationale ‘netwerkrelaties’.


Literatuur
  1. Buijs, André e.a. (maart 2006), Nederland in 2015, Stichting Atlas voor Gemeenten/RIGO.
  2. Duinen, Lianne van (2004), Planning Imagery, The emergence and development of planning concepts in Dutch national spatial policy, proefschrift Universiteit van Amsterdam.
  3. IOO (2006), Quick scan regionale verdeling FES-toezeggingen; beknopte rapportage, Leiden: Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO).
  4. Louter, P.J. (1999), ‘De economie van steden en stadsgewesten: verleden en toekomst’, Elsevier.
  5. Ministerie van Economische Zaken (2004), Pieken in de Delta. Gebiedsgerichte economische perspectieven, Den Haag: Ministerie van EZ.
  6. Raad voor Verkeer & Waterstaat (2005), Samenwerken in de Eurodelta. Kansen voor de positieversterking van Nederland, België en Duitsland in het economisch kerngebied van continentaal Noordwest Europa, Den Haag: Raad voor Verkeer & Waterstaat.
  7. RPD (1999a), Ruimtelijke Verkenningen. Ruimtelijke Perspectieven in Europa, Den Haag: Ministerie van VROM.
  8. RPD (1999b), ‘Nederland: deel van een gelaagde Europese ruimte’, Den Haag: Ministerie van VROM.
  9. Tijdelijke Commissie Infrastructuur (2004a), Reconstructie Betuweroute. De besluitvorming uitvergroot.
  10. Tijdelijke Commissie Infrastructuur (2004a), Reconstructie HSL-Zuid. De besluitvorming uitvergroot.
  11. Zonneveld, Wil (2003), ‘Investeren in Europa’: ruimtelijke planning zoekt invloed’,
    in: Priemus, H, R. Kloosterman en W. Korthals Altes red. (2003), ICES, stad & infrastructuur, Assen: Van Gorcum.

VITRUVIUS, WAER BESTU BLEVEN?

OP ZOEK NAAR NIEUW EN KRACHTIG PUBLIEK OPDRACHTGEVERSCHAP
ADRI DUIVESTEIJN, TWEEDE KAMERLID VOOR DE PVDA, M.M.V. WILLEM MINDERHOUT, INHOUDELIJK MEDEWERKER VAN DUIVESTEIJN

Verschenen in: Ruimte in Debat, juni, 2005

‘Vitruvius waer bestu bleven mi lanct na di gheselle myn.’*



Nederland staat aan de vooravond van een ingrijpende ruimtelijke transformatie, waarbij de overheid eigenlijk nog slechts over publiek opdrachtgeverschap en schaarse publiek investeringen als ordenend instrument beschikt. De overheid lijkt echter nauwelijks meer in staat te zijn de rol van publieke opdrachtgever op een goede wijze te vervullen. De heersende ideologisch gemotiveerde bedrijfseconomische benadering is daar debet aan. Vitruvius’ drieslag, op sterven na dood door de neoliberale wind die door overheidsland waait, moet gereanimeerd worden. Om Nederland ook in de toekomst ruimtelijke kwaliteit te geven zullen wij weer opnieuw moeten leren het publieke opdrachtgeverschap als ordenend instrument optimaal in te zetten.

*Vrij naar het Middelnederlandse gedicht ‘Egidius waer bestu bleven’, anoniem, ca. 1380.


PUBLIEK OPDRACHTGEVERSCHAP EN DE RUIMTELIJKEORDENINGSOPGAVE

Van de drie principes van de bouwkunst van Vitruvius – de utilitas (gebruikswaarde), de venustas (belevingswaarde) en de firmitas (toekomstwaarde) – lijkt de gebruikswaarde momenteel het meeste gewicht te krijgen. Helaas heeft het huidige bedrijfseconomische denken weinig te maken met de vroegere architectuurstroming waarin ‘form follows function’ vaak op een briljante wijze werd gecombineerd met venustas en firmitas. De huidige gebruikswaarde moet vaak worden gekenschetst als het absolute ‘minimal’ uit de vele kansen op kwaliteit. Ik erken dat het evenwichtig hanteren van de drie principes van Vitruvius geen kant-en-klare antwoorden geeft op vragen met betrekking tot de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Ze hebben juist de tand des tijds doorstaan omdat ze zo vaag zijn. Iedere tijd dient er weer haar eigen betekenis aan te geven en nieuwe accenten te leggen. Het gaat echter fout als niet over alledrie de aspecten wordt nagedacht en ze niet alledrie worden meegewogen in een poging om publiek opdrachtgeverschap een nieuwe betekenis te geven.

Toen ik op 9 juni van dit jaar het eerste exemplaar van de RPB-uitgave ‘Schoonheid is geld!’ in ontvangst mocht nemen (Dammers et al. red.), herkende ik in deze uitgave mijn zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. De auteurs willen de marginale betekenis versterken die aan belevingswaarden wordt toegekend. Zij stellen voor om belevingswaarden in geld uit te drukken opdat deze een grotere rol kunnen spelen in maatschappelijke kosten-batenanalyses.

Ik vond het essay interessant, maar toch schrijnde er iets. Ik verwoordde mijn twijfel aldus: ‘Economentaal wordt zo, net als het geld in de economie zelf, de gemeenschappelijke taal, waarin belangrijke maatschappelijke besluiten worden genomen. Zie de pogingen om op economische gronden uitgaven aan kunst en cultuur te legitimeren. Ik vind dat er dan toch altijd de verkeerde taal gehanteerd wordt’ (Duivesteijn 2005a). Als het gehanteerde dialect dan ook nog dat van de bedrijfseconomen is, die immers graag binnen afzienbare termijn een ‘return on investment’ willen zien, is het vrijwel onvermijdelijk dat gebruikswaarde een onevenredig groot gewicht krijgt ten opzichte van de twee andere klassieke uitgangspunten van Vitruvius: toekomstwaarde en belevingswaarde. Ik onderken echter de noodzaak om een nieuwe gemeenschappelijke taal te ontwikkelen waarin die drie uitgangspunten weer in evenwicht zijn. Juist ook om de gebruikswaarde van publieke investeringen op een langere termijn veilig te stellen. Nederland staat aan de vooravond van een grote ruimtelijke transformatie waarbij het publieke opdrachtgeverschap nog één van de weinige concrete interventiemogelijkheden is die de overheid rest.

De Nota Ruimte is tamelijk verhullend als het gaat over de omvang van de op handen zijnde ontwerpopgave. De Vijfde Nota prognosticeerde deze opgave tot 2030 wel in kwantitatieve zin. Zo zal de bevolking toenemen van 16 tot 18 miljoen. Maar liefst dertig procent van onze ruimte zal van functie veranderen: voor ‘rood’ is 200.000 ha extra nodig, voor ‘groen’ 1 miljoen ha extra en de ruimte die door infrastructuur in beslag wordt genomen, zal bijna verdubbelen (45%.). Het agrarisch landgebruik neemt af met minimaal 170 en maximaal 145.000 ha. De fysieke afstand tussen de diverse functies zal verder toenemen, doordat de bereikbaarheid belangrijker wordt dan de nabijheid. Mede hierdoor zal de mobiliteit per auto stijgen met zo’n 60 à 75 procent.

Relevant is niet de vraag of deze cijfers kloppen. Wel dat ze duidelijk maken hoe ingrijpend Nederland in korte tijd zal gaan veranderen. De vraag is of wij ons daarop hebben voorbereid.
Bestuurlijk Nederland staat dus voor de opdracht om inhoud te geven aan een omvangrijke ontwerpopgave. Tegelijkertijd is het bijna alle instrumenten om dat te doen kwijtgeraakt. Het lijkt een logisch gevolg van de verregaande liberalisering van de ruimtelijke ordening. Door die liberalisering heeft de politiek de Rijksoverheid én zichzelf meer en meer op afstand geplaatst en bevoegdheden gedecentraliseerd. Het in de negentiger jaren ingezette streven naar ‘minder overheid, meer markt’ binnen het volkshuisvestingsbeleid geldt nu ook voor de ruimtelijke ordening. ‘Overheidsinter-venties zijn uit, marktwerking is in.’ Naar mijn overtuiging kunnen beide echter niet zonder elkaar. De markt heeft niets aan een machteloze overheid.

Publieke investeringen zouden deze machteloosheid deels kunnen compenseren. Maar ook dit instrument heeft ernstig aan kracht ingeboet. Er zijn uiteraard positieve uitzonderingen. Denk aan het stadhuis van Den Bosch, maar vooral aan investeringen in specifieke culturele voorzieningen. Het Rijksmuseum en het Muziekgebouw in Amsterdam zijn overtuigende voorbeelden van de betekenis van publiek opdrachtgeverschap. Ik zie momenteel in het publieke domein echter overwegend een bedroevend gebrek aan visie en durf en een structurele onderwaardering voor kwaliteit, voor belevings- en toekomstwaarde. Publieke investeringen zie ik, geïnspireerd door Hans Mommaas (2002), vooral als een culturele activiteit in de brede betekenis van het woord. Een taal die deze culturele dimensie goed kan verwoorden, is de taal die we nodig hebben.

DE GEVOLGEN VAN DE ECONOMISERING VAN HET DENKEN

Bij investeringen in wat als ‘rendabele belevingswaarde’ wordt beschouwd – Mommaas noemt dit de ‘de culturele factor als onderdeel van een economische groeistrategie’ –, dreigt het gevaar dat de fixatie op rendement leidt tot beslissingen die niet gericht zijn op versterking van de identiteit van de plek – Vitruvius’ venustas –, maar op de attractiviteit voor (koopkrachtige) ‘derden’. Identiteit als attractie blijft dan een oppervlakkige make-up over de werkelijkheid: een kunstmatige identiteit voor steden in travestie. David Harvey noemde in zijn RPB-lezing in De Balie de internationale faam van de Amsterdamse Wallen een zeer expliciet voorbeeld van de manier waarop steden hun identiteit prostitueren (zie Minderhout 2004). Meestal gaat het subtieler, maar om ‘verhandelbaar’ te worden, moet die uniciteit exploiteerbaar worden gemaakt. Dit brengt de nodige gevaren van vervlakking en juist verlies van uniciteit met zich mee. Zo citeerde Harvey een Amerikaan, die Europa wel leuk vond, maar de voorkeur gaf aan Disneyland omdat je daar niet zover hoeft te reizen van de ene naar de andere attractie.

De economisering van het denken houdt onvoldoende rekening met toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden. Vooral, maar niet uitsluitend, bij investeringen in de infrastructuur leidt de bedrijfseconomische benadering tot een eng rendementsdenken. Infrastructurele werken worden vooral beschouwd als ingrepen om een bepaald knelpunt op te heffen. De potentie om actief ontwikkelingen te sturen, te stimuleren, of juist af te remmen wordt onvoldoende in ogenschouw genomen. Voor effecten van de aanleg die wenselijke ruimtelijke ontwikkelingen juist uitsluiten, heeft men meestal helemaal een blinde vlek. Pogingen om tot meer integrale afwegingen te komen, zijn ondanks veel lippendienst schaars.

De veronderstelling dat kwaliteit altijd duur is, acht ik bovendien onjuist. Dat geldt wellicht voor uitzonderlijke gevallen als de Erasmusbrug, of – in extreme mate – voor het Sydney Opera House, maar er is genoegzaam aangetoond dat je voor elk budget zowel kwalitatief slechte als goede projecten kunt realiseren. Wel geldt in veel gevallen de oud-Nederlandse wijsheid, dat ‘goedkoop duurkoop is’. Veronachtzaming van de toekomstwaarde en de belevingswaarde en een focus op de gebruikswaarde, heeft uiteindelijk een averechts effect: de gebruikswaarde neemt hierdoor af. Het leidt tot eenvormigheid enerzijds en wegwerpstedenbouw en wegwerparchitectuur anderzijds. Dit zegt overigens veel over onze huidige ‘identiteit’, want ze is kenmerkend voor een samenleving waar de private ‘quick win’ belangrijker wordt gevonden dan een duurzame bijdrage aan ‘de publieke zaak’. Een herstel van de publieke zaak staat of valt bij het betrekken van de burger bij de vormgeving van de Nederlandse ruimte.

VOORBEELDEN

Hoewel op het ergste voorbereid, was ik als voorzitter van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten verbijsterd door de wijze waarop men bij grote projecten omgaat met de kwaliteit van het ontwerp. Met ‘ontwerp’ bedoel ik niet verfraaiing en opsmuk, maar wat de eerste moderne architecten vroeger ‘functionele schoonheid’ noemden. In de definitie van Yap Hong Seng: ‘Ontwerpen is de integratie van uiteenlopende problemen resulterend in vormgeving.’

De HSL is misschien wel het meest bizarre voorbeeld van wat ik ‘de teloorgang van het ontwerp’ zou willen noemen. Met torenhoge ambities is dit prestigieuze project gestart, om gedurende een mislukt aanbestedingsproces kwalitatief volledig te worden uitgekleed. En waar een overschrijding van het formele budget leidt tot grote politieke commoties, zien wij aan de andere kant dat de minister door diezelfde Tweede Kamer in het geheel niet is aangesproken op bezuinigingen op de aanvankelijk nagestreefde kwaliteit. Het is niemand duidelijk hoeveel geld er verloren is gegaan door deze bezuiniging op kwaliteit te accepteren, aangezien deze, naast de belevingswaarde, in het bijzonder de toekomstwaarde van het HSL-project sterk heeft verminderd.

Toch waren er twee belangrijke criteria voor het ontwerp: minimalisering van zowel het ruimtebeslag als de barrièrewerking. Op basis van een referentiemodel zouden deze ontwerpcriteria door middel van ‘Design & Construct’ tot een goed ingepast tracé moeten leiden. In de aanbesteding bleken echter grote coördinatieproblemen te ontstaan tussen de (vijf!) aannemers van de onderbouw onderling. Later werden deze problemen nog gecompliceerder, met de komst van de infraprovider die verantwoordelijk was voor de realisering van de bovenbouw.

Een integraal ontwerp – ‘Design & Construct’ – verwerd tot ‘Engineering & Construct’, waarbij iedere aannemer zo zijn eigen oplossingen had, die op één of andere manier aan elkaar moesten worden gebreid. Aanvullende eisen van lokale overheden werden ad hoc opgelost en droegen niet bij aan de realisatie van het nagestreefde strakke ontwerp. Wat nu gerealiseerd wordt, is daardoor niet alleen veel minder ambitieus in schoonheid dan aanvankelijk de bedoeling was, maar ook worden rond het HSL-tracé veel ruimtelijke ontwikke-lingen onnodig belemmerd als gevolg van het ruimtebeslag en de barrièrewerking van het tracé.

Werd bij de HSL in ieder geval nog een goede vormgeving nagestreefd, vaak is dat niet eens het geval. Ik mocht dat het meest schril ervaren tijdens een bijeenkomst van het bestuurlijk overleg Noordvleugel Randstad. Alle bestuurders, al dan niet verantwoordelijk voor de inrichting van de ruimte binnen hun jurisdictie, zaten hier bij elkaar om over de toekomst van de Noord-vleugel tot plannen te komen. Hier werd niet nagedacht over een – gezamenlijk – ontwerp voor de Noordvleugel. Wat er wel plaatsvond, zou ik de naam ‘onderhandelingsplanologie’ willen geven.

In een groot monopolyspel schoven de toekomstige woningbouwlocaties over de kaart, waarbij het vooral ging over de verdeling van de kwantiteiten. Wat vroeger een vanzelfsprekendheid was, namelijk een stedenbouwkundig plan – al dan niet met alternatieven en varianten – op basis waarvan gebieden als woningbouwlocatie zouden kunnen worden toegewezen, was hier volstrekt afwezig. Veel bestuurders leken er vooral in geïnteresseerd zoveel mogelijk locaties in ontwikkeling te mogen brengen. Het was de kwantiteit die telt; de kwaliteit is blijkbaar van latere zorg (Duivesteijn 2005b).

Goed publiek opdrachtgeverschap begint, naar mijn overtuiging, met het opstellen van een programma van eisen en het aanstellen van deskundigen (onder andere stedenbouwers) die in staat zijn het bestuurders mogelijk te maken besluiten te nemen op basis van plannen waarin de volledige complexiteit van de ontwerpopgave is doorgrond. Het is merkwaardig dat zoiets vanzelfsprekends in het bewustzijn van bestuurders zo ver naar de achtergrond is verdwenen. Dat is vooral jammer omdat een goed ruimtelijk plan juist ook veel ruimte kan scheppen voor een veelvoud van private initiatieven. De liberalisering van de woningmarkt lijkt het particulier initiatief (‘de markt’) alle ruimte te geven, maar schijn bedriegt. In wezen is de ontwikkeling, en daarmee de vormgeving, van onze woningen en onze woonomgeving in handen gekomen van een zeer beperkte groep projectontwikkelaars die voor een anonieme markt van ‘woonconsumenten’ bouwt. Het gevolg is een enorme uniformering van de woning en een daarmee gepaard gaande vervlakking van de woonomgeving op vrijwel alle uitbreidingslocaties.

Hier zou een rehabilitatie van het publieke opdrachtgeverschap weer ruimte kunnen en moeten bieden aan een veelvoud van particuliere initiatieven. Het opdrachtgeverschap is een mobiliseringstrategie bij uitstek, om variëteit en ‘identiteit’ tot stand te brengen.

PLAATS: PUBLIEKE INVESTERINGEN ALS ‘BEHANG’

Voor bestuurders is het werken met deskundigen een vorm van permanente educatie. Als wethouder Ruimtelijke Ordening van Den Haag werkte ik een tweetal jaren zeer intensief samen met Carel Weeber aan het Spuikwartier. Nog altijd staat zijn uitspraak in mijn geheugen gegrift, dat: ‘publieke gebouwen het behang van de stad zijn’. Het Spuikwartier moest zich naar buiten keren, met de bouw van een concertzaal en een bibliotheek. Hoe het niet moest, was te zien bij Station Den Haag Centraal. Daar waren, aldus Weeber, de Koninklijke Bibliotheek, het Rijksarchief en het Ministerie van Buitenlandse Zaken als ‘rollen behang in een hoek gezet’.

Met deze metafoor liet Weeber zien dat publieke investeringen – op zijn minst óók – moeten worden gezien als een kans om publieke ruimte vorm te geven, en te stofferen. Met een goed stedenbouwkundig plan hoeft dat meestal geen cent extra te kosten.

Publieke gebouwen, of deze nu voor overheidsinstellingen zijn bestemd of voor culturele functies, kunnen dus als ‘behang van de stad’ bijdragen aan de identiteit van diezelfde stad. De buitenkant is daarbij net zo belangrijk als de binnenkant en de verbinding tussen die twee: de toegankelijkheid. Ook dit kan ik illustreren met een goed en een slecht voorbeeld.

De recente geschiedenis van de Rijksdag vind ik een inspirerend voorbeeld. Het herenigde Duitsland besloot het gebouw met de zo beladen geschiedenis een nieuwe toekomst te geven als parlementsgebouw. Hoewel hij niet de winnaar van de competitie was, werd Norman Foster gekozen als architect.

Fosters eerste ontwerp, met een scherp onderscheid tussen oud- en nieuwbouw, werd door de opdrachtgever verworpen. Die wilde een moderne architect, maar ook een rehabilitatie van het oude gebouw. Daarop volgde een strijd tussen architect, opdrachtgever en publieke opinie, vooral over de door de opdrachtgever gewenste herbouw van de koepel. Foster was tegen, omdat hij de koepel als een symbool beschouwde van ondemocratische macht.

Het was een intense confrontatie tussen twee visies op hoe je met de geschiedenis én met de toekomst omgaat. Het leidde tot een gebouw dat je een compromis kunt noemen, maar dan wel een superieur compromis. Het meest fascinerende is dat het een gebouw is geworden van mensen. Foster heeft de bevolking op een spectaculaire manier dicht bij het parlement gebracht in een transparante, toegankelijke, openbare arena. Overal zijn doorkijkjes en zie je mensen lopen. Van een symbool van het absolutisme is de koepel omgetoverd in een democratische ‘landmark’ zonder weerga.

In welke andere hoofdstad is het parlementsgebouw de grootste toeristische attractie? In Den Haag zeker niet. Architect Pi de Bruijn heeft er destijds voor gevochten de stad te integreren in het Tweede Kamergebouw. De grote hal moest een nieuwe openbare straat worden, zodat burgers en parlement bijna automatisch met elkaars bestaan zouden worden geconfronteerd. Die strijd heeft hij verloren. Met als bizar resultaat dat je in het gebouw geen mens tegenkomt die er niet met een duidelijk doel is gekomen. Dat versterkt de neiging om het politieke bedrijf te zien als iets dat zich afgewend van de samenleving afspeelt. Zelfs bezoekers moeten met dit isolement meegaan, want terwijl de kamerleden in de wandelgangen nog naar buiten kunnen kijken, ontbreekt op de publieke tribune ieder raam. Architectuur kan de afstand tussen kiezers en gekozenen niet oplossen, maar ze kan wel bijdragen aan het verkleinen of het vergroten ervan.

Binnenkort wordt een poging ondernomen om de hal van het Tweede Kamergebouw alsnog open te stellen voor het publiek. De Rijksdag leert dat dit eigenlijk niet ver genoeg gaat. Een grondige verbouwing van het Kamergebouw om de scheiding tussen politiek en samenleving letterlijk en symbolisch te doorbreken, is geen overbodige luxe. Duitsland is ons dit keer voorgegaan met een parlementsarchitectuur waarop iedere democratie jaloers kan zijn.

TIJD: PUBLIEKE INVESTERINGEN ALS SPELBEPALERS

Ruimtelijke ingrepen leggen gebruiksmogelijkheden vast voor minstens vijftig jaar en sluiten andere gebruiksmogelijkheden dus voor diezelfde periode uit. Het ‘bouwen’ is pas het begin; daarna begint hét, of niet.

In de woorden van Seamus Heany:
We marked the pitch: four jackets for four goalposts,
That was all.
(…)
There was fleetness, furtherance, untiredness

In time that was extra, unforeseen and free.

Het beeld dat Heany hier schetst geeft precies weer wat ik bedoel met het rekening houden met toekomstige ontwikkelingen. Je legt vier jassen op een veldje en – hup! – er kan gevoetbald worden. Publiek opdrachtgeverschap kan vaak op net zo’n simpele manier betekenis geven aan de ruimte. Als je de jassen op de goede plek weet te leggen, krijgt de ruimte identiteit en functie. Hoe weet je echter welke jas je waar moet leggen?

Een goede publieke opdrachtgever is daarom zorgvuldig en beziet niet alleen de economische, maar ook de sociale en culturele ontwikkelingspotentie van een bepaalde plek. Doet hij dat niet, dan kan hij grote schadelijk effecten veroorzaken. Zo moesten bij de Rotterdamse stadsvernieuwing de door speculatiebouw tot stand gekomen rooilijnen in de oude wijken koste wat het kost worden gehandhaafd. Op sloop stond een taboe en er moest dus gerenoveerd worden. Om een maximaal economisch rendement te behalen werd er ‘opgetopt’: de zolder werd een verdieping. Het resultaat laat zich beschrijven als ‘institutionalisering van ellende’ en Rotterdam betaalt daar momenteel de prijs voor.

Er zijn gelukkig ook veel voorbeelden waar ‘de jassen’ wél op de goede plek zijn gelegd. Een van de meest spectaculaire voorbeelden, weliswaar een wat dure jas, is de bouw van het Guggenheimmuseum in Bilbao. Hier werd letterlijk en figuurlijk een restruimte middenin een verkeersknooppunt omgetoverd tot een plek met een ongekende dynamiek. Deze nieuwe ‘verkeersknoop’ ontwikkelde zich razendsnel tot een interessante stedelijke plek en werd bepalend voor het imago van Bilbao.

Op een andere schaal is er een vergelijkbare interventie in Amsterdam gaande met het nieuwe Muziekgebouw. Deze weloverwogen interventie aan de Amsterdamse IJ-oever maakt dat het IJ in het leven van cultureel Amsterdam zal worden verankerd. Daar-mee zijn bezoekers, en inwoners, van de stad naast het Nieuwe Muziekgebouw een ervaring rijker.

De kenmerken van de plek en vooral de ontwikkelingspotentie zijn aspecten waar grondig over nagedacht moet worden. Ruimtelijke ingrepen komen altijd op een ‘bepaalde plaats’ tot stand. Opdrachtgevers die in een benodigd aantal vierkante meters denken en/of in maximalisatie van de grond-exploitatie, missen een dimensie. Ook is het een misvatting dat een bouwproject bij oplevering ‘af’is. Dan begint het pas. Iedere plek is uniek, maar iedere plek is vooral uniek door zijn wisselwerking met de omgeving. Niet de vraag ‘waar is het’ is interessant, maar ‘waar ligt het ten opzichte van andere plekken?’, ‘waar heeft het (in potentie) een relatie mee?’.

Als het nadenken over de potentie van een plek leidt tot een stedenbouwkundige visie, hoeft dat niet onmiddellijk tot resultaat te leiden, maar kan er stap voor stap naar toegewerkt worden. Soms doen zich echter ineens ruimtelijke kansen voor die je, als je ze ziet, kunt grijpen. Neem bijvoorbeeld de bouw van het tien jaar geleden opgeleverde Haagse stadhuis. De plannen waren al klaar om het bestaande stadhuis uit te breiden, ergens ver van de Binnenstad, en op het Spui waren legio andere voorzieningen denkbaar. Maar deze plek in de stad had iets magisch: centraal gelegen in de stad, een OV-knooppunt, op het snijvlak van diverse onsamenhangende ‘sferen’. Hier kwamen de historische, koop-, werk-, en culturele stad samen.

In het Spuikwartier zelf vormde zich al een cluster van culturele instellingen: Philipszaal, Danstheater en het – niet voor niets kort daarvoor in die omgeving gerealiseerde – ‘Margetheater’ (Theatercentrum). Er begon zich hier weliswaar iets spannends te ontwikkelen, maar de samenhang ontbrak nog. Als het gemeentebestuur destijds op deze plek de markt zijn werk hadden laten doen, was er – in het meest gunstige geval – een bankgebouw of winkelcentrum gekomen. Deze centrale plek schreeuwde echter om een publiek bestemming. Het nieuwe stadhuis in combinatie met de centrale bibliotheek bood de mogelijkheid om de binnenstad te helen en – zie de factor tijd – heeft die binnenstad daarmee in een zeer positieve ontwikkelingsrichting gestimuleerd.

Toch is het stadhuis minder uniek dan het lijkt. Het gaat erom dat publieke opdrachtgevers zich bewust zijn van het feit dat zij dagelijks kansen hebben om het ‘geluk‘ af te dwingen. Dat kan door goed na te denken over welke functies je waar wilt realiseren en waar juist niet. Als de gelegenheid zich dan voordoet, is de bestuurder aanzet.

PUBLIEK OPDRACHTGEVERSCHAP ALS CULTURELE ACTIVITEIT

Een wedergeboorte van het publieke opdrachtgeverschap kan, naar mijn stellige overtuiging, alleen gestalte krijgen wanneer ze werkelijk samengaat met een rehabilitatie van de stedenbouw en architectuur. Opdrachtgevers moeten hun – helaas te vaak voorkomende – badinerende houding over het ontwerpvak loslaten. In de ruimtelijke ordening is het ontwerp juist bondgenoot, het integratiekader waarbinnen alle functies een betekenisvolle plek kunnen krijgen. Het voorkomt eenzijdige oplossingen en biedt de basis waarbinnen publieke belangen en doelstellingen kunnen worden veiliggesteld.

Een publieke opdrachtgever zou dus een coalitie moeten aangaan met de wereld van de stedenbouw en architectuur. De allermooiste voorbeelden van wat ik goed opdrachtgeverschap vind, vloeien voort uit een langdurige relatie van een architect/stedenbouwkundige met een stad.

Denk aan Palladio in Vicenza en Plečnik in Ljubljana. In Nederland is de hand van Berlage in Amsterdam en van Dudok in Hilversum nog steeds bepalend voor de identiteit. Ook zij kregen de tijd om architectuur te maken die op haar plek viel in de stad.

De hedendaagse Nederlandse architecten staan op een hoog (internationaal) niveau, maar hun werkterrein is vaak schraal. Waar is de band tussen architect en stad? Waar is de stad die een architect ruimte en tijd biedt? Waar is de architect met een consistente vernieuwingsdrang én een geduldige liefde voor het kleine en subtiele dat een stad bijzonder maakt? Een ontmoeting als tussen Palladio en Vicenza of tussen Plečnik en Ljubljana is zeldzaam en van alle tijden. Het kan ook nu gebeuren, hier. Waar is de publieke opdrachtgever die een dergelijke
relatie nog durft aan te gaan?

Publiek opdrachtgeverschap is altijd een culturele daad, en niet alleen als het de bouw van een theater of museum betreft. De staat van het publieke opdrachtgeverschap zegt veel over de staat van onze cultuur. Onze huidige welvaart is meer en meer gemarginaliseerd tot vooral private welvaart, die we gebruiken om ingrijpende moderniseringen door te voeren in ons persoonlijk bestaan, of om het rendement van individuele ondernemingen op te jagen. We doen dat met nieuwe informatie- en communicatiemiddelen, andere verdelingen tussen werk en vrije tijd en nadruk op lifestyle en design. Op die gebieden voltrekken zich vitale culturele ontwikkelingen. Diezelfde vitaliteit missen wij vooralsnog in het publieke opdrachtgeverschap, bijvoorbeeld bij de bouw van publieke gebouwen of bij de inrichting van de openbare ruimte.

Als ik op dit moment denk aan cultureel opdrachtgeverschap, dan denk ik dus niet alleen aan de bouw van theaters en musea, maar bijvoorbeeld ook aan de bouw van de HSL-stations. Als we een uniform programma voor een publieke functie naar een hoger plan willen tillen, dan zullen we meer aandacht moeten hebben voor de waarde van het publieke domein. De werke-lijke competitie tussen de steden die de unieke mogelijkheid hebben om een HSL-station te bouwen, ligt dan ook niet in de verscheidenheid van de programma’s. Die ligt in de vraag hoe het publieke domein waardigheid en democratische allure kan krijgen. In de HSL-projecten kan de architectuur weer een klassieke betekenis krijgen. Zie Calatrava’s station in Lyon en het in bouw zijnde station voor Ground Zero in New York, of Fosters London BAA Stansted Airport. Zo krijgt ‘identiteit’ er een nieuwe lading bij, namelijk die van een architectonische renaissance in de eenentwintigste eeuw.

Kan cultureel opdrachtgeverschap, of publiek opdrachtgeverschap als culturele activiteit, dan een afdoende antwoord geven om de door mij kort geschetste transformatieopgave waarvoor we ons gesteld zien succesvol te volbrengen? Een eerste stap is om ontwerpopgaven als zodanig te herkennen. Het Groene Hart, Waterland, de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad zijn dergelijke dringende ontwerpopgaven, maar zeker ook de ontwikkeling van ‘Schiphol’ zou een ontwerpopgave van de eerste orde moeten zijn. Voor al deze ontwerpopgaven zou moeten gelden dat op basis van een ontwerp, dat rekening houdt met de lokale kenmerken, enthousiasme en betrokkenheid kunnen worden gemobiliseerd. Zo kan publiek opdrachtgeverschap strategisch worden ingezet. Tegelijkertijd biedt het ontwerp zekerheid aan particuliere investeerders dat hun investeringen passen binnen een weloverwogen en duurzame langetermijnvisie van de overheid.

Ik denk dat de overheid ook op andere vlakken het prijsgegeven terrein moet herwinnen. Maar als publiek opdrachtgeverschap ervoor zorgt dat het stedelijke behang weer fris oogt, de jassen op de goede plaats liggen en de stedeling en de plattelandsbewoner betrokken worden en zich betrokken voelen, dan kan het spel in het stedelijke veld een boeiende aanblik geven en uitnodigen om in de geest van Vitruvius mee te werken aan een nieuwe vormgeving van Nederland. Een vormgeving waarin we onszelf herkennen en waar we trots op kunnen zijn.

LITERATUUR

Dammers, Ed, Willemieke Hornis & Jaap de Vries (red.) (2005), Schoonheid is geld! Naar een volwaardige rol van belevingswaarden in maatschappelijke kosten-batenanalyses, Rotterdam/Den Haag: NAi Uitgevers/RPB.
Duivesteijn, Adri (2005a), ’Is alles van waarde weerloos?’, RPB website.
Duivesteijn, Adri (2005b), ’De noodzaak van een inspirerend publiek opdrachtgeverschap’, in: De Gouden Piramide 2004, Rottererdam: Uitgeverij 010.
Minderhout, Willem (2004), ‘David Harvey in De Balie: De monopolistische voordelen van de eigen identiteit ‘, 04.01.2004, RPB website.
Mommaas, Hans (2002), ‘Over de culturele dimensie van de ruimte’, in: Levende Stad, Den Haag: Ministerie van VROM.
Ruimte maken, ruimte delen. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening 200/2020, Den Haag: Ministerie van VROM (2001), Hoofdstuk 4.

Water Watch Worldwide


The majority of people in the developed world can turn on their kitchen sink and shower confident that a stream of clean, potable water will come flowing out of it. This luxury is taken for granted as approximately a third of the planet’s population starves for water. In truth, however, the reality of the situation is drastic: water - the most essential of natural elements - is rapidly becoming dangerously scarce and reaching crisis proportions. In order to enhance awareness on the increasingly urgent issue of water scarcity, waste and distribution the United Nations Conference on Environment and Development (UNCED), the UN General Assembly designated 22 March of each year as the World Day for Water.

The students of International Public Management and Safety and Security Management, and Agorà Student Union of The Hague University of Applied Sciences (THU), in collaboration with the Institute of Social Studies (ISS), have organized a conference/debate to increase public awareness of global water related issues within interesting environmental, social and economic areas - Watching Water Worldwide.

This event constitutes the first student-led collaborative initiative between THU, Agorà Student Union and the ISS and, we believe, a first step in a wider effort to connect the educational institutions of the Hague and the Netherlands among themselves and with a variety of public, private, professional, governmental and non-profit organizations to further increase the quality, reputation and international recognition of Dutch tertiary education.

The conference will be day-long and feature four main workshops centred around various focus areas parallel to which a number of relevant documentaries will run. Target audience will mainly consist of international English–speaking students, as well as academic professionals. Each workshop will be led by a group of students as well as a guest speaker.


Please be advised that participants will be encouraged to register in advance and the event will be promoted throughout out Academy as well as the Institute of Social Studies. We hope to have guest speakers for each of our workshops and we believe there will be lively debate!


For more information see the ISS website.

woensdag 23 maart 2011

Ouwe meuk weer online

Ik heb mijn verzameling artikelen die (meestal) ooit ergens gepubliceerd zijn geweest en (wellicht) nog iemands interesse zouden kunnen trekken online gezet. Ze hebben allemaal al eens eerder op een website gestaan, maar die sites bestaan niet meer, of ze zitten ergens in een pdf-file.

Deze opmerkelijke activiteit op dit anders zo rustige weblog is eenmalig. De rust zal wederkeren. ;-)

Landschap zoekt boer.

Harm Evert Waalkens, Roos Vermeij en Willem Minderhout − Socialisme & Democratie 5, 2008.

Om waardevolle delen van het Nederlandse platteland te behouden moeten we er niet slechts met de blik van de stedeling naar kijken. Immers, dat platteland is niet primair een natuurgebied of park ten dienste van de stad, maar een vaak eeuwenoud cultuurlandschap.

  •  (\N)
    (\N)

De landschappelijk meest interessante delen van het Groene Hart, bijvoorbeeld, zijn gemaakt door turfstekers en melkveehouders. Als de melkveehouders verdwijnen, verdwijnt ook dit landschap en verschijnt er een broekbos. Die boeren produceren dus niet alleen melk, maar ook ‘landschap’. Een gewild product, waar een eerlijke prijs tegenover moet staan.

Hier biedt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), op grond waarvan jaarlijks 1,1 miljard euro aan inkomenssteun vanuit Brussel naar Nederlandse boeren vloeit, een uitgelezen kans. Per 1 januari 2006 is het principe van het oude systeem, ‘hoe meer productie hoe meer subsidie’, losgelaten. Voortaan krijgen agrarische bedrijven één bedrag uitgekeerd: een ‘bedrijfssubsidie’. Die wordt bepaald op basis van het totaal aan subsidies dat het bedrijf in het oude systeem ontving.

Nu wordt er in Nederland bij die berekeningen geen rekening gehouden met de aard van het bedrijf. Boeren met goed renderende grootschalige agrarische bedrijven krijgen net zo goed inkomenstoeslagen als boeren die in een economisch wat moeilijker omgeving het hoofd boven water moeten zien te houden.

Dit is echter geen Brusselse voorwaarde. Nederland kan het geld uit Europa ook gebruiken om boeren die zich inspannen voor landschapsbeheer extra te belonen. In tegenstelling tot veel andere lidstaten maken wij op dit moment nauwelijks gebruik van die mogelijkheid tot sturen. Naar aanleiding van de recente ‘Health Check’ van het GLB is die vrijheid nog vergroot. De inkomenssteun voor boeren wordt verder losgekoppeld van historische rechten.

De wijze waarop dit gebeurt kunnen de lidstaten vanaf 2009 zelf invullen. Het GLB ‘nieuwe stijl’ biedt expliciet de mogelijkheid om tien procent van de toeslagrechten af te romen en in te zetten ter bescherming van specifieke vormen van landbouw en landschapsbeheer.

Die kans moet Nederland ten volle benutten! Ons land is uniek om zijn verscheidenheid aan landschappen. Plattelanders én stedelingen zijn daar zeer aan gehecht. Bijna overal gaat het om ‘gemaakte’ cultuurlandschappen, of het nu heide is of veenweide. Via goed agrarisch beheer, in combinatie met maatregelen om open en toegankelijke landschappen met interessante natuurwaarden te versterken, kunnen gebieden als het Groene Hart een oase voor de rustzoeker blijven.

Dit is geen nostalgische heemschutterij, maar past uitstekend in het klimaatbestendig maken van onze ruimtelijke ordening. Het is niet toevallig dat er koeien op de veenweiden staan. Iets anders is op dat drassige land, ‘dikke soep’, nauwelijks mogelijk. Woningbouw lukt alleen als er flink geheid wordt en er dikke zandpakketten worden gestort. Rond Gouda moeten de straten periodiek worden opgehoogd vanwege verzakkingen. In deze tijd, waarin klimaatverandering ons dwingt om in onze hele ruimtelijke ordening het waterbeheer centraal te stellen, zouden we wel gek zijn als we doorgaan met het plannen van woonwijken in de diepe polders en het laagveen.

Onze landbouw is nog steeds in staat om, met gerichte steun, de gewenste landschappelijke waarden te produceren. Als we de spelregels van het GLB een beetje aanpassen hoeven we daar waarschijnlijk niet eens een cent extra voor uit te geven.

Sommige landschappen zijn zo robuust dat volstaan kan worden met generieke regelgeving. Zo produceert de agrarische sector in streken als Noord-Friesland, Groningen en Zeeland geheel ‘marktconform’ precies wat we willen. In de kleinschaliger landschappen, zoals het veenweidegebied in het Groene Hart, ligt dat anders. Niet lang geleden werd hier zelfs het einde van de melkveehouderij aangekondigd. Maar tijden veranderen: dankzij de gestegen melkprijzen gaat het deze bedrijven momenteel voor de wind. Evengoed ligt hier een structureel probleem: schaalvergroting en verdere rationalisatie zijn er nauwelijks mogelijk. Een gerichte financiële beloning aan boeren in het Groene Hart - maar ook bijvoorbeeld in de Achterhoek en in Drenthe - voor hun inspanningen om ondanks ‘de tucht van de markt’ aan verantwoord landschapsbeheer te blijven doen is broodnodig.

Het Nederlandse landschap kan alleen behouden blijven als de boeren er een toekomst krijgen. Zo’n duurzame agrarische toekomst kan grotendeels gefinancierd worden door landschapsbeheer een groter gewicht te geven bij de bepaling van de hoogte van de inkomenssteun aan boeren. Alleen dan krijgt het landschap de boer die het verdient.

Harm Evert Waalkens en Roos Vermeij zijn lid van de Tweede Kamer voor de PvdA.

Willem Minderhout is fractiemedewerker

Tromps ‘foresight saga’

Verschenen in Socialisme &Democratie, 3 | 2009


Eind november 2008 verscheen onder de titel Bush en Blair en het veld van eer een selectie van de columns die Bart Tromp tot zijn onverwachte dood op 20 juni 2007 voor het weekblad Elsevier schreef over de ‘war against terror’. De bundel had op geen beter moment kunnen komen, want rond dezelfde tijd verklaarde president Bush in een tv-interview, in enigszins krom Engels, dat ‘the biggest regret of all the presidency has to have been the intelligence failure in Iraq. A lot of people put their reputations on the line and said the weapons of mass destruction is a reason to remove Saddam Hussein.’

Lezers van Tromps columns herkennen hier gemakkelijk de zoveelste leugen van de scheidende president. Op 2 november 2002 schreef Tromp reeds: ‘Het is angstaanjagend dat deze Amerikaanse regering op basis van misleiding aanstuurt op een oorlog tegen Irak en het is onverantwoordelijk dat de nu demissionaire Nederlandse regering van minister-president Jan Peter Balkenende daar blindelings mee heeftingestemd.’

Een goede sociale wetenschapper herken je niet alleen aan een grondige theoretische kennis en onderzoekservaring, maar ook en vooral aan de mate waarin hij als publiek intellectueel die kennis een rol laat spelen in het maatschappelijk debat. Bart Tromp heeft zich van die laatste taak in zijn talloze artikelen voor kranten en tijdschriften en in zijn columns voor Het Parool en Elsevier op een meer dan formidabele manier gekweten.

Voor Elsevier ‘beperkte’ hij zich tot de internationale politiek. Hij begon met het schrijven van zijn column in de onheilszwangere maand september 2001, als opvolger van Pim Fortuyn, die voor een politieke carrière koos. ‘Elf september’ vormde het beginpunt en de oorlog tegen Irak werd een belangrijke rode draad door Tromps bijdragen.

Gebundeld leveren ze een belangwekkend tijdsdocument op, te vergelijken met Tromps boek Verraad op de Balkan, over het uiteenvallen van Joegoslavië. Iedereen die nog eens wil nagaan hoe en wanneer George W. Bush en Tony Blair de waarheid geweld hebben aangedaan kan dit goed gedocumenteerd terugvinden.

Tromp meende dat als de internationale rechtsorde door leugens gemanipuleerd wordt, of buiten
de orde wordt verklaard, het resultaat nooit een veiliger wereld kan zijn; het betekent terugval tot anarchie in de internationale politiek. Van begin af aan waarschuwde hij dat het interpreteren van een terreurdaad als ‘11 september’ als oorlogshandeling — en niet als misdaad — afschuwelijke consequenties zou hebben en dat het de terroristen die men meende te bestrijden juist in de kaart zou spelen.

Ook kritiseerde hij al in een zeer vroeg stadium de beroerde wijze waarop de oorlog tegen Irak werd uitgevoerd en het volledig ontbreken van een realistisch plan voor de wederopbouw. Hij was zeker niet de enige criticus van de wijze waarop Irak werd aangepakt en de bronnen waar hij zich op baseerde waren door iedereen te raadplegen.

Desalniettemin lezen Tromps columns als een ‘foresight saga’, die pijnlijk duidelijk maakt dat veel politici en commentatoren nog wat uit te leggen hebben. Tot nu toe heeft alleen voormalig minster Ben Bot hier een voorzichtig begin mee gemaakt.

Bush en Blair en het veld van eer kan ook prima dienst doen als beginpunt voor de commissie-Davids, die ten langen leste door premier Balkenende is ingesteld om de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog tegen Irak te reconstrueren.

Is er een mooiere hommage aan de veel te jong gestorven Bart Tromp denkbaar dan het beantwoorden van de vraag die hij de lezers van Elsevier op 10 maart 2007 voorhield: is Balkenende ‘een onnozele hals die zich graag van alles op zijn mouw laat spelden, of iemand die in een zaak van oorlog of vrede met opzet heeft gelogen’?

Barts ‘virtú’ in duizend woorden

Willem Minderhout, Socialisme & Democratie, B a r t T r omp | 2 0 0 7



Wil ik iets schrijven over Bart Tromp in duizend woorden? Natuurlijk. Maar wat? Het mag natuurlijk geen hagiografie worden. Het moet persoonlijk zijn. Subjectief. ‘Bart en ik.’ Maar het mag natuurlijk ook niet ontaarden in een soort zelfpromotie: ‘kijk eens hoe belangrijk ik in Barts leven was.’ Misschien een schets van het belang van Bart in mijn leven? Laat ik het proberen.

Als ik Bart tegenkwam, zei hij nooit iets als: ‘Ha, Willem.’ Hij draaide zijn hoofd een beetje naar boven en sprak me, met een lichte twinkeling in zijn ogen, plechtstatig aan met: ‘Partijgenoot!’ Zo nam hij ook de telefoon aan.

Voor mijn verjaardag in 2004 kreeg ik van Bart zijn boek Frisgewassen doedelzak. ‘Voor Willem. In dank en waardering voor zijn inspanningen voor de socialistische idee’, heeft hij erin geschreven. Twee jaar eerder noteerde hij in Het sociaal-democratisch programma: ‘Voor mijn trouwe partijgenoot.’ Ik vatte dat altijd op als ironie, maar wel, denk ik, ironie met een serieuze ondertoon. ‘De Partij’ was belangrijk voor Bart. Te belangrijk om aan willekeurige partijgenoten over te laten.

Zelf zie ik de partij als een vreemde mengeling van verschillende verschijningsvormen van ‘de idee’ van de partij in de hoofden van de leden ¬ een ‘virtueel netwerk van netwerken’, om het postmodern uit te drukken, of wat klassieker als ‘Wille und Vorstellung’. Bij Bart was de partij ¬ gezien zijn nimmer aflatende strijd tegen de verwording van beginsel en organisatie ¬ wellicht zelfs een ‘Platoons Idee’.

Margo Trappenburg verwoordde precies dat gevoel toen ze in NRC Handelsblad schreef dat ze van Bart geleerd had ‘dat je als sociaaldemocraat in Nederland lid bent van een imaginaire Partij van de Arbeid, die hemelsbreed verschilt van de reëel bestaande PvdA, en dat je dus als eenvoudig partijlid niet mag worden aangesproken op idiote beslissingen van PvdA-bewindslieden in heden en verleden.’

Achteraf interpreteer ik daarom Barts gebruik van het woord ‘partijgenoot’ bij elke begroeting als een teken dat ik was toegelaten tot zijn ‘virtuele PvdA’. En daar ben ik maar wat trots op!

Terzijde: ‘virtueel’ is afgeleid van ‘virtú’ en dat is volgens Machiavelli de politieke energie waarmee de grillige Fortuna tegemoet moet worden getreden. Was dat de reden dat Bart de vleesgeworden Fortuna, ‘Pim’, zo fel attaqueerde?

Zijn zus Greetje haalde bij de herdenkingsbijeenkomst voorafgaand aan Barts crematie het citaat van Plato aan dat Bart als motto in de Frisgewassen Doedelzak opnam: ‘Maar heb je nooit opgemerkt wat een armzalig ding dat is, een mening zonder kennis?’ Barts meningen waren altijd op kennis gebaseerd. Als praktiserend politicus probeer ik me daaraan te houden, al weet ik dat ik keer op keer faal. Te veel feiten, te weinig tijd.

Toen ik in 1994 GroenLinks verliet en me bij de PvdA aansloot, vroeg ik mij de eerste maanden af of die partij wel echt bestond. Dat was op dat moment nauwelijks het geval, maar ze begon langzaam maar zeker weer een beetje op te krabbelen. Ik besloot mij nuttig te maken voor de sociaal-democratie door ¬ modern, modern! ¬ een website te bouwen. Zo zouden de pg’s hun boodschap wereldkundig kunnen maken!

Dit optimistische begin leidde tot een jarenlange wanhopige strijd om ‘content’, die samengevat kan worden door de verzuchting die ik ooit in de latere elektronische nieuwsbrief De Rauie Regah slaakte: ‘Wegens het reces vervalt deze keer de rubriek “Geen nieuws uit de fractie”.’ In mijn zoektocht naar ‘content’ dacht ik op een zeker moment aan Bart. Als iemand een stroom kopij op gang kon houden, dan was hij dat wel.

Met lood in de schoenen vroeg ik hem of ik zijn gepubliceerde columns op mocht nemen. (Ik had één keer college van hem gehad tijdens een reeks waarin Alfred van Staden ons de beginselen van de Internationale Betrekkingen probeerde bij te brengen, dat was ¬ tot dan toe ¬ de enige ‘ontmoeting’ geweest.) Hij nodigde me uit aan de Waalsdorperweg voor een zeer onderhoudend gesprek en ik kon Bart op de lijst ‘vaste medewerkers’ van de Regah bijschrijven.

Vanaf 1999 zette ik al die columns op een aparte website. Hoewel dat geen geringe aanslag op mijn nachtrust was, deed ik dat met plezier. Niet alleen ontsloot ik Bart voor ‘de wereld’, op die manier kon ik ¬ als niet Parool-lezer ¬ zelf zijn stukjes lezen. Niet iedereen was daar overigens even blij mee. Een column over ‘Tineke Netelenbos en de Betuwelijn’ werd door veel pg’s als schandalig betiteld.

Wat ik wel las, uiteraard, was S&D. In die tijd was ik met een aantal vrienden ‘gegrepen door de mondialisering’. Met de dikke trilogie van Manuel Castells als basis wilden we de invloed van the information age op maar liefst alle aspecten van de Nederlandse maatschappij aan diepgravende beschouwingen onderwerpen. Ik greep daarvoor onder andere terug op Immanuel Wallerstein. Dat leidde tot een stukje over diens boek Utopistics. Ik vroeg Bart of dat misschien iets voor s&d was. Dat bleek een schot in de roos te zijn. Bart bleek niet alleen een groot Wallerstein-kenner te zijn ¬ dat wist ik destijds niet ¬ het sloot ook goed aan op het jaarboek over ‘hedendaags kapitalisme’ dat op het punt van verschijnen stond en waarin Bart een fors essay aan Wallerstein wijdde.

In Socialisme & Democratie, jrg. 56, nr 7/8, 1999 werd mijn stukje afgedrukt. Ik was zo trots als een aap met zeven staarten. Ik verwachtte applaus en bewondering van mijn partijgenoten vanwege het feit dat ik in dat prestigieuze periodiekwas doorgedongen. Dat bleef echter uit. Niemand bleek s&d te lezen! Dit intellectuele bolwerk bleek vooral een virtueel bolwerk te zijn. Ik was echter voorgoed voor het schrijven gewonnen.

Er is geen ruimte meer voor de voorzitterscampagne, de achtertuinbijeenkomsten bij Bart met Maarten Hajer en Paul Bordewijk waar het ‘alternatieve beginselprogramma’ ontstond, Bart en de opera, mijn scherpzinnige ontdekking dat Bart zijn hele schrijvende leven lang de voornaam van Kolakowski verkeerd gespeld heeft, over Willem van de Velde de oude en het collegiaal bestuur en wat al niet. Wordt vervolgd.

Maar nog één ding moet me van het hart. Hoewel alle vergelijkingen mank gaan, is de positie van Bart als commentator en polemist vergelijkbaar met die van Jacques de Kadt. Dat was voor de naoorlogse PvdA geen beletsel om dit lastpak een Kamerzetel aan te bieden. In die tijd hanteerden ze nog niet zulke gesofisticeerde criteria als ‘verjonging’, ‘vernieuwing’ en ‘gender mainstreaming’. Ze hielden er blijkbaar nog zoiets obsoleets als een kwaliteitsbeleid op na.

O tempora, o mores!

Stevig beleid voor drassig land

Verschenen in Socialisme & Democratie, 1 1 / 1 2 | 2 0 0 7
Roos Vermeij is woordvoerder ruimtelijke ordening voor de PvdA in de Tweede Kamer.
Willem Minderhout is inhoudelijk medewerker van Roos Vermeij.

Stelling: Tussen ‘landelijk’ en ‘stedelijk’ moeten scherpe lijnen lopen. Haagse keuzes in de ruimtelijke ordening creëren de context voor vervoers- en sociaal beleid.

Op 16 april 2002 zou de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening van VROM-minister Jan Pronk worden behandeld in de Tweede Kamer. In plaats daarvan trad het kabinet-Kok II af vanwege de kwestie Srebrenica. De contouren van de Fortuyn-revolte tekenden zich af. Het na de verkiezingen van 15 mei 2002 gevormde kabinet-Balkenende I streefde een breuk na met alles wat naar Paars zweemde. De Vijfde Nota verdween in het luchtledige.

Deze merkwaardige breuk in de Nederlandse politiek leidde tot een ongekende richtingloosheid in onze ruimtelijke ordening. Ook de Nota Ruimte ¬ in mei 2005 aangenomen door de Tweede Kamer en in januari 2006 door de Eerste Kamer ¬ heeft daaraan geen einde gemaakt. Wellicht zijn velen het vergeten, maar de Partij van de Arbeid stemde tegen deze Nota met als voornaamste argument dat een ruimtelijke hoofdstructuur ontbrak.

Ik deel de mening van Maarten Hajer dat het een lege nota is. De titel, Ruimte voor ontwikkeling, geeft aan dat dat ook precies de bedoeling is. De nota past in het streven van de eerste kabinetten-Balkenende om te breken met ‘staatsdirigisme’ en ‘maakbaarheid’. De maatschappelijke krachten moesten hun ‘eigen verantwoordelijkheid’ nemen, ook in de ruimtelijke ordening.

In mijn eerste jaar als lid van de Tweede Kamer is het mij opgevallen dat deze denktrant nog altijd dominant is. Die afstandelijke houding in het politiek-bestuurlijke debat over de ruimtelijke ordening stoort mij mateloos, omdat zo’n instelling het maken van noodzakelijke keuzes in de weg staat.

Op een vraag of ons ruimtelijk-ordeningsbeleid niet moet worden aangepast aan klimaatscenario’s componeert ook het huidige kabinet holistische bezweringsfrases als: ‘We zullen de gevolgen van klimaatverandering voor de ruimtelijke ordening en het waterbeheer tijdig en actief moeten bezien. Naast de inspanningen om de mate van klimaatverandering te verminderen legt het kabinet daarom een hoge prioriteit bij het vroegtijdig realiseren van een klimaatbestendige inrichting van Nederland.’1

Wat moet je als volksvertegenwoordiger nu beginnen met dit soort proza? Kunt u mij ook zeggen wat u precies gaat doen?

Wie?

Niet-kiezen en risico’s mijden maken deel uit van het gedragspatroon van veel politici in Den Haag en in den lande. We willen natuurlijk niet de indruk wekken dat we ons niets aantrekken van de stevige kritiek uit de samenleving ‘om er iets aan te doen’. Het resultaat is dat we van alles en nog wat een beetje doen.

Als het om ruimtelijke ordening gaat, wordt de roep vanuit de samenleving intussen steeds luider. In landelijke kranten worden hele debatreeksen aan de verloedering van het landschap gewijd. Ook de private sector, die juist van ons politici ‘ruimte voor ontwikkeling’ gekregen had, wil meer overheidsaandacht. Het bedrijfsleven ziet in dat door gebrek aan regie ruimtelijke waarden verloren gaan die het zelf niet kan produceren.

Misschien is juist doordat het Rijk het nu al weer zo’n vijf jaar laat afweten de betrokkenheid van veel mensen bij hun directe omgeving zo ongelofelijk groot geworden. Het feit dat de overheid wel degelijk een rol heeft te vervullen in de ruimtelijke ordening komt nu duidelijk aan het licht. Maar welke rol moet dat zijn? Om dat te bepalen moeten we de draden uit het verleden oppakken.

In 2001 was ik lid van een PvdA-commissie onder voorzitterschap van Bram Peper. Bij de perspresentatie van onze notitie, getiteld Open land en groene steden, zei Peper onder meer: ‘De Vijfde Nota van Pronk is indrukwekkend als je ziet wat er allemaal in staat. Minder richtinggevend als je ziet wat er de komende decennia op ons afkomt. Daarvoor zijn steviger richtingwijzers nodig.’

We wilden het vormverlies te lijf gaan, aangeduid als amorfisering (ik weet niet of de term verrommeling al was uitgevonden). De strategie die de commissie formuleerde is nog steeds bruikbaar, de richtingwijzers van toen verdienen het om te worden afgestoft.

In de ruimtelijke ordening van Nederland moeten landelijke en stedelijke gebieden nauwkeurig worden begrensd, ‘grijze’ balansgebieden moeten worden vermeden. De vakantiebungalows in het Groene Hart die Maarten Hajer noemt laten zien dat veel gebieden, zelfs Nationale Landschappen, in feite grijs zijn geworden.

Dat heeft er onder meer mee te maken dat we niet in staat zijn om de kernkwaliteiten van een te beschermen gebied juridisch adequaat te formuleren. Het is een verantwoordelijkheid van het Rijk om een helder ruimtelijk beeld te ontwikkelen van waar de grenzen tussen landelijk en stedelijk lopen.

Tot een ‘gefiguurzaagd Nederland’, zoals in de jaren zestig bij de befaamde Tweede Nota (zie het artikel van Wil Zonneveld in deze s&d), hoeft het niet te komen. Maar een strak kader is wel degelijk nodig. Daarbinnen kan dan ontwikkelingsplanologie met een duidelijke richting tot wasdom komen. Gebiedsautoriteiten onder verantwoordelijkheid van de provincies moeten binnen dit kader de uitvoering van het beleid in handen krijgen.

Om dit te realiseren zou de minister van VROM, als coμrdinerend bewindspersoon, vérgaande bevoegdheden moeten krijgen. Zij is het immers die de provincies op het juiste spoor zet en zo nodig aanwijzingen geeft. In het licht van de nieuwe Wro zullen we goed moeten nadenken over de vraag hoe deze ambitie in de praktijk gestalte kan krijgen.

Wat?

Belangrijker nog dan de mogelijkheid om te sturen, is een notie van de richting waarin je wilt sturen. Dit zijn de keuzes die ik voorsta: 'Verdichting, verdichting en verdichting'. Dat wil zeggen: het bundelen van woningbouw in ‘Ruimte’ op de kaart.

Ten tijde van de commissie-Peper was ‘Stedenland Plus’ het leidende idee binnen de PvdA. Dat ‘Stedenland’ sloeg op een strikte scheiding tussen stad en land (de benadering van de compacte stad). De ‘Plus’ sloeg op een zeer beheerste ontwikkeling van corridors, bijvoorbeeld langs lijnen van openbaar vervoer. Dit uitgangspunt heeft niets aan waarde ingeboet, zij het dat de commissie voor vraagstukken van mobiliteit te weinig oog had.

In het licht van het mirt2 kan ruimtelijke ontwikkeling het echter niet zonder een visieop mobiliteit stellen. Die mening wordt breed gedeeld. Zo stelt Adri Duivesteijn, wethouder in
Almere, de verdere ontwikkeling van voorzieningen om aan de mobiliteitsbehoefte tegemoet
te komen als voorwaarde voor ruimtelijke ontwikkeling ¬ een verstandige zet.

Ruimtelijke ordening is het integrale kader.

In Den Haag wordt veel afgewacht en onderling bediscussieerd. Het gevolg is dat bij het invullen
van de woningbouwopgave de mogelijkheden en onmogelijkheden van de infrastructuur leidend zijn. Dat is vreemd als het om nieuwe locaties gaat. Verdichting moet gepaard gaan met doordachte stedebouwkundige plannen en super-ov-systemen.

Ingrepen om tot gebiedsontwikkeling te komen ¬ of het nu om de bouw van een muziekcentrum gaat of om de aanleg van een woonwijk ¬ hebben consequenties voor de sociale omgeving en omgekeerd.

Klimaat, water en ‘groen’ zijn hoofdzaken, geen bijzaken die moeten worden ‘meegenomen’.

In het land van de ingenieurs is praktisch alles mogelijk, maar niet alles is wenselijk. Drijvende
huizen of kassen, veilig buitendijks bouwen ¬ onze mogelijkheden voor ‘adaptatie’ kennen geen grenzen. Tegelijkertijd wil niemand risico’s lopen en is de neiging groot om bij de geringste overlast naar de overheid te wijzen.


Ons klimaat, grote rivieren en drassige veenbodems vormen een wankele natuurlijke basis. Stevigheid in het beleid moet die zwakte compenseren.

Politieke moed

De combinatie van deze drie punten ¬ een focus op verdichting, een integrale benadering en
een leidende (‘structurerende’) rol voor water, klimaat en groen ¬ dwingt ons tot scherpte.

We moeten grote bouwprojecten in gebieden met een hoog risico een halt durven toeroepen.

We moeten zeer strikte regels durven opleggen aan gebieden waar een conserverend regime gewenst is, zoals het Groene Hart.

Dat de ruimtelijke-ordeningsopgave in de Randstad een lastige is, zal niemand ontkennen. Hajers suggestie om de beleidsmatige aandacht vooral op de Noord- en Zuidvleugel te richten vind ik verstandig. Naast die beide ‘vleugels’ zou ik Utrecht als een derde zelfstandig te ontwikkelen
regio rond een open Groene Hart willen onderscheiden.

Op de Randstad moeten we ons niet blindstaren.

Amsterdam is de belangrijkste kern van Nederland op velerlei gebied, maar buiten die stad ¬ zelfs buiten de Randstad ¬ gebeurt ook genoeg dat aandacht verdient. Ontwikkelingen in hoogdynamische regio’s als Gelderland en Brabant blijken zich steeds minder van de landsgrenzen aan te trekken (al blijven die hinderlijk in de praktijk). We moeten stoppen met navelstaren en onze blik naar buiten richten. Nederland is geen eiland, dat is het ook nooit geweest.

De te ontwikkelen corridors om reëel bestaande stedelijke netwerken optimaal te laten functioneren tekenen zich duidelijk af. Wat we nog missen is dat strakke nationale planningskader met een open oog voor grensoverschrijdende relaties, een uitgekiende investeringsstrategie en de wil en de mogelijkheid om die strategie ook in daden om te zetten.

Ik zet mij ervoor in om een dergelijke slagvaardige ruimtelijke politiek van de grond te krijgen, juist nu de PvdA regeringsverantwoordelijkheid draagt. Ik kan daarbij voortbouwen op het werk van mijn voorgangers Adri Duivesteijn en Co Verdaas.

De kracht van Duivesteijn ligt in zijn wijde blik. Zie bijvoorbeeld zijn pleidooi in Rubiks Ruimte3, waarin hij ¬ aan de hand van een uitgekiend plan voor de Haarlemmermeer waarin wonen, glastuinbouw, bedrijventerreinen en Schiphol gecombineerd worden ¬ de stelling betrekt dat door slim te ontwerpen de schaarse ruimte optimaal gebruikt kan worden.

Verdaas’ lessen betreffen vooral de manier waarop beslissingen over de aanleg van infrastructuur genomen zouden moeten worden. Zijn ‘zevensprong’ ¬ eerst de ruimtelijke ontwikkelingen in kaart brengen; dan mogelijkheden voor prijsbeleid overwegen; dan bezien wat er te winnen valt met mobiliteitsmanagement, inzet van openbaar vervoer en een betere benutting van de bestaande infrastructuur; en pas daarna een besluit nemen over aanleg of reconstructie van (weg)infrastructuur ¬ wordt tegenwoordig alom met de mond beleden, maar zelden goed in de praktijk gebracht.

Visie genoeg dus. We moeten toewerken naar een veel preciezere kaart van te ontwikkelen gebieden. Als woordvoerder ruimtelijke ordening maak ik graag gebruik van iconen om richting te geven aan het debat. Juist onder de noemer ‘waar bemoeit Den Haag zich mee?’ zeg ik ‘ja’ tegen de vele ontwikkelingen die ik voorbeeldig vind voor de ordening van de ruimte van Nederland.

Een volmondig ‘ja’ tegen de ontwikkeling van de Kanaalzone in Apeldoorn, een lastige maar mooie binnenstedelijke opgave. ‘Ja’ tegen de bouwopgave in Almere. ‘Ja’ tegen de plannen om Almere en Amsterdam als dubbelstad te ontwikkelen en dus ‘ja’ tegen de mega-investering die daar straks moet worden gedaan in de weg en het openbaar vervoer.

Aan de andere kant vind ik dat wij, Haagse politici, ook ‘nee’ moeten durven zeggen. ‘Nee’ tegen een nieuw bedrijventerrein in de Hoeksche Waard dat bijzondere zichtlijnen om zeep helpt. ‘Nee’ tegen het bouwen in de Zuidplaspolder op een ondergrond die de boeren daar dik water noemen. En zo zijn er meer voorbeelden.

Ordenen is kiezen. De keuze van de PvdA voor een sociaal en duurzaam Nederland moet ook tot uitdrukking komen in de wijze waarop wij onze ruimte inrichten.

Noten
1 Jacqueline Cramer, minister van Ruimte en Milieu, Reactie op motie Van Bochove en Depla over de ruimtelijke gevolgen van een worst-case klimaatscenario, 2 november 2007.
2 Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (mirt) streeft naar samenhang tussen enerzijds grote ruimtelijke projecten (zoals de verdere ontwikkeling
van nationale landschappen, de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad en locaties als
Almere, Zuid-Oost Brabant en Noord-Limburg) en anderzijds infrastructuur en (openbaar)
vervoer.
3 Adri Duivesteijn, Staf Depla, Harm Evert Waalkens, Rubiks ruimte. Naar een andere combinatie van stad, glas en land in de Deltametropool,