vrijdag 31 mei 2013

De financiele wurggreep van 'Den Haag'.


In een interview in Binnenlands Bestuur (18 januari 2013) zegt Ronald Plasterk dat hij ‘intellectueel de logica inziet’ van de uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied. ‘Maar waar je in deze tijd burgers vraagt de broekriem aan te halen, past het niet om dan de belastingen uit te breiden.’ Ik kan deze gedachtegang van onze bewindsman niet volgen. Het gaat immers niet om een verhoging van de collectieve lastendruk, maar om een verschuiving van rijksbelastingen naar lokale belastingen. Een dergelijke verschuiving lijkt niet meer dan logisch nu er sprake is van een forse decentralisatie van rijkstaken – Wmo, Participatiewet - en er wordt aangestuurd op een ongekende schaalvergroting.

Uit het feit dat ‘Den Haag’ taken naar de gemeenten schuift zonder dat deze meer grip krijgen op hun inkomsten blijkt dat het Rijk de gemeentes niet voldoende vertrouwt en stevig aan de ‘gouden koorden’ van centrale financiering wil vasthouden. De inverdieneffecten die deze decentralisatie met zich mee zou brengen, komen hierdoor in gevaar omdat er een uitgebreid controle- en verantwoordingscircus dreigt. In plaats daarvan zouden de gemeenteraden, als kaderstellend en controlerend orgaan, een belangrijke stem moeten krijgen, maar juist op de lokale democratie wordt fors bezuinigd.  

De Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor de Financiële Verhoudingen denken niet dat deze centralistische ‘have the cake and eat it too’-benadering (wel decentraliseren en efficiencywinst inboeken, maar nauwelijks zeggenschap over de wijze van besteding overdragen en geen eigen financiering toestaan) erg vruchtbaar zal zijn en ik denk dat zij daar groot gelijk in hebben. ‘De Raden achten het een gemiste kans dat op geen enkele wijze een opening wordt geboden om het decentraal belastinggebied uit te breiden onder gelijktijdige verlaging van de rijksbelastingen. De mogelijkheden van gemeenten om op enige wijze zelf invulling te geven aan de decentrale taken, eigen afwegingen te maken en risico' s op te vangen zijn daarmee minimaal.’(ROB/RfV, ‘Brief Regeerakkoord 2012, 11 december 2012)

Een opwaardering van de lokale overheid vind ik overigens een verstandige beleidsrichting. De gemeente - als ‘eerste overheid’ - kan veel effectiever en efficiënter lokale taken uitvoeren dan de rijksoverheid. Wat dat betreft geldt de subsidiariteitsdiscussie - beslissingen dienen op een zo laag mogelijk niveau genomen te worden - die de nationale overheid momenteel met ‘Europa’ voert net zo hard voor de verhouding lokaal–nationaal.

Willen de gemeenten echt effectiever worden, dan moeten ze meer zijn dan een soort door het rijk aangestuurde ‘zelfstandige’ bestuursorganen. Gemeenten zouden daadwerkelijk de kosten op de baten moeten kunnen afstemmen. De argumenten voor de vergroting van wat men het ‘lokaal belastinggebied’ noemt zijn bekend: meer ruimte om voorzieningen te bieden die aansluiten op lokale behoeften, meer budgettair verantwoordelijkheidsbesef, grotere keuzevrijheid voor burgers en bedrijven en – last not least - een bevordering van de lokale democratie.

Maar de financiële armslag van gemeenten is de laatste decennia alleen maar verder ingeperkt. Bekend zijn de afschaffing van het huurdersdeel van de OZB en de beperkingen die aan de hoogte van het eigenaarsdeel van die belasting gesteld zijn. De vereveningssystematiek van het Gemeentefonds, waarbij de waarde van het onroerend goed in een gemeente – als indicator voor de belastingcapaciteit - negatief meeweegt in de verdeling van de algemene uitkering, vormt een verdere rem op lokaal initiatief: het grootste deel van de extra belastingopbrengst als gevolg van gemeentelijke investeringen vloeit immers weg.(Zie ook Paul Bordewijk, ‘Verzin een list bij de verevening’, B&G, juli/augustus 2013.) Indien men decentralisatie serieus neemt dan zal ‘Den Haag’ deze wurggreep moeten slaken.

Uiteraard zal het rijk ervoor moeten blijven zorgen dat de voorzieningencapaciteit van de gemeenten onderling gelijk blijft. Een gemeentefonds zal daartoe nodig blijven. Ik voel me gekwalificeerd noch geroepen om te schetsen hoe het ‘lokale belastinggebied van de toekomst’ er idealiter uit zouden moeten zien. Flip de Kam heeft daar veel behartenswaardige beschouwingen aan gewijd. In Wie betaalt de staat? bepleit hij een vergroting van het aandeel van de lokale belastingen als percentage van de totale gemeentebegroting van de huidige 10% tot 25% bij een gelijkblijvende collectieve lastendruk. Hij stelt een gemengd stelsel van OZB ‘oude stijl’ en gemeentelijke opcenten op de inkomstenbelasting of een ingezetenenheffing voor. Deze ‘schets van De Kam’ kan als basis dienen voor een vergroting van het lokale belastinggebied als sluitstuk van de decentralisatie. De tijd is rijp voor een doorbraak, maar dan moet die kans wel gepakt worden.

Een overdracht van financiële bevoegdheden naar het lokaal bestuur zal mijns inziens meer dan wat ook bijdragen aan de door de PvdA nagestreefde ‘participatiestaat’. De wens uit de partijresolutie Over wat van waarde is voor ‘directe invloed van mensen op de publieke voorzieningen en de politiek in hun omgeving’ kan immers alleen tot stand komen als lokale politici ook verregaande invloed op deze voorzieningen hebben. Ook en vooral wat betreft de financiering van die voorzieningen.


Willem Minderhout


Verschenen in Socialisme & Democratie 5+6, 22 mei 2013

woensdag 10 april 2013

Uit de oude doos: Ad Hominem

De Elsevier-column van Marcel Duyvestijn Eerherstel voor Ad Melkert deed me terugdenken aan een oud stukkie dat ik op 15 december 2001 in het Haagse E Nieuws (onder de 'nom de plume' Leo Lampenpoetser) schreef. Het was de tijd waarin de hele PvdA krampachtig probeerde uit te stralen dat Ad Melkert een prima lijsttrekker was. Dat was hij echter niet en zeker niet op dat moment.

Niet dat er veel mis was met Melkert. Ad had altijd gelijk. Ad wist alles. Ad kon alles. Behalve een ding: communiceren met mensen buiten het politieke circuit. Wat dat betreft was hij zo ongeveer het spiegelbeeld van Pim Fortuijn die een en al vorm zonder inhoud was.

Het was wreed dat niemand binnen de PvdA Melkert er op attendeerde dat de partij hem op een mission impossible gestuurd had. Een of andere campagnestrateeg had wel een manier bedacht om Ad menselijker te maken. Ad bleek stiekem een keukenprinsje te zijn en het leek de campagneleiding wel leuk als hij zijn recepten zou publiceren op internet. De recepten van Ad stonden echter - hoe zal ik het zeggen - nogal ver af van de dagelijkse gestampte pot. Na Wim Kok kregen we een chef kok! Ik heb geen idee welke volksmassa's men hiermee trachtte te imponeren, maar volgens mij werkte deze actie averechts.

Hier een voorbeeld waarin Ad het simpel hield:


"Eenvoud als aanloop naar de Kerst"

Voorgerecht:

witlofwalnoot

witlofbladeren met bolle kant naar onderen het bord rondom draperen; daarin steeds een halve eetlepel walnotendressing (stukjes walnoot in frambozenazijn, walnotenolie, zeezout); in het midden een halve appel zachtjes gesmoord in boter, bestrooid met grove zwarte peper

Hoofdgerecht:

- op veler verzoek - bal gehakt! (kalfsrozemarijn)

kalfsgehakt mengen met grof gesneden knoflook, zwarte olijven, verse (hele) rozemarijnblaadjes, een ei, paneermeel, witbrood, zout, komijn en milde paprikapoeder: hiervan mooie ballen rollen en braden

begeleid door venkelstamppot (venkel in stukjes smoren in olijfolie met zeezout, mengen met een eetlepel creme fraiche en vervolgens door de aardappelpuree stampen)

Nagerecht:

mango in reepjes snijden en mengen met vanillevla

Ad Melkert
In een ultieme poging om Ad te vermenselijken leek het me verstandig om een van de spaarzame foutjes van Ad, de ESF-affaire (Nederland moest ten onrechte door het Europese Structuur Fonds uitgekeerde gelden terug betalen), uit te buiten. De PvdA had net de banden met Reaal verbroken, maar het leek me wel aardig als we de slogan van Reaal: 'Foutje bedankt! Stem Ad Melkert' zouden mogen gebruiken.  Helaas heeft het niet mogen baten.

Melkert kwam en Melkert ging als een geknakt man door de zijdeur weg. En dat had Ad niet verdiend!

 Ad Hominem
(E Nieuws PvdA Den Haag, Jaargang 2, nr 27, 15 december 2001)

Via de redacteur van dit periodiek mocht ik enkele reacties ontvangen op mijn eerste column. Daar was ik heel blij mee, want dat was ook mijn opdracht. "Dondert niet waarover het gaat, als je ze maar in beweging krijgt", zo kreeg ik te horen.

Helaas waren de reacties nogal voorspelbaar. "Dat stukje over Pim vond ik wel leuk, maar waarom zoiets flauws over onze Ad?", zo schreef AH te DH en dat geeft de algemene teneur aardig weer.

Er is hier echter sprake van een misverstand. Mijn verkiezingsleus - "Foutje bedankt! Kies Ad Melkert " - was namelijk helemaal niet als kritiek bedoeld . In tegendeel! Het was een - wat mij betreft gouden - tip. Want wat is er mis met Ad? Er is veel te weinig mis met Ad! Het is juist allemaal te perfect, tot zijn recepten aan toe.

En perfectie leidt tot brokken. Iedereen gelooft direct dat die goedige lobbes van Korthals niets over de schikking in de bouwfraudezaak wist, maar hoe legt perfecte Ad uit dat dat ESF-gedoe even aan zijn aandacht was ontsnapt, als nooit iets aan zijn aandacht ontsnapt? Ook in de heisa rond Van Gijzel heeft Ad ongetwijfeld weer het gelijk aan zijn zijde, maar de meeste PvdA-leden en stemmers zullen denken: "Blijf met je rotpoten van onze rot-Rob af!"

Ik bevind mij met deze constatering, zo niet in goed, dan toch in geleerd gezelschap. In de Groene Amsterdammer verwoordde Rick van der Ploeg het als volgt: "Ken je dat verjaardagsspelletje waarbij geliefden elkaar op de geur moeten herkennen? Misschien iets voor de PvdA-fractie. Maar hoe herken je Melkert? Die is geurloos!"

Om te voorkomen dat Melkert gezien wordt als een tweede Jean-Baptiste Grenouille moet hij dus gaan geuren en om dat te bereiken moet hij niet nog beter worden, maar juist een beetje slechter. Zoals iedere parfummaker weet zit er in een goed parfum niet alleen rozenwater, maar ook wat vocht uit de stinkklier van een of ander beest en zoals iedere liefhebber van de Indonesische keuken weet, smaakt de nasi dankzij de trasi.

Bij de VVD weten ze dat. Coryfeeen als Hans Dijkstal en Erika Terpstra doen zich schaamteloos veel dommer voor dan ze zijn. Dijkstal verklaart in de VARA-gids dat hij het liefste de hele dag naar Star Trek zit te kijken, terwijl hij in het echt natuurlijk de hele avond Scrapple from the apple, of Giant Steps op zijn tenorsax probeert te spelen en tezelfdertijd de verzamelde werken van Paul Cliteur bestudeert. Erika Terpstra verklaart dat ze heilig in reincarnatie gelooft, terwijl ze best weet dat er nooit meer een lichaam te vinden zal zijn waar zij in past. Annemarie Jorritsma doet zich juist weer veel slimmer voor dan ze is, door luidkeels te verklaren dat ze best Minister President wil worden. Denk je echt dat ze zo dom is, dat ze denkt dat iemand dat serieus neemt?

Ad meent alles serieus en dat ruikt niet, of in ieder geval niet lekker. Beetje een Brilsmurf-luchtje. Hoe komt Ad aan een aantrekkelijk geurtje?

Hij kan om te beginnen zijn recepten van wat politiekere - op de eter afgestemde - ingredienten voorzien:

Kerstrecept voor Tineke Netelenbos:

Voorgerecht:

Huizinga-salade

HaNS Huizinga met bolle kant naar onderen rondom het bord draperen en mals slaan met een spiegelei; daarna steeds, met een uurtje vertraging, een halve eetlepel walnotendressing (stukjes walnoot in frambozenazijn, walnotenolie, zeezout) toevoegen; in het midden een halve appel zachtjes gesmoord in boter. Flink inpeperen, zet desnoods bussen in.

Hoofdgerecht:

- op veler verzoek - Gegratineerde Modderkruiper

Modderkruiper zachtjes stoven met grof gesneden knoflook, zwarte olijven, verse (hele) rozemarijnblaadjes, zout, komijn en milde paprikapoeder.

Als de modderkruiper gaar is, afdekken met een mengsel van ei, paneermeel en witbrood. Een half uur grillen op 200 graden.

Begeleid door zeggekorfslakken-stamppot (zeggekorfslakjes in de schelp smoren in olijfolie met zeezout, mengen met een eetlepel creme fraiche en vervolgens door de aardappelpuree stampen)

Versier de tafel met een bosje lathyrus (Pronk-erwt), gedrapeerd in de Habitat-richtlijn.

Drink er een goed glas witbier bij, bij voorkeur Korenwolf.

Nagerecht:

Betuws Vlaflipje met gevulde Heertjes. (Geeft gegarandeerd een smeerboel.)

Nieuwjaarsrecept voor de PvdA-fractie:

Twintig kilo kapucijners op een zacht vuur verwarmen, twintig kilo uien bakken en aan de kapucijners toevoegen. Flink veel knoflook en chili-poeder toevoegen.

Vier kilo spek uitbakken en - om religieuze gevoelens te sparen - apart serveren.

Flink dooreten, dan kunnen ze in het nieuwe jaar eens een poepie laten ruiken.

donderdag 28 maart 2013

De lokale democratie is 'van waarde'

Verschenen onder de titel 'De lokale democratie is al graatmager' in Socialisme & Democratie  april 2013.

Dit kabinet wil onder regie van Ronald Plasterk een enorme decentralisatie van taken naar de lokale overheid doorvoeren in combinatie met een forse schaalvergroting. Gemeenten met minder dan honderdduizend inwoners worden niet voor deze nieuwe taken berekend geacht. Tegelijkertijd pleit de PvdA Tweede Kamerfractie, bij monde van Pierre Heijnen, voor een verkleining van de gemeenteraden. De kwaliteit van de democratie is hier niet bij gebaat. De positie van de gemeente als ‘eerste overheid’ zou juist moeten leiden tot een versterking van de lokale democratie en dus van de positie van de gemeenteraad. De ‘democratisering van de publieke zaak’ waartoe de ‘Van Waarde-resolutie’ oproept, maakt deze versterking des te noodzakelijker.

Photo Credit: <a href="http://www.flickr.com/photos/38451115@N04/5918980493/">pasukaru76</a> via <a href="http://compfight.com">

De paragraaf die was gewijd aan het binnenlands bestuur in het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA leek in sommige aspecten al voor te sorteren op een coalitie met de VVD. Net als de VVD – ‘de overheid moet minder doen en meer presteren’- bleken wij ineens ook te vinden dat de overheid ‘te groot’ was: ‘De publieke sector moet meer doen met minder mensen. Wij willen een kleinere maar krachtige rijksoverheid en minder politici in gemeenten en provincies.’  Deze formulering was volgens veel partijleden wat al te gortig en het congres – ons hoogste orgaan – maakte er "overheidsorganisaties hoeven geen vet op de botten te hebben, maar ze moeten wel voor hun taak berekend zijn" van. 1.) Dat is een formulering die een heel andere geest uitstraalt dan de oorspronkelijke tekst. Bovendien was er geen sprake meer van een uitspraak over het aantal politici. Ik had er principieel al een bezwaar tegen o overheid en volksvertegenwoordiging onder een noemer te plaatsen. Politici zijn geen ambtenaren, maar volksvertegenwoordigers die namens ons het bestuur richting geven en controleren.


Weeffout dualisering?

Ondanks deze duidelijke correctie van het congres weerhield dit Pierre Heijnen niet van om zijn initiatiefvoorstel om een ‘dualiseringscorrectie’ door te voeren in te dienen. Sinds de wet ‘dualisering gemeentebestuur’ zijn wethouders niet langer lid van de Raad. Zodra een Raadslid wethouder wordt schuift er dus een nieuw lid de Gemeenteraad binnen. Dit zou ‘een vergissing’ zijn geweest. Volgens Heijnen zou de som van het aantal wethouders en Gemeenteraadsleden weer ongeveer hetzelfde moeten zijn als voor de dualisering. Voor steden met meer dan 200.000 inwoners (de hoogste ‘staffel’) gaat het aantal Raadsleden terug van 45 naar 41. Dat is bijna 10%.

De vraag is echter of dit een ‘foutje’ in de dualiseringsoperatie was. De geestelijk vader van de wet, Douwe Jan Elzinga, wilde juist de positie van de Raad t.o.v. het college van B&W versterken. De Raad is formeel de opdrachtgever en de controleur van het college (‘kaderstelling en controle’) maar is in de praktijk veel zwakker: hoewel het presidium officieel de agenda bepaalt, bereidt het college 99,9% van de Raadsvoorstellen voor en stelt de ontwerpbegroting op. De Raad is versterkt met een griffie en een rekenkamer, maar dat is peanuts vergeleken met de ambtelijke macht die het college ter zijde staat. Raadsleden zijn amateur-politici wethouders zijn full timers.

De Raad van State constateert fijntjes: ‘dat op verschillende momenten in de parlementaire geschiedenis wisselend is gedacht over de vraag of de gemeenteraad naar aanleiding van de dualisering moet worden verkleind. Dat nuanceert de objectiviteit die besloten lijkt te liggen in de term "dualiseringscorrectie".’ De gedachte van Heijnen dat wethouders ‘eigenlijk’, net als vroeger, bij hun geestverwante fractie moeten worden opgeteld maakt van de dualisering een farce en verhult het feit dat deze maatregel – zeker voor partijen die geen wethouder leveren - een ordinaire kiesdrempelverhoging is.

Er is uiteraard geen objectieve maatstaf om het ideale aantal Gemeenteraadsleden te bepalen. Je kunt wel vergelijken. Voor steden van meer dan 200.000 inwoners betekent de teruggang van 45 naar 41 raadsleden een herstel van de situatie in 1851 toen de gemeentewet werd ingevoerd. De Raad van State herinnert ons er ook hier aan dat ‘het takenpakket van de overheid intussen aanzienlijk (is) uitgebreid’. Ook een vergelijking met stadsbesturen in de ons omringende landen geeft me de indruk dat de omvang van onze gemeenteraden zeker niet aan de grote kant is.

Plebiscitair syndroom

Uiteraard zijn er momenteel grotere problemen in Nederland en een kleinere gemeenteraad overleven we ook wel weer. Desalniettemin vind ik dit weer een symptoom van wat wijlen Bart Tromp het plebiscitair syndroom noemde. De legitimiteit van onze representatieve democratie staat onder druk en de maatregelen die genomen worden om de democratie te ‘verbeteren’ ondermijnen die legitimiteit steeds verder. Een teken aan de wand is dat op de dag dat het initiatiefvoorstel van Pierre Heijnen om gemeenteraden te verkleinen door de Tweede Kamer werd aangenomen een wetsvoorstel voor raadgevende referenda – waardoor de volksvertegenwoordiging zichzelf nog meer buiten spel zet – aangenomen. Dat is wat anders dan wat de ‘Van Waarde-resolutie voorstelt. ‘Van Waarde’ pleit voor meer grip op lokale semi-publieke voorzieningen door gemeenteraden en voor intensieve beraadslagingen met burgers. Dat vereist een sterke gemeenteraad!

Hoe verder?

Als dit kabinet zijn wil doorzet en Ronald Plasterk er in slaagt om alleen nog maar 100.000+ gemeenten te creëren zal dat op zichzelf al tot een terugloop van het aantal raadsleden leiden. Nu al neemt bij iedere gemeentelijke herindeling het aantal raadsleden terug. Een simpele rekensom leert dat als twee steden van ieder 50.000 inwoners fuseren er in plaats van 58 (29 + 29) raadsleden er onder de huidige gemeentewet 37 overblijven. Heijnen wil er daar nog eens vier afhalen. 

Tegelijkertijd zal het aantal gemeentelijke taken fors toenemen. Als mijn indruk juist is dat de PvdA vindt dat de gemeenten daarbij meer moeten zijn dan een agentschap van de rijksoverheid dan zal daar een adequaat democratisch regime voor moeten worden ontwikkeld. (Idealiter wordt hierbij – maar dat valt buiten het onderwerp van dit artikel – ook de uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied meegenomen.)

Conform ons verkiezingsprogramma en de ‘Van Waarde-resolutie’ hoort daar een gemeenteraad bij die geen vet op de botten te heeft, maar wel voor zijn taak berekend is. Om te beginnen moet de Eerste Kamer het initiatiefvoorstel van Pierre Heijnen maar naar de prullenbak verwijzen.

Willem Minderhout 

1.) Dit amendement was tot eind februari niet verwerkt in het verkiezingsprogramma dat op de PvdA-website stond. Moedwil of misverstand? Het bracht mij aanvankelijk in ieder geval flink in verwarring.

vrijdag 8 maart 2013

Twitter moet sjieker!


Enige regels die men mijns inziens in acht moet nemen om Twitter leuk te houden.  Ik zal mij er in ieder geval zelf aan proberen te houden. Mocht ik mij er in het verleden niet (helemaal) aan gehouden hebben dan vraag ik daarvoor excuses.

A: Eigen tweetgedrag.

1.       Volg alleen mensen die je interessant en/of leuk vindt.

2.       Retweet alleen tweets die je interessant en/of leuk vindt.

3.       Negeer tweets die je dom of slecht vindt, of anderszins niet waardeert.

4.       Gebruik alleen argumenten als je een tweet dom of slecht vindt, of anderszins niet waardeert en je de neiging niet kunt onderdrukken om te reageren.

B: In geval van onheuse bejegening.

1.       Verlaag je nooit tot het niveau van je discussiepartner indien deze zich niet aan de regels onder A houdt.

a.       Geen jij-bakken

b.      Geen stropoppen

c.       Geen scheldwoorden

d.      Geen naamgrappen

e.      Geen ... vul zelf maar verder in.

2.       Blijf altijd kalm redeneren, ook als uw discussiepartner schuimbekkend aan het schelden is.

3.       Helpt 2 niet: stop met reageren.

4.       Helpt 3 niet: blocken.

Zo wordt het vast sjieker.

Misschien wordt het zelfs chic!
 
Vergeet nooit: Twitter is liefde!

zaterdag 23 februari 2013

Het pesterige gezuig en de heksenjachten van PowNews zijn geen journalistiek, beste Yernaz.

Yernaz Ramautarsing bindt op de kwaliteitswebsite De Dagelijkse Standaard, het thuishonk van grote denkers als Joost Niemöller, de strijd aan met ‘ene Peter Breedveld’. Breedveld steekt zijn afkeer van de ‘journalistiek’ van PowNews niet onder stoelen of banken en dat is Yernaz een steen des aanstoots. Vooral dit stukje van Peter Breedveld was hem blijkbaar in het verkeerde keelgat geschoten. 

Zijn betoog was waarschijnlijk geheel aan mij voorbij gegaan – ik mag DDS niet bezoeken van mijn huidarts – als Yernaz niet tot mijn vriendenkring op Facebook had behoord. Ik ken hem omdat hij enige tijd bij ons op het HBO heeft gestudeerd totdat hij de sprong naar de universiteit waagde. Ik had een zwak voor Yernaz. Misschien heb ik die nog steeds. Hij is een zeer eigenzinnig type met sterke opvattingen. Hoewel ik die opvattingen – een in mijn ogen kritiekloze omarming van het libertarische gedachtegoed van Ayn Rand – geenszins deel, houd ik wel van uitgesproken figuren.  

Ik beoordeel mijn studenten uiteraard nooit op hun opvattingen maar wel op de manier waarop ze die onderbouwen. Met die intentie las ik ook Yernaz’ anti-Breedveld-vertoog. Ik vond het niet zo overtuigend. Ik noemde het op Facebook – wat kort door de bocht - een ‘lulverhaal’. Yernaz vroeg of ik dat ‘inhoudelijk wilde onderbouwen’. Bij deze.
 
Volgens Yernaz staat PowNews ‘ergens symbool voor’. Hij verzuimt echter te zeggen waar  het dan precies symbool voor staat. Hij noemt PowNews ‘het laatste beetje waarheid op televisie’ omdat ‘zij zaken benoemen die iedereen met een stel hersens kan signaleren, maar niet de tijd heeft om te onderzoeken.’ Hij onderbouwt deze stelling door de argumentatie van het PostOnLine-artikel van Marie Hemelrijk te herhalen. Hij doet er echter nog een schepje bovenop door de aanpak van PowNews met het werk van Woodward en Bernstein in de Watergate-affaire te vergelijken. Daar zal zelfs Rutger van opkijken. 

Volgens Yernaz is PowNews een adequaat middel om de luie pers – de hypocrisie, vooringenomenheid en morele lafheid van de rest van het journaille – wakker te schudden. Opmerkelijk is dat die kritiek ook uit de mond van Breedveld had kunnen komen en regelmatig komt. Lees bijvoorbeeld dit stuk. Je kunt hem wellicht veel verwijten maar niet dat hij ‘het establishment de hand boven het hoofd wil houden’.

Ik vind overigens dat zowel Yernaz als Breedveld overdrijven in hun minachting voor de pers. Er lopen gelukkig nog steeds uitstekende journalisten rond, ook op het Binnenhof. Denk aan Aukje van Roessel, Marcel ten Hooven, Tom-Jan Meeus en zo kan ik nog wel even doorgaan.  Stuk voor stuk journalistieke vaklieden waar geen greintje Pow door d’aadren stroomt.

PowNews is de overtreffende trap van slechte journalistiek die begint met de Pauwen en de Wittemannen die zichzelf veel interessanter vinden dan hun gesprekspartners en via journalistieke genieën van het Eerdmans-type die alleen geïnteresseerd zijn of hun gesprekspartners het met ze eens zijn eindigt bij de PowNews-pestkop die geen ander doel heeft dan het toevallige slachtoffer dat voor de camera verschijnt kapot, of toch op zijn minst belachelijk, te maken ter vermaak van de mensen thuis. 

Het volstaat om Chris Klomp te citeren: ‘De populistische actiezender Powned heeft geen enkele interesse in wat voor een waarheid dan ook. PowNews wil vermakelijke sturende televisie maken waarbij de kijker kan genieten van de afgang van een ander. De vragen zijn in de regel louter in een grappig sausje verpakte vooroordelen die in sneltreinvaart op het slachtoffer worden afgevuurd.’ In die zin ‘maakt’ PowNews nieuws waar het niet was tot zij met de roze plopkap op het toneel verschenen. En oh, oh, oh, wat hebben we weer gelachen. 

Tot slot zou ik graag nog willen reageren op Yernaz’ bewering dat ‘PowNews ze (‘Breedveld en mensen zoals hij’) doet denken aan de tijd toen zij nog een donder gaven om deze wereld maar ze veel beter gekleed gingen, mooiere woorden spraken en welgemanierd door het leven gingen. Het bestaan van PowNews toont het complete failliet van onze (academische) intellectuele elite.’ 

Ik begrijp echter absoluut niet wat daar staat, dus daar kan ik verder geen inhoudelijk oordeel over geven. Ik hoop echter dat Yernaz er nog steeds naar streeft om tot ‘onze academische elite’ te behoren. 

Ware dit een HBO-opstel geweest dan had ik een student met de capaciteiten van Yernaz toch nadrukkelijk gevraagd om wat zorgvuldiger te argumenteren en het wat samenhangender op te schrijven.  

donderdag 14 februari 2013

Pierre Heijnen en de langzame onttakeling van de representatieve democratie. Versie 2


BIJGEWERKTE VERSIE

Om een lange inleiding kort te houden: ik ben een vurig voorstander van de representatieve democratie. Dat onze representatieve democratie een wat kwakkelig bestaan lijdt zal ik echter niet ontkennen. Het vertrouwen in (de representanten van) politieke partijen is niet hoog wat zich vertaalt in onzekere partijen, zwalkend beleid, incidentenpolitiek, grote schommelingen in de kiezersgunst en de opkomst (en soms weer snelle ondergang) van populistische partijen als Leefbaar Nederland, SP, LPF, PVV en 50+. Om dit tij te keren komen politici met allerlei voorstellen en maatregelen die in plaats van dat ze een oplossing bieden de kwalen van de representatieve democratie alleen nog maar verergeren. Het is tekenend dat op dezelfde dag zowel het voorstel om een raadgevend referendum mogelijk te maken werd aanvaard als het voorstel van Pierre Heijnen om het aantal Gemeenteraadsleden te ‘corrigeren’.

Ik zal mij tot het laatste beperken. Waar gaat het over. Pierre Heijnen wil een ‘dualiseringscorrectie’ doorvoeren. Sinds de wet ‘dualisering gemeentebestuur’ zijn wethouders niet langer lid van de Raad. Zodra een Raadslid wethouder wordt schuift er dus een nieuw lid de Gemeenteraad binnen. Dit zou ‘een vergissing’ zijn geweest. Volgens Heijnen zou de som van het aantal wethouders en Gemeenteraadsleden weer ongeveer hetzelfde moeten zijn als voor de dualisering. Voor steden met meer dan 200.000 inwoners (de hoogste ‘staffel’) gaat het aantal Raadsleden terug van 45 naar 41. Dat is bijna 10%.

Weeffout dualisering?

De vraag is echter of dit een ‘foutje’ in de dualiseringsoperatie was. De geestelijk vader van de wet, Douwe Jan Elzinga, wilde juist de positie van de Raad t.o.v. het college van B&W versterken. De Raad is formeel de opdrachtgever en de controleur van het college (‘kaderstelling en controle’) maar is in de praktijk veel zwakker: hoewel het presidium officieel de agenda bepaalt, bereidt het college 99,9% van de Raadsvoorstellen voor en stelt de ontwerpbegroting op. De Raad is versterkt met een griffie en een rekenkamer, maar dat is peanuts vergeleken met de ambtelijke macht die het college ter zijde staat. Raadsleden zijn amateur-politici, wethouders zijn full timers.

De Raad van State constateert fijntjes: ‘dat op verschillende momenten in de parlementaire geschiedenis wisselend is gedacht over de vraag of de gemeenteraad naar aanleiding van de dualisering moet worden verkleind. Dat nuanceert de objectiviteit die besloten lijkt te liggen in de term "dualiseringscorrectie".’

Verkapte kiesdrempelverhoging.

Zoals u weet is de kiesdrempel het aantal uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels. Indien er minder zetels te verdelen zijn is dus de kiesdrempel hoger. Dit wordt alleen voor partijen die een wethouder mogen leveren ‘gecompenseerd’. Gezien het versnipperde politieke landschap is er echter vrijwel geen gemeente meer met een afspiegelingscollege. Vooral voor kleinere partijen is deze ‘correctie’ een ordinaire kiesdrempelverhoging.



Strijdig met PvdA-verkiezingsprogramma 

In het concept PvdA-verkiezingsprogramma stond: ‘De publieke sector moet meer doen met minder mensen. Wij willen een kleinere maar krachtige rijksoverheid en minder politici in gemeenten en provincies.’ Het congres - in naam 'het hoogste orgaan van de partij' - heeft deze zin geamendeerd. In het definitieve programma staat: "Overheidsorganisaties hoeven geen vet op de botten te hebben, maar ze moeten wel voor hun taak berekend zijn."  Goed, er staat niet expliciet dat de PvdA het aantal politici gelijk wil houden, maar de boodschap was duidelijk: goed functioneren dient centraal te staan en niet de vraag of het een beetje minder kan.  (Zie PS)
In de geschrapte zin was overigens so wie so sprake van een misverstand omdat ‘overheid’ en ‘politici’ hier in een adem worden genoemd. De politiek is geen onderdeel van de overheid, maar stuurt en controleert de overheid namens ons burgers. Terwijl aan de ene kant de controlitis toeslaat om de ‘output’ van allerlei op afstand gezette uitvoeringsinstanties en private partijen – van banken tot huisartsen - te kunnen meten. beknibbelen we op de volksvertegenwoordiging en gaan we vervolgens klagen dat ze hun werk niet goed doen.


Gemeente als Eerste Overheid krijgt het steeds zwaarder

Tegelijkertijd worden er steeds meer taken en bevoegdheden naar gemeenten ‘gedecentraliseerd’. Volgens het verkiezingsprogramma is de gemeente ‘de eerste overheid’. ‘De PvdA streeft ernaar overheidstaken zo dicht mogelijk bij de burgers zelf te organiseren. Daarom bevordert de PvdA decentralisatie met daarbij voldoende budget en beleidsvrijheid.’
En daar komen ze: de Jeugdzorg, de AWBZ, de participatiewet. Ga er maar aan staan.
De Raad van State merkt ook al fijntjes op: ‘Het aantal raadszetels in verhouding tot het aantal inwoners van de gemeente is in 1851 vastgesteld en sindsdien vrijwel niet meer gewijzigd. Het takenpakket van de overheid is intussen aanzienlijk uitgebreid.’

Door gemeentelijke herindelingen neemt het aantal raadsleden nu al af.

Zoals gezegd hebben steden met meer dan 200.000 inwoners nu - zoals in 1897, toen Amsterdam als grootste stad ca. 500.000 inwoners had, is vastgesteld - 45 Raadsleden. Dat is het maximum, want een hogere staffel is er niet. De regering streeft er naar om door gemeentelijke herindelingen alleen nog 100.000+ gemeenten over te houden. Een simpele rekensom leert dat als twee steden van ieder 50.000 inwoners fuseren er in plaats van 58 (29 + 29) raadsleden er onder de huidige gemeentewet 37 overblijven. Heijnen wil er daar nog eens vier afhalen.  Dit is geen theoretische exercitie: na iedere gemeentelijke herindeling neemt het aantal Gemeenteraadsleden af.

Heeft Nederland uitzonderlijk veel Raadsleden?

De Raad van State merkt op dat ’het niet zo gemakkelijk (is) een objectieve norm te vinden voor het juiste aantal leden van een gemeenteraad’. Een vergelijking met het buitenland kan in ieder geval enig licht laten schijnen op de vraag of Nederland nu zo uitzonderlijk is.
Een korte google-search gaf de volgende uitkomst:
Birmingham – 990.000 inwoners - 120 councillors
Brighton – 156.000 inwoners - 54 councillors
Dusseldorf – 590.000 inwoners - 92 Stadträte
Antwerpen  - 500.000 inwoners -  55 gemeenteraadsleden
Bordeaux – 810.000 inwoners - 61 conseillers

Het is geen diepgravende vergelijkende analyse, maar het geeft wel de indruk dat de Nederlandse situatie zo uitzonderlijk niet is.


De volksvertegenwoordiging dient juist versterkt te worden.

Paul Tang beschreef laatst in een column in De Groene hoe hij, slechts gesteund door zijn overwerkte en onderbetaalde assistent Johan, geacht werd het ministerie van Financiën in de gaten te houden. Kleinduimpje tegen de reus! Dat geldt voor volksvertegenwoordigers op alle niveaus. Je wordt geacht de gigantische stukkenstroom kritisch te verwerken, een ‘veerman tussen bestuur en samenleving’ (terminologie van Jozias van Aartsen) te zijn, contacten te onderhouden met je partij, initiatieven te ontplooien, al twitterend zo transparant mogelijk te zijn en wat al niet meer. 

Kun je dat allemaal vragen van een Raadslid dat het tegen een redelijke, maar zeker geen ruime vergoeding moet doen?

De opgave voor een land dat er een vitale democratie op na wil houden is dus niet om wegen te zoeken om het zo goedkoop mogelijk te doen, maar hoe de kwaliteit verbeterd kan worden.

Daar moet de discussie dus over gaan!  

PS:
In de eerste versie stond: 'In het PvdA-verkiezingsprogramma staat: ‘De publieke sector moet meer doen met minder mensen. Wij willen een kleinere maar krachtige rijksoverheid en minder politici in gemeenten en provincies.’ Ik was ervan overtuigd dat deze zin eruit geamendeerd was door het congres, maar hij staat er nog. Of ik abuis ben, of dat dit er door een mengeling van moedwil en misverstand in is blijven staan weet ik niet.'
Ondertussen weet ik het wel, zoals u in de tekst kunt lezen. Frank Poppe heeft me bijgepraat. De door mij gewraakte zinsnede was wel degelijk geamendeerd en vervangen door: "Overheidsorganisaties hoeven geen vet op de botten te hebben, maar ze moeten wel voor hun taak berekend zijn."  De definitieve - door het congres goedgekeurde - versie van het PvdA-verkiezingsprogramma bleek (nog steeds niet) niet op de website te staan. In plaats daarvan staat (stond?) er een concept-versie on line waarin dit amendement niet was verwerkt.
Is dit gewone slordigheid of een symptoom van de geringe waarde die zelfs binnen een partij zelf aan het verkiezingsprogramma wordt gehecht? 
Uiteraard weet ik nu niet of Pierre Heijnen willens en wetens tegen de geest van het verkiezingsprogramma inging, of dat hij - op grond van een verkeerde versie - dacht dat hij handelde in de lijn van het verkiezingsprogramma.
Hopelijk heeft als u dit leest de 'juiste versie' van het programma eindelijk zijn weg naar de website van de PvdA gevonden.

Dit is in zekere zin een vervolg op dit blog >>>
 

zaterdag 1 december 2012

De Leunstoel is bepaald geen ‘massamedium’


Interview Willem Minderhout, schrijver voor internetmagazine De Leunstoel

Door Ivar Lingen

De Leunstoel: een internetmagazine voor rustige mensen. Schrijvers die vanuit hun leunstoel de wereld overdenken. De onderwerpen die de medewerkers van het internettijdschrift behandelen zijn zeer uiteenlopend, maar hebben een zekere ironische distantie gemeen. Theo Capel en Frits Hoorweg waren tien jaar geleden op het idee gekomen om een weekblad te maken dat alleen via internet te verkrijgen zou zijn. Zij hadden de ambitie om een soort ‘zaterdagbijlage’ te maken, maar dan één die zij zelf leuk en interessant vonden. Minderhout is vanaf de tweede jaargang een vaste medewerker van het magazine.

Minderhout schrijft over allerlei zaken waar op een of andere manier een aardig verhaal in zit, liefst met onalledaagse associaties. Het kan over werelpolitiek, literatuur, of een over een vogeltje dat aan is komen vliegen gaan. Ook maakt hij regelmatig interviews. Alles loopt vrij ongepland. De tweewekelijkse deadline is voor hem enerzijds een verschrikkelijke gesel, maar anderzijds dwingt het hem om er steeds weer iets uit te persen. “Dat is een noodzakelijk kwaad voor een ‘deadlinegestuurd’ persoon als ik.”

Reacties op zijn ‘Leunstoel-stukjes’ krijgt hij zelden. “Maar soms kom je een wildvreemde tegen die De Leunstoel regelmatig blijkt te lezen. Dat vind ik erg leuk. Ik ben uiteraard benieuwd wat anderen van al dat geschrijf vinden maar het blijft toch een beetje flessenpost.” Hij heeft twee keer iets op FrontaalNaakt gepubliceerd, over de SGP en over cultuurrelativisme, en daar werd direct veel op gereageerd. “Dat zal wel iets met de aard van de onderwerpen te maken hebben gehad, maar vast ook met het medium.”

De Leunstoel is bepaald geen ‘massamedium’. “We hebben vijf tot tienduizend bezoekers per maand. Er zit een metertje op de site dat aangeeft hoe vaak een artikel gelezen is. Daaraan kun je wel zien dat het niet erg storm loopt als er een nieuwe uitkomt.” Toch wordt de Leunstoel niet slecht gelezen. “Het is blijkbaar 'slow reading'. Na verloop van tijd is alles wel minstens een paar honderd keer gelezen en soms loopt het in de duizenden”, reageert hij. Zijn interview met Joris Voorhoeve, bijvoorbeeld maar ook een artikel over de brievenboeken van Reve en Apollinairebleek om een of andere reden duizenden lezers te trekken. Dat zijn weliswaar nog steeds geen GeenStijl-cijfers, maar dat is de prijs die je betaalt als je wel stijl hebt”, aldus Minderhout.

Minderhout heeft altijd geschreven dus hij vermoedt dat hij dat ook zal blijven doen. Schrijven is voor hem een manier om zichzelf en de wereld om hem heen te onderzoeken. Hij schrijft dus voor zichzelf, maar hij hoopt dat anderen het lezen en het ook leuk vinden, anders heeft publicatie geen zin. “Hoe lang De Leunstoel het volhoudt is met geen mogelijkheid in te schatten”, denkt Minderhout. Hij concludeert dat De Leunstoel nog lang niet ‘af’ is. Sterker nog, De Leunstoel groeit: “Onlangs is er een flink aantal nieuwe schrijvers bij gekomen. Dat werd ook wel eens tijd. De meesten heb ik van Twitter geplukt en er zit een voormalige studente van mij bij.” De Leunstoel is aan zijn tiende jaargang bezig en dat vindt hij op zich al een hele prestatie. “Wij zijn nog steeds erg enthousiast bezig, dus wie weet halen wij die twintigste jaargang ook nog wel”, zegt hij glimlachend.

Al Minderhout's Leunstoelstukjes vindt u hier op een rij >>>