Posts tonen met het label democratie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label democratie. Alle posts tonen

donderdag 28 maart 2013

De lokale democratie is 'van waarde'

Verschenen onder de titel 'De lokale democratie is al graatmager' in Socialisme & Democratie  april 2013.

Dit kabinet wil onder regie van Ronald Plasterk een enorme decentralisatie van taken naar de lokale overheid doorvoeren in combinatie met een forse schaalvergroting. Gemeenten met minder dan honderdduizend inwoners worden niet voor deze nieuwe taken berekend geacht. Tegelijkertijd pleit de PvdA Tweede Kamerfractie, bij monde van Pierre Heijnen, voor een verkleining van de gemeenteraden. De kwaliteit van de democratie is hier niet bij gebaat. De positie van de gemeente als ‘eerste overheid’ zou juist moeten leiden tot een versterking van de lokale democratie en dus van de positie van de gemeenteraad. De ‘democratisering van de publieke zaak’ waartoe de ‘Van Waarde-resolutie’ oproept, maakt deze versterking des te noodzakelijker.

Photo Credit: <a href="http://www.flickr.com/photos/38451115@N04/5918980493/">pasukaru76</a> via <a href="http://compfight.com">

De paragraaf die was gewijd aan het binnenlands bestuur in het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA leek in sommige aspecten al voor te sorteren op een coalitie met de VVD. Net als de VVD – ‘de overheid moet minder doen en meer presteren’- bleken wij ineens ook te vinden dat de overheid ‘te groot’ was: ‘De publieke sector moet meer doen met minder mensen. Wij willen een kleinere maar krachtige rijksoverheid en minder politici in gemeenten en provincies.’  Deze formulering was volgens veel partijleden wat al te gortig en het congres – ons hoogste orgaan – maakte er "overheidsorganisaties hoeven geen vet op de botten te hebben, maar ze moeten wel voor hun taak berekend zijn" van. 1.) Dat is een formulering die een heel andere geest uitstraalt dan de oorspronkelijke tekst. Bovendien was er geen sprake meer van een uitspraak over het aantal politici. Ik had er principieel al een bezwaar tegen o overheid en volksvertegenwoordiging onder een noemer te plaatsen. Politici zijn geen ambtenaren, maar volksvertegenwoordigers die namens ons het bestuur richting geven en controleren.


Weeffout dualisering?

Ondanks deze duidelijke correctie van het congres weerhield dit Pierre Heijnen niet van om zijn initiatiefvoorstel om een ‘dualiseringscorrectie’ door te voeren in te dienen. Sinds de wet ‘dualisering gemeentebestuur’ zijn wethouders niet langer lid van de Raad. Zodra een Raadslid wethouder wordt schuift er dus een nieuw lid de Gemeenteraad binnen. Dit zou ‘een vergissing’ zijn geweest. Volgens Heijnen zou de som van het aantal wethouders en Gemeenteraadsleden weer ongeveer hetzelfde moeten zijn als voor de dualisering. Voor steden met meer dan 200.000 inwoners (de hoogste ‘staffel’) gaat het aantal Raadsleden terug van 45 naar 41. Dat is bijna 10%.

De vraag is echter of dit een ‘foutje’ in de dualiseringsoperatie was. De geestelijk vader van de wet, Douwe Jan Elzinga, wilde juist de positie van de Raad t.o.v. het college van B&W versterken. De Raad is formeel de opdrachtgever en de controleur van het college (‘kaderstelling en controle’) maar is in de praktijk veel zwakker: hoewel het presidium officieel de agenda bepaalt, bereidt het college 99,9% van de Raadsvoorstellen voor en stelt de ontwerpbegroting op. De Raad is versterkt met een griffie en een rekenkamer, maar dat is peanuts vergeleken met de ambtelijke macht die het college ter zijde staat. Raadsleden zijn amateur-politici wethouders zijn full timers.

De Raad van State constateert fijntjes: ‘dat op verschillende momenten in de parlementaire geschiedenis wisselend is gedacht over de vraag of de gemeenteraad naar aanleiding van de dualisering moet worden verkleind. Dat nuanceert de objectiviteit die besloten lijkt te liggen in de term "dualiseringscorrectie".’ De gedachte van Heijnen dat wethouders ‘eigenlijk’, net als vroeger, bij hun geestverwante fractie moeten worden opgeteld maakt van de dualisering een farce en verhult het feit dat deze maatregel – zeker voor partijen die geen wethouder leveren - een ordinaire kiesdrempelverhoging is.

Er is uiteraard geen objectieve maatstaf om het ideale aantal Gemeenteraadsleden te bepalen. Je kunt wel vergelijken. Voor steden van meer dan 200.000 inwoners betekent de teruggang van 45 naar 41 raadsleden een herstel van de situatie in 1851 toen de gemeentewet werd ingevoerd. De Raad van State herinnert ons er ook hier aan dat ‘het takenpakket van de overheid intussen aanzienlijk (is) uitgebreid’. Ook een vergelijking met stadsbesturen in de ons omringende landen geeft me de indruk dat de omvang van onze gemeenteraden zeker niet aan de grote kant is.

Plebiscitair syndroom

Uiteraard zijn er momenteel grotere problemen in Nederland en een kleinere gemeenteraad overleven we ook wel weer. Desalniettemin vind ik dit weer een symptoom van wat wijlen Bart Tromp het plebiscitair syndroom noemde. De legitimiteit van onze representatieve democratie staat onder druk en de maatregelen die genomen worden om de democratie te ‘verbeteren’ ondermijnen die legitimiteit steeds verder. Een teken aan de wand is dat op de dag dat het initiatiefvoorstel van Pierre Heijnen om gemeenteraden te verkleinen door de Tweede Kamer werd aangenomen een wetsvoorstel voor raadgevende referenda – waardoor de volksvertegenwoordiging zichzelf nog meer buiten spel zet – aangenomen. Dat is wat anders dan wat de ‘Van Waarde-resolutie voorstelt. ‘Van Waarde’ pleit voor meer grip op lokale semi-publieke voorzieningen door gemeenteraden en voor intensieve beraadslagingen met burgers. Dat vereist een sterke gemeenteraad!

Hoe verder?

Als dit kabinet zijn wil doorzet en Ronald Plasterk er in slaagt om alleen nog maar 100.000+ gemeenten te creëren zal dat op zichzelf al tot een terugloop van het aantal raadsleden leiden. Nu al neemt bij iedere gemeentelijke herindeling het aantal raadsleden terug. Een simpele rekensom leert dat als twee steden van ieder 50.000 inwoners fuseren er in plaats van 58 (29 + 29) raadsleden er onder de huidige gemeentewet 37 overblijven. Heijnen wil er daar nog eens vier afhalen. 

Tegelijkertijd zal het aantal gemeentelijke taken fors toenemen. Als mijn indruk juist is dat de PvdA vindt dat de gemeenten daarbij meer moeten zijn dan een agentschap van de rijksoverheid dan zal daar een adequaat democratisch regime voor moeten worden ontwikkeld. (Idealiter wordt hierbij – maar dat valt buiten het onderwerp van dit artikel – ook de uitbreiding van het gemeentelijk belastinggebied meegenomen.)

Conform ons verkiezingsprogramma en de ‘Van Waarde-resolutie’ hoort daar een gemeenteraad bij die geen vet op de botten te heeft, maar wel voor zijn taak berekend is. Om te beginnen moet de Eerste Kamer het initiatiefvoorstel van Pierre Heijnen maar naar de prullenbak verwijzen.

Willem Minderhout 

1.) Dit amendement was tot eind februari niet verwerkt in het verkiezingsprogramma dat op de PvdA-website stond. Moedwil of misverstand? Het bracht mij aanvankelijk in ieder geval flink in verwarring.

donderdag 14 februari 2013

Pierre Heijnen en de langzame onttakeling van de representatieve democratie. Versie 2


BIJGEWERKTE VERSIE

Om een lange inleiding kort te houden: ik ben een vurig voorstander van de representatieve democratie. Dat onze representatieve democratie een wat kwakkelig bestaan lijdt zal ik echter niet ontkennen. Het vertrouwen in (de representanten van) politieke partijen is niet hoog wat zich vertaalt in onzekere partijen, zwalkend beleid, incidentenpolitiek, grote schommelingen in de kiezersgunst en de opkomst (en soms weer snelle ondergang) van populistische partijen als Leefbaar Nederland, SP, LPF, PVV en 50+. Om dit tij te keren komen politici met allerlei voorstellen en maatregelen die in plaats van dat ze een oplossing bieden de kwalen van de representatieve democratie alleen nog maar verergeren. Het is tekenend dat op dezelfde dag zowel het voorstel om een raadgevend referendum mogelijk te maken werd aanvaard als het voorstel van Pierre Heijnen om het aantal Gemeenteraadsleden te ‘corrigeren’.

Ik zal mij tot het laatste beperken. Waar gaat het over. Pierre Heijnen wil een ‘dualiseringscorrectie’ doorvoeren. Sinds de wet ‘dualisering gemeentebestuur’ zijn wethouders niet langer lid van de Raad. Zodra een Raadslid wethouder wordt schuift er dus een nieuw lid de Gemeenteraad binnen. Dit zou ‘een vergissing’ zijn geweest. Volgens Heijnen zou de som van het aantal wethouders en Gemeenteraadsleden weer ongeveer hetzelfde moeten zijn als voor de dualisering. Voor steden met meer dan 200.000 inwoners (de hoogste ‘staffel’) gaat het aantal Raadsleden terug van 45 naar 41. Dat is bijna 10%.

Weeffout dualisering?

De vraag is echter of dit een ‘foutje’ in de dualiseringsoperatie was. De geestelijk vader van de wet, Douwe Jan Elzinga, wilde juist de positie van de Raad t.o.v. het college van B&W versterken. De Raad is formeel de opdrachtgever en de controleur van het college (‘kaderstelling en controle’) maar is in de praktijk veel zwakker: hoewel het presidium officieel de agenda bepaalt, bereidt het college 99,9% van de Raadsvoorstellen voor en stelt de ontwerpbegroting op. De Raad is versterkt met een griffie en een rekenkamer, maar dat is peanuts vergeleken met de ambtelijke macht die het college ter zijde staat. Raadsleden zijn amateur-politici, wethouders zijn full timers.

De Raad van State constateert fijntjes: ‘dat op verschillende momenten in de parlementaire geschiedenis wisselend is gedacht over de vraag of de gemeenteraad naar aanleiding van de dualisering moet worden verkleind. Dat nuanceert de objectiviteit die besloten lijkt te liggen in de term "dualiseringscorrectie".’

Verkapte kiesdrempelverhoging.

Zoals u weet is de kiesdrempel het aantal uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels. Indien er minder zetels te verdelen zijn is dus de kiesdrempel hoger. Dit wordt alleen voor partijen die een wethouder mogen leveren ‘gecompenseerd’. Gezien het versnipperde politieke landschap is er echter vrijwel geen gemeente meer met een afspiegelingscollege. Vooral voor kleinere partijen is deze ‘correctie’ een ordinaire kiesdrempelverhoging.



Strijdig met PvdA-verkiezingsprogramma 

In het concept PvdA-verkiezingsprogramma stond: ‘De publieke sector moet meer doen met minder mensen. Wij willen een kleinere maar krachtige rijksoverheid en minder politici in gemeenten en provincies.’ Het congres - in naam 'het hoogste orgaan van de partij' - heeft deze zin geamendeerd. In het definitieve programma staat: "Overheidsorganisaties hoeven geen vet op de botten te hebben, maar ze moeten wel voor hun taak berekend zijn."  Goed, er staat niet expliciet dat de PvdA het aantal politici gelijk wil houden, maar de boodschap was duidelijk: goed functioneren dient centraal te staan en niet de vraag of het een beetje minder kan.  (Zie PS)
In de geschrapte zin was overigens so wie so sprake van een misverstand omdat ‘overheid’ en ‘politici’ hier in een adem worden genoemd. De politiek is geen onderdeel van de overheid, maar stuurt en controleert de overheid namens ons burgers. Terwijl aan de ene kant de controlitis toeslaat om de ‘output’ van allerlei op afstand gezette uitvoeringsinstanties en private partijen – van banken tot huisartsen - te kunnen meten. beknibbelen we op de volksvertegenwoordiging en gaan we vervolgens klagen dat ze hun werk niet goed doen.


Gemeente als Eerste Overheid krijgt het steeds zwaarder

Tegelijkertijd worden er steeds meer taken en bevoegdheden naar gemeenten ‘gedecentraliseerd’. Volgens het verkiezingsprogramma is de gemeente ‘de eerste overheid’. ‘De PvdA streeft ernaar overheidstaken zo dicht mogelijk bij de burgers zelf te organiseren. Daarom bevordert de PvdA decentralisatie met daarbij voldoende budget en beleidsvrijheid.’
En daar komen ze: de Jeugdzorg, de AWBZ, de participatiewet. Ga er maar aan staan.
De Raad van State merkt ook al fijntjes op: ‘Het aantal raadszetels in verhouding tot het aantal inwoners van de gemeente is in 1851 vastgesteld en sindsdien vrijwel niet meer gewijzigd. Het takenpakket van de overheid is intussen aanzienlijk uitgebreid.’

Door gemeentelijke herindelingen neemt het aantal raadsleden nu al af.

Zoals gezegd hebben steden met meer dan 200.000 inwoners nu - zoals in 1897, toen Amsterdam als grootste stad ca. 500.000 inwoners had, is vastgesteld - 45 Raadsleden. Dat is het maximum, want een hogere staffel is er niet. De regering streeft er naar om door gemeentelijke herindelingen alleen nog 100.000+ gemeenten over te houden. Een simpele rekensom leert dat als twee steden van ieder 50.000 inwoners fuseren er in plaats van 58 (29 + 29) raadsleden er onder de huidige gemeentewet 37 overblijven. Heijnen wil er daar nog eens vier afhalen.  Dit is geen theoretische exercitie: na iedere gemeentelijke herindeling neemt het aantal Gemeenteraadsleden af.

Heeft Nederland uitzonderlijk veel Raadsleden?

De Raad van State merkt op dat ’het niet zo gemakkelijk (is) een objectieve norm te vinden voor het juiste aantal leden van een gemeenteraad’. Een vergelijking met het buitenland kan in ieder geval enig licht laten schijnen op de vraag of Nederland nu zo uitzonderlijk is.
Een korte google-search gaf de volgende uitkomst:
Birmingham – 990.000 inwoners - 120 councillors
Brighton – 156.000 inwoners - 54 councillors
Dusseldorf – 590.000 inwoners - 92 Stadträte
Antwerpen  - 500.000 inwoners -  55 gemeenteraadsleden
Bordeaux – 810.000 inwoners - 61 conseillers

Het is geen diepgravende vergelijkende analyse, maar het geeft wel de indruk dat de Nederlandse situatie zo uitzonderlijk niet is.


De volksvertegenwoordiging dient juist versterkt te worden.

Paul Tang beschreef laatst in een column in De Groene hoe hij, slechts gesteund door zijn overwerkte en onderbetaalde assistent Johan, geacht werd het ministerie van Financiën in de gaten te houden. Kleinduimpje tegen de reus! Dat geldt voor volksvertegenwoordigers op alle niveaus. Je wordt geacht de gigantische stukkenstroom kritisch te verwerken, een ‘veerman tussen bestuur en samenleving’ (terminologie van Jozias van Aartsen) te zijn, contacten te onderhouden met je partij, initiatieven te ontplooien, al twitterend zo transparant mogelijk te zijn en wat al niet meer. 

Kun je dat allemaal vragen van een Raadslid dat het tegen een redelijke, maar zeker geen ruime vergoeding moet doen?

De opgave voor een land dat er een vitale democratie op na wil houden is dus niet om wegen te zoeken om het zo goedkoop mogelijk te doen, maar hoe de kwaliteit verbeterd kan worden.

Daar moet de discussie dus over gaan!  

PS:
In de eerste versie stond: 'In het PvdA-verkiezingsprogramma staat: ‘De publieke sector moet meer doen met minder mensen. Wij willen een kleinere maar krachtige rijksoverheid en minder politici in gemeenten en provincies.’ Ik was ervan overtuigd dat deze zin eruit geamendeerd was door het congres, maar hij staat er nog. Of ik abuis ben, of dat dit er door een mengeling van moedwil en misverstand in is blijven staan weet ik niet.'
Ondertussen weet ik het wel, zoals u in de tekst kunt lezen. Frank Poppe heeft me bijgepraat. De door mij gewraakte zinsnede was wel degelijk geamendeerd en vervangen door: "Overheidsorganisaties hoeven geen vet op de botten te hebben, maar ze moeten wel voor hun taak berekend zijn."  De definitieve - door het congres goedgekeurde - versie van het PvdA-verkiezingsprogramma bleek (nog steeds niet) niet op de website te staan. In plaats daarvan staat (stond?) er een concept-versie on line waarin dit amendement niet was verwerkt.
Is dit gewone slordigheid of een symptoom van de geringe waarde die zelfs binnen een partij zelf aan het verkiezingsprogramma wordt gehecht? 
Uiteraard weet ik nu niet of Pierre Heijnen willens en wetens tegen de geest van het verkiezingsprogramma inging, of dat hij - op grond van een verkeerde versie - dacht dat hij handelde in de lijn van het verkiezingsprogramma.
Hopelijk heeft als u dit leest de 'juiste versie' van het programma eindelijk zijn weg naar de website van de PvdA gevonden.

Dit is in zekere zin een vervolg op dit blog >>>
 

woensdag 13 juli 2011

Hedendaags leiderschap in de toeschouwersdemocratie - Comeniuslezing van Jos de Beus in 2006

Mijn vriend Robbert Baruch attendeerde mij op de tekst van de lezing die Jos de Beus hield bij het tienjarig jubileum van de Comenius Leergangen in Zeist op 15 november 2006. Bijna vijf jaar geleden dus, maar de tekst is in mijn ogen nog uiterst actueel. De tekst zwerft als een Word-documentje op het web. Dat ziet er altijd wat zielig uit en doet deze mooie tekst geen recht. Ik publiceer hem daarom op De Willem.   


Jos de Beus

 


Sommigen zijn groots geboren, anderen bereiken grandeur, weer anderen worden ermee opgezadeld.

De clown aan het slot van Shakespeare’s Twelve Night, or What You Will

Waren we maar paarden in Marrum


Enkele weken terug haalde Nederland het wereldnieuws met de redding van een kudde paarden in de ondergelopen kwelder bij het Friese Marrum. De reddingsoperatie had veel te maken met leiderschap. Een vrouwelijke redder bedacht de oplossing. Zij had zelf een paard van bijzonder kaliber. Zij slaagde erin met dat paard contact te maken met een merrie, de leider van de kudde. Toen de merrie meeging met het paard van de redder volgde de hele kudde. Zou de merrie zich verheven hebben gevoeld boven het naderende paard, dan zou zij geen stap in de richting van het vasteland hebben gezet, en zou het risico van uitputting van de hele kudde steeds groter zijn geworden.

         Leiderschap in de dierenwereld is normaal, zelf wanneer die leiders voorgaan in een gemeenschappelijke zelfmoord. Leiderschap in een democratische samenleving is niet zozeer abnormaal alswel fundamenteel omstreden. We zien onszelf als burgers en als aanhangers van politici die het in onze ogen uitstekend doen. Maar we willen niet langer als onderdanen worden behandeld. We associëren het bestaan van volgelingen met het ontstaan van Führers. Dat is niks voor democraten en al helemaal niet voor Nederlandse democraten met een opstandigheidsgen.

         Op dit moment zijn vele politieke leiders in het Westen impopulair. In een gezelschapsspel dat aan Monty Python herinnert, troeven we elkaar af met zelfkastijdende vergelijkingen: “Neen, dan onze leider. Die is nog beroerder dan die van jullie!” In de International Herald Tribune van 9 november jongstleden (pag.10) schrijft de beroemde schrijver David Grossman, die een zoon verloor in de korte oorlog tussen Israël en Hezbollah gedurende de zomer van dit jaar: “Een van de wrange kanten aan deze laatste oorlog was het besef dat er in deze tijden geen koning bestaat in Israël. Dat ons leiderschap hol is, zowel onze politieke leiders als onze legerleiders. Vandaag vult het leiderschap van Israël de lege huls van zijn regime voornamelijk met vrees en intimidatie, met de poppenkast van de macht en de vette knipoog van de koehandel in de achterkamer, met gekibbel over alles dat ons dierbaar is. In deze zin, zijn ze geen echte leiders, zeker niet de leiders die een volk nodig heeft in een dergelijke gecompliceerde, gedesoriënteerde toestand.”

         De klacht van Grossman vindt in vele democratisch bestuurde landen weerklank. Amerikanen zijn ontevreden over hun president Bush, Belgen over hun premier Verhofstadt, Britten over hun premier Blair, Fransen over hun president Chirac. Zelfs de voor de eerste maal gekozen of toch weer herkozen leiders worden met wantrouwen bejegend, soms zelfs door verliezende leiders die hun nederlaag niet willen toegeven (Aznar in Spanje, Berlusconi in Italië). Denk maar aan de Braziliaanse president Lula, de Canadese premier Harper, de Duitse bondskanselier Merkel, de Italiaanse premier Prodi, de vermoedelijke Oostenrijkse premier Gusenbauer, en de Spaanse premier Zapatero, om maar te zwijgen over de politieke crisis in Hongarije, Mexico en Polen. Er zijn uiteraard uitzonderingen als Denemarken (premier Rasmussen, die de spotprenten-affaire overleefde), Japan (de nieuwe premier Abe, aangewezen door zijn populaire voorganger Koizumi) en Zweden (de nieuwe premier Reinfeldt, die een zacht alternatief biedt voor de sociaal-democratische hegemonie). Maar in nogal wat landen is er een luide en brede roep om beter leiderschap temidden van een gezakt vertrouwen in partijen, parlementen en regeringen.

In ons eigen land mag premier Balkenende zich sinds kort in een opmerkelijk stijgende populariteit verheugen. Deze Zeeuw maakt zich op voor een derde klinkende verkiezingszege op rij. Maar het land heeft vijf loden jaren achter de rug vol politiek geweld, economische teruggang, sociale onrust alsmede morele verdeeldheid en verwarring. In deze jaren van crisis in de nationale identiteit werd leiderschap een dagelijks gespreksthema. Opnieuw moesten de regenten het ontgelden. De obsessie met falende leiders is altijd een veeg teken. De Britse kunstcriticus Clive Bell waarschuwde eens dat “heldenverering het onfeilbare teken is van een tijdperk zonder scheppingskracht”.[1] De stroom van aandacht voor het thema leiderschap in de politiek, het bedrijfsleven, de verenigingen, de wetenschap, de journalistiek en de jeugdcultuur wijst op een vergelijkbare onvruchtbaarheid. Nog niet zo lang geleden, feliciteerden Nederlanders elkaar met hun post-autoritaire afscheid van leiders. We waren immers allemaal individualisten geworden die het allemaal zelf wilden en konden uitzoeken. We hadden voortaan enkel “interactieve” leiders nodig die de consensus bewaakten door als het ware de stoelen klaar te zetten voor welke kritische burger dan ook. Maar het Sociaal en Cultureel Planbureau constateerde in 2005 dat er reeds voor de opkomst van Pim Fortuyns charismatische leiderschap - op basis van het rolmodel van John Kennedy - sprake is van toegenomen steun voor de stelling “Wat we nodig hebben zijn minder wetten en meer moedige, onvermoeibare en toegewijde leiders in wie het volk vertrouwen kan hebben”. Het percentage van mensen tussen 18 en 70 jaar dat deze stelling onderschrijft, daalt vanaf 1970 tot 1996 van 65 procent tot 30 procent, maar stijgt vervolgens tot bijna 60 procent in 2004.[2]

Ik wil in deze lezing eerst nagaan waarom het verlangen naar neo-traditioneel leiderschap is gestegen.[3] Dan bespreek ik achtereenvolgens het denkbeeld van democratisch leiderschap en de beknopte geschiedenis van leiderschap in de Nederlandse politieke traditie, om zo uit te komen bij het paar verschijnselen dat ik centraal wil stellen, te weten de transformatie van leiderschap tot regisseurschap, acteervermogen en communicatiekunde in wat ik de toeschouwersdemocratie noem, en de hedendaagse verschijningsvorm van het vraagstuk van selectie van kwaliteit van volksvertegenwoordigers (het selectionisme, zoals de socioloog Willem Bonger het noemde in zijn beroemde boek Problemen der democratie uit 1934).

Ik ben al sinds mijn studententijd een liefhebber van het werk van de grote Oostenrijks-Amerikaanse economist Joseph Schumpeter, die veel aandacht besteedde aan de scheppende vernietigingskracht van zogeheten entrepreneurs in de markteconomie en de representieve democratie. Maar ik heb lange tijd sceptisch gestaan tegenover een sociaal-wetenschappelijk begrip van leiderschap in de samenleving en de politiek. Veel betogen over leiderschap door organisatie-adviseurs zijn dure prietpraat en beschamende nabootsing van Shakespeare. Ze zijn innerlijk tegenstrijdig, vaag, onweerlegbaar en eenzijdig. Men legt nooit uit waarom een en dezelfde eigenschap, zoals een onschokbaar wereldbeeld, in de ene toestand een pluspunt is van de leider (denk aan Ronald Reagans posthume overwinning in de wapenwedloop tegen het Russische “keizerrijk van het kwaad”), maar in de andere toestand een minpunt blijkt te zijn (denk aan Bush de Jongere en diens strijd tegen de “as van het kwaad”: Irak, Iran, Noord-Korea). Men vergeet dat grote leiders als Churchill, De Gaulle en Roosevelt talloze nederlagen leden en beoordelingsfouten maakten voordat ze een wereldwijde grandeur bereikten. Men verzwijgt dat dergelijke leiders ook na verloop van tijd hun prestige verloren of dat hun besluiten door historici werden onderworpen aan een pijnlijke herwaardering (denk aan Trumans besluit om de atoombom te gooien op twee Japanse steden). Maar ik ben van mening veranderd. Het is wenselijk, mogelijk en haalbaar dat er een houdbare theorie over democratisch leiderschap wordt geformuleerd.

De roep om moreel leiderschap

In Het land van haat en nijd (2006) observeren de journalisten Kleywegt en Van Weezel dat nogal wat dolende Marokkaanse jongens rust vinden bij predikers als de Nederlandse imam Abdul Jabbar van de Ven. Maar die jongens zijn bepaald de enigen niet. Het lijkt erop dat talloze en uiteenlopende leden van de brede middenklasse het gevoel hebben dat hun burgerlijkheid in het gedrang komt. Ze willen leiders volgen die hun zedelijkheid en voorspoed beschermen tegen de gevaren en bedreigingen van ordeloosheid en globalisering. Ik noem enkele oorzaken van de hedendaagse roep om moreel leiderschap, ook in Nederland.

-                     De politieke partijen en maatschappelijke verenigingen bieden geen beschutting meer, geen gevoel thuis te zijn, geen soelaas tegen vervreemding. Burgers in hun rol van kiezers selecteren voortaan leiders die op een herkenbare manier omgaan met hun enorme uitvoerende macht. Politieke partijen worden de voertuigen voor dit personalistische, deels plebiscitaire soort leiderschap. In presidentiële democratieën is deze tendens zeer zichtbaar, maar ook in parlementaire democratieën beginnen premiers, en soms ook partijleiders, ministers en uitzonderlijke parlementariërs, uit te groeien tot idolen met idiosyncratische wereldbeelden (Thatcherisme en Blairisme in het Verenigd Koninkrijk; bij ons het gedachtegoed van Bolkestein, het Fortuynisme, en Balkenende’s waarden en normen).
-                     Het toch al ingewikkelde beleid van de overheid, maar ook van bedrijven en allerlei arbeidsorganisaties, is onpersoonlijk geworden en in handen geraakt van koude en zelfzuchtige managers. Hier moet een tegenwicht worden geboden door entrepreneurs die het persoonlijke symboliseren, zodat cliënten, werknemers, en het toeschouwende publiek van mediagebruikers zich kunnen vereenzelvigen met de staat en met formele instellingen in de samenleving (emotioneel, principieel, kortom spiritueel).
-                     Het wantrouwen tegenover medeburgers is toegenomen. Mensen willen leiders om die bedreigende medeburgers mores te leren: voetbalvandalen, allochtone misdadigers, oplichters in de marktsector, en ga zo maar door.
-                     Er heeft een grootscheepse heroverweging plaats in het rechtsbewustzijn en de moraal. Achter de rug om van luidruchtige nieuwe politici (Fortuyn, Heinsbroek, Wilders), hebben veel mensen stilzwijgend en geleidelijk afscheid genomen van de progressieve tijd van leiderloosheid (in Nederland sinds de lange zestigerjaren). Ze willen een terugkeer van echt, gemeenschapsgericht leiderschap in het gezin, op de school, in de werkkring, in de openbare ruimte, enzovoort. Dit past in de drastische overgang van behoedzame vooruitstrevendheid naar openlijke behoudzucht in de maatschappelijke en politieke cultuur van Nederland sinds 2001.[4]

Het denkbeeld van democratisch leiderschap

Wie representatieve democratie zegt, zegt politieke elite. Een dergelijk politiek stelsel steunt op een bepaalde publieke filosofie ter verdediging van een afstand tussen kiezers en gekozenen. Ik stip de belangrijkste argumenten kort aan. Ten eerste het argument van de doelmatigheid ofwel delegatie. De kosten van de politieke besluitvorming gaan omlaag en blijven beheersbaar wanneer en omdat we het politieke handwerk overlaten aan een kleine groep vertegenwoordigers. Blijkens hun verkiezingsprogramma’s uit deze herfst wensen de PvdA en de VVD zelfs een verkleining van het aantal kamerleden naar honderd.

         Ten tweede is er het argument van de moderne vrijheid ofwel professionalisering. Door een arbeidsverdeling te scheppen tussen politici, bestuurders en overige (vaak door politici benoemde) gezagsdragers in de publieke sector, heeft het leeuwendeel van de bevolking (u en ik) de gelegenheid om iets anders te doen en onszelf te ontplooien in overeenstemming met onze particuliere levensplannen.

         Ten derde is er het argument van de stabiliteit ofwel normalisering van pluralisme. Een gekozen parlement met oppositiepartijen biedt een tegenwicht tegen de overheersing of zelfs tirannie door de uitvoerende macht.

         Ten vierde is er het argument van de vrede ofwel de pacificatie. Krachtige parlementen met stevige partijen bevorderen een schikking tussen gevestigde en opkomende elites en hun achterbannen. Verdraagzaamheid en soepele wederzijdse aanpassing worden routine.

         Ten vijfde is er het argument van de volkssoevereiniteit ofwel natievorming. Het bestaan van een nationale volksvertegenwoordiging met een publiek toegankelijke en zichtbare ruimte voor representatie door partijen (links-midden-rechts) is waardevol voor het volksbestaan, zoals een munt, een koningshuis, een toporkest of een voetbalelftal dat ook zijn.

         Het laatste en in dit verband meest belangwekkende argument betreft de kwaliteit van de politiek ofwel de vormgeving van een natuurlijke aristocratie, of beter politieke meritocratie (regering door de besten op eigen kracht). Het argument stelt dat volwassen burgers voldoende vaardig en verstandig zijn om die politici te selecteren die het meest vaardig, waardig, deugdzaam, gewetensvol en vaderlandslievend zijn en ook het best in staat zijn boven de partijen te staan in uitzonderlijke omstandigheden zoals oorlog en instorting van de volkshuishouding. In de glorietijd van de volkspartijen – tussen de zeventigerjaren van de negentiende eeuw en de zeventigerjaren van de twintigste eeuw in Nederland – werd hieraan toegevoegd dat juist charismatische partijleiders gesneden uit het hout van Kuyper en Domela Nieuwenhuis nieuwe kiezers en actievoerders uit de lage standen verheffen.

         Politiek leiderschap is een product van algemene maar contextgebonden omstandigheden en persoonlijke, soms unieke eigenschappen (charisma is een bijzonder verbinding tussen leider en menigte in het teken van wederzijdse afhankelijkheid). Ik heb zojuist al iets gezegd over de achtergrond van de schreeuw om persoonlijk leiderschap. Nu iets over de eigenschappen van politieke leiders.

In het algemeen gaat het om eigenschappen die nodig zijn om grote achterbannen te scheppen (in beweging te brengen), verkiezingen te winnen, het openbaar bestuur doelmatig en doeltreffend te laten werken, en geschiedenis te schrijven. Een gespecialiseerde psycholoog op dit gebied verwijst naar de volgende karakteristieken: “genetische gaven; vermogen tot integratie van ingewikkelde zaken; macht, prestatie, en bindingsdrijfveren; ervaringen in de jeugd zoals volgorde van geboorte in het gezin, weeskindertijd, onderwijs, en isolement; de leeftijd en intelligentie van een leider; en ruim bedeeld zijn met trekken als dogmatisme (afwezigheid van twijfel), een verklarende stijl, overheersing, gerichtheid op de buitenwereld, ethiek, en psychopathologie (een genie op de rand van waanzin en zelfvernietiging, JdB)”.[5]

         Welke eisen mogen we, ja moeten we, nu stellen aan leiders in een normatieve theorie van de democratische samenleving en politiek? De grote socioloog Max Weber beperkt zich in een beroemde lezing Politik als Beruf (1919) tot de ethiek van leiders. In de gezindheidsethiek draait het om de wil van leiders om een bepaalde zuivere moraal aan iedereen op te leggen, zodat iedereen de juiste deugden, regels en doelen onderschrijft (bijvoorbeeld een moraal van vredelievendheid alias pacifisme of van vaderlandslievendheid alias patriotisme). In een verantwoordingsethiek let de leider voortdurend op de gevolgen van moreel overheidshandelen voor haar of zijn volk. De leider weegt de baten van immoreel handelen namens de natiestaat en de kosten van moreel handelen tegen elkaar af. Weber beschouwde de gezindheidsethiek als voer voor revolutionairen die Duitsland de vernietiging zouden injagen. Hij verkoos de verantwoordingsethiek van sterke presidenten in de jonge republiek van Weimar. (Weber zou de opkomst van het nationaal-socialisme verklaren uit de aantrekkingskracht van Hitlers revolutie en de zwakte van president Hindenburg.) Webers opvatting over leiderschap met vuile handen werd na de oorlog gemeengoed onder mannen als Kennedy, Brandt, Schmidt, Palme en Den Uyl. Zij wordt in Nederland nog steeds verdedigd, onder anderen door de liberaal Bolkestein. Maar het is opmerkelijk hoezeer radicale politici als Fortuyn, Hirsi Ali en Verdonk succes hebben geboekt door een gezindheidsethiek te verkondigen in de traditie van het Nederlandse calvinisme.

         Ikzelf onderscheid de volgende eigenschappen van goede leiders in een democratie. Ze horen collectieven vorm te geven (de zogeheten optelling van deelbelangen); strijdpunten te verduidelijken maar ook vraagstukken en visies op de toekomst; normen en prioriteiten te stellen; een voorbeeld te zijn voor anderen; een doorbraak in wetgeving en beleid te forceren (als die aantoonbaar destructief zijn); unieke mogelijkheden te grijpen; knopen door te hakken; en de verantwoordelijkheid te nemen als de dingen helemaal fout lopen. Democratische leiders zetten hun visie in, hun praktische verbeeldingskracht, charisma (genadegave, vandaag: mediamieke aura alias uitstraling), retorische kracht, en inlevingsvermogen. Ze horen risico’s te nemen. Een afbreukrisico wat betreft hun loopbaan komt in hun woordenboek niet voor. Ze dienen een balans te scheppen tussen electorale leiding in de verwerving en het behoud van regeringsmacht en bestuurlijke leiding in het gebruik en de verbetering van dergelijke macht.[6]

Leiders in de Nederlandse politiek

Leiderschap in de ene democratische samenleving was, is en blijft verschillend van leiderschap in een andere democratische samenleving. Auteurs as Lijphart, Kennedy en Te Velde hebben hiervoor terecht aandacht gevraagd.[7]

Lijphart beschrijft het collegiale leiderschap van Nederlandse politici in hun consensusdemocratie ten tijde van de verzuiling en het corporatisme (wat we in de Paarse tijd het poldermodel zijn gaan noemen). Deze leiders zijn geliefd in eigen kring en gerespecteerd in de kring van andersdenkenden. Ze zijn geliefd omdat hun succes ook de graad van opwaartse mobiliteit en inburgering van hun achterban weerspiegelt. Ze zijn gerespecteerd omdat hun overleg een gezamenlijke en eerlijke uitweg biedt uit bepaalde nationale schandes: weerbarstige problemen die maar doorzieken omdat elke minderheid haar vetomacht uitoefent (de vernietigde infrastructuur met verlies van Nederlands Indië onder Drees, de stagflatie en overbelasting van de verzorgingsstaat onder Lubbers, de werkloosheid en massale inactiviteit onder Kok; problemen met het koningshuis onder welke premier dan ook). Lijpharts spelregels voor pacificatie zijn een tweede natuur geworden: zakelijkheid, pragmatische verdraagzaamheid, topconferenties, evenredigheid, depolitisering, geheimhouding en monisme (“de regering regeert”). Buiten de Nederlandse verhoudingen wordt dit collegiale leiderschap vaak zielig. Nederlandse consensuspolitici zouden nooit grote landen kunnen besturen en kunnen enkel in internationale organisaties opvallen zolang die organisaties de voorkeur geven aan pacificatie en consensus (zoals de Europese Unie in haar begintijd). Ook binnen Nederland kan collegiaal leiderschap op grenzen stuiten, namelijk wanneer er een periodieke opstand tegen het regentendom uitbreekt (1966, 2002) of wanneer de buitenlandse politiek buiten het kader van rechtsorde, marktwerking en morele codering treedt. Zowel de grote Drees als de grote Kok – twee boekhouder-premiers die hun gewone Nederlanderschap koesterden – faalden in oorlogstijd: de eerste tijdens de politionele acties in Nederlands Indië, de tweede tijdens de humanitaire bemoeienis met Bosnië.

James Kennedy heeft laten zien dat het kartel van Nederlandse leiders voorzichtig en weldenkend is. Het past zich aan grote schokken van de wereldmarkt en de tijdgeest aan door middel van soepelheid. Critici noemen dat karakterloosheid en de neiging tot capitulatie (de leider volgt!), maar neutrale waarnemers spreken van pragmatisme en leergedrag. Willem II bekeerde zich in 1848 tot het liberalisme. De KVP gedoogde de abortus en later de hele moraal van de protesterende baby-boomgeneratie. De huidige grote partijen leggen geen cordon sanitaire aan rondom het rechts-populistische nationalisme maar kapselen het in door samen te werken en delen van de kritiek over te nemen. De politieke gelegenheidsstructuur, met gemakkelijke toegang voor uitdagende partijen, belangengroepen en sociale bewegingen, beloont praktische meegaandheid en bestraft een vasthouden aan impopulair wordende en uitgeput rakende idealen en beginselen. Zo bezien, zijn Nederlandse leiders, anders dan bijvoorbeeld Amerikaanse presidenten, eerder rekkelijk dan precies. Dit is volgens een beroemde politicologische studie een voorwaarde voor ongebroken bloei van de democratische vrede en gemoedsrust in een burgerlijk en open nationalisme.[8] Kennedy voegt hieraan toe dat Nederlandse leiders willen en moeten uitblinken in het bespreekbaar maken van moeilijke zaken, zoals vrije levensbeëindiging in een gezondheidszorg die mensen tot op hoge leeftijd in leven kan houden. De norm voor politiek gezag luidt dat de macht van de staat behoort te worden gebruikt ter bescherming van kwetsbare groepen burgers, dat de beslissingen van de staat behoren te worden genomen door degenen die maatschappelijke kwesties bespreekbaar maken, en dat integratie (soms pacificatie) in het nationaal belang is maar polarisatie (soms burgertwisten) niet.

Henk te Velde schreef een meeslepende studie over de manier van optreden van grote premiers als Thorbecke, Kuyper, Colijn, Drees, en contemporaine premiers vanaf Den Uyl. In de tijd van de parlementaire democratie staat Thorbecke voor de stichters van de natiestaat die afstand bewaarden van het volk, wars waren van partijdigheid, het persoonlijke buiten politiek en bestuur hielden (de stof waaruit brieven en dagboeken worden gemaakt) en een wijze van bezonken beraadslaging ontwikkelden die ze “constitutionele politiek” noemden. In de tijd van de partijdemocratie staan Kuyper, Colijn en Drees voor een nieuw soort leiderschap. De leider is eerst en vooral de bevrijder van een volksdeel. Hij is daarnaast ook de eerste landsmanager. Kuyper voert de moderne mobilisering in (een kaderpartij, een propagandamachine, een zuil). Colijn komt het dichtst in de buurt van hard autoritair leiderschap, iets wat in Nederland tamelijk uitzonderlijk is . De telgen van Prins Maurits zijn schaars. Drees cultiveerde de gewoonheid. Maar ze waren dus allemaal partij- en staatsman tegelijk. Met Den Uyl doet een nationale bestuurder zijn intrede die ook communicator en later zelfs regisseur en acteur is. Daarmee zijn we beland bij de toeschouwersdemocratie.



Leiders in de toeschouwersdemocratie

Volgens de Franse politieke filosoof Bernhard Manin ondergaat de representatieve democratie een gedaantewisseling, tegen de achtergrond van individualisering (verzwakking van arbeidsintensieve collectieve actie), schaalvergroting en internationalisering, en de verandering van openbaarheid (commercialisering van televisie, nieuwe digitale media).[9] In de negentiende eeuw was er de heerschappij der notabelen in de parlementaire democratie. In de twintigste eeuw was er de heerschappij der partijbureaucraten in de partijdemocratie. In de nieuwe eeuw komt een heerschappij van campagnevoerders op binnen een toeschouwersdemocratie (démocratie du public, audience democracy). De vier beginselen van deze democratie zijn als volgt te omschrijven.

         De verkiezing van politici wordt een wisselwerking tussen vertrouwen schenkende kiezers die aandacht besteden aan de persoonlijke kwaliteiten van kandidaten (hun vaardigheden, deugden, optredens en prestatielijsten in de politiek, de georganiseerde maatschappij, en het private bestaan) en kandidaten die hun eigen betrouwbare kwaliteiten in de openbare sfeer inkaderen met de hulp van mediadeskundigen. Dit is de personalisering van de steun in de politiek.

         De betrekkelijke onafhankelijkheid van politici van de verlangens en eisen van het electoraat wordt bepaald door een toenemende mate van vaagheid van gevisualiseerde betrokkenheid van politici gedurende campagnes: beleidsverklaringen, beloften en denktankbegrippen drijven partijbeginselen, partijprogramma’s en subculturen van trouw kader uit. Politici vragen steun voor algemene noties over sociale verbetering en tot achter de komma uitgeschreven quasi-contractuele inspanningen ter verbetering van de publieke sector. Dit is het losser worden van het mandaat, en, wellicht, van de politieke instemming en het maatschappelijk verdrag.

         De vrijheid van de publieke opinie wordt in toenemende mate verwezenlijkt door eigenaren van media, professionele journalisten en internet verslagevers die assertief zijn, concurrerend op de markt, en onafhankelijk van de staat en het partijpolitieke subsysteem. Een illustratie hiervan is de veelvuldigheid van meningspeilingen. De medium-geleide verslaggeving, uitleg en beoordeling van de invloed van politiek en beleid op de leefwereld van de mensen, hun mentaliteit en hun belangen houdt beperkingen en prikkels in voor het gedrag van politici met betrekking tot de beheersing van de gunstige ontvangst van hun voorstellen en tot de beloning van (delen van) het publiek door middel van beleidsvoordelen. Deze derde eigenschap is de groei en differentiatie van publiciteit, mediakritiek, en constant toezicht op de overheid door sociale krachten in de openbare sfeer.

         Als laatste, wordt de beproeving van de wet door discussie in toenemende mate gekenmerkt door een voortdurend debat in de media voor nieuws en communicatie. Daar ontmoeten politici eigenwijze journalisten, deskundigen, gewone burgers en andere, ongekozen vertegenwoordigers van de burgerij: leiders van belangengroepen, sociale bewegingen, niet-goevernementele organisaties, en andere vrijwillige verenigingen. Het publiek dat kijkt, luistert, leest en praat omvat een groeiende laag van heterogene en zwevende kiezers die goed op de hoogte zijn, belang stellen in de politiek en goed zijn opgeleid. Dit is het kenmerk van permanente en horizontale campagnevoering door gezagsdragers zelf en door degenen die opponeren tegen gezagsdragers. Permanent, want alle partijen gaan door met hun campagne na verkiezingen. Horizontaal, want geen enkele gezagsdrager is bij macht een bevoorrechte plaats te krijgen en te houden in het vertoog van media (zelfs de Republikeinen van Bush niet in de jaren na 11 September).

         De wisselwerking tussen politieke leiders als regisseurs, volksvertegenwoordigers en ministers als acteurs, kiezers als toezichthouders die beurtelings klappen en boe roepen, en de journalisten als intermediair en recensent vormt alles bij elkaar het politieke schouwspel van de representatieve democratie. Ik schrijf momenteel een boek hierover met als werktitel The Advance of Audience Democracy.

         Mijn voornaamste stelling is dat we de juichende beschouwingen over dit soort democratie (fan democracy, postmoderne democratie) moeten opschorten. Maar dat geldt ook voor de overheersende bezwaren tegen de drama-democratie of de plebiscitaire democratie.[10] Er wordt vaak beweerd dat de toeschouwersdemocratie voert naar overmatige personalisering (gebrek aan samenwerking binnen en tussen partijen, coalities en netwerken), polarisatie (zoals negativisme in campagnes), politisering van de maatschappij in termen van de nieuwe politiek van popularisering van mediaboodschappen (en depolitisering in termen van de oude politiek van mobilisering tijdens massaal bezochte partijcongressen), vulgarisering van de cultuur, en segmentering en verbrokkeling van overheidsbeleid. Politieke journalistiek zou de standaarden van dekking van nieuws omlaag halen, zoals feitelijkheid, diepgang, objectiviteit en ernst. Zij behandelt alle beroepspolitici en actieve burgers met onverschilligheid en minachting. Zij drijft op afzijdige en apolitieke burgers. Die burgers worden van lieverlee passief, bekrompen, en veeleisend en consumptief wat betreft publieke goederen en sociale rechten. De wedloop tussen media-manipulatie door politici en hun draaidokters (spin doctors) en manipulatie van het nieuws door opdringerige journalisten verlicht het publiek niet, maar versnelt zijn onwetendheid en weerzin tegen de representatieve democratie.

         Ik beweer dat we vele preciezer moeten verwoorden en bestuderen wat het gedragsrepertoire is van respectievelijk campagne-politici (in het bijzonder communicatieve en interactieve leiders), politieke journalisten, en toezichthoudende burgers met een televisietoestel.

         Hier zijn, in het kort, mijn hypothesen over politici in een toeschouwersdemocratie.

         P0 (Hypothese Nul over politiek gedrag) Politici hier en nu erkennen geen enkele hogere macht buiten de politiek en evenmin aanvaarden ze een tweede plaats binnen de politiek.

         P1 Politici zonder acteercompetenties en een aura in de openbare sfeer – vooral het televisiescherm, zullen verliezen op de korte termijn, en uitsterven op de lange termijn.

         P2 Jonge politici zijn minder geworteld in de traditie van stratificatie (establishment, hoge cultuur, pikorde) dan oude politici, omdat en wanneer ze gerecruteerd worden uit nieuwe beroepen in de dienstverleningseconomie als de marketing, de televisie, de film, de populaire journalistiek, de eigendom van massamedia, en de populaire sporten, kunsten alsmede sterren in de oude professies (advocaten).

         P3 Televisie doet ertoe wat betreft het succes van (beroemde) politici en hun groepen (achterbannen, partijfacties, ministeries). Wat er front stage gebeurt is voor politici minstens zo belang als wat er back-stage gebeurt (onderhandelen, wetten voorbereiden, enzovoort).

         P4 De campagnepartij – een geoliede machine - is nooit voorbij zolang de show van politieke deelname en vertegenwoordiging door deze partij doorgaat.

         P5 Politici hebben goede redenen van defensieve en offensieve aard om te investeren in beheer van het politieke nieuws.

         P6 Politici moeten een omgang vinden met hun informationele afhankelijkheid (van media dus) en een spanning tussen deze afhankelijkheid en hun quasi-narcistische zelfbeeld (zie P0).

         Leiders van nieuwerwetse campagnepartijen gaan heel anders te werk dan leiders van traditionele volkspartijen. Denk maar eens aan het feit dat ze autobiografische geschriften verspreiden die in de plaats komen van verkiezingsprogramma’s (Berlusconi, Fortuyn, en thans vrijwel alle Nederlandse lijsttrekkers). (1) Hun gezag bij de meerderheid van niet-leden steunt op charisma en mode, niet op procedures en traditie. (2) Hun presentatie is die van een buitenstaander met een missie om het establishment schoon te vegen. Hun volgelingen willen zien hoe hun leider het establishment aanvalt en verslaat, terwijl er in de partijdemocratie sprake was van stijgende insiders en trouwe aanhangers die begrepen dat veel politiek besloten en gesloten is, jawel back-stage plaats heeft. (3) Hun biotoop is het media-circuit, niet het staatsapparaat. Interactieve alias communicatieve leiders drijven op het rechtstreekse of virtuele contact met de gehele bevolking. Ze willen de centrale overheid overmeesteren door spectaculaire stappen, en deze overheid aansturen via public relations (vergelijk een oefenmeester van een sportploeg die voor de televisiecamera zegt hoe iedereen moet spelen en wie goed speelt of slecht). Ze beweren dat de kloof tussen de laag van beroepspolitici en gewone burgers wordt gedicht door onmiddellijke vorming van populair en degelijk beleid. Representatieve democratie is virtuele rechtstreekse democratie. Dat blijkt bovendien uit (4) Leiders van campagnepartijen zijn in normale tijden populistisch. Ze proberen de korte-termijn wensen van de bevolking te vervullen en nemen onsamenhangendheid van het overheidsbeleid en de lange-termijn kosten daarvan op de koop toe. (Leiders van volkspartijen zijn paternalistisch en bewaken de consistentie van het overheidsbeleid wanneer ze regeren. Beide leiders proberen de publieke opinie te vormen in hun voordeel (het zogeheten “crafting”) en spelen in op de populariteit/de bühne wanneer ze abnormaal weinig steun hebben in de verkiezingscyclus).

         Voorlopers van dit leiderschap zijn de al genoemde Kennedy en De Gaulle. Bekende voorbeelden vandaag zijn de Amerikaanse presidenten Reagan, Clinton en Bush de Jongere; de Ameriaanse presidentskandidaat Perot; de Britse premiers Thatcher en  Blair (alsmede de Britse premierkandidaat Cameron); de Californische goeverneur Schwarzenegger; de Duitse bondskanselier Schröder; de Franse presidentskandidaten Sarkozy en Royal (leerlingen van Mitterrand en Chirac), de Italiaanse premier Berlusconi, de Japanse premier Koizumi, de Mexicaanse president Fox,  en de Nederlandse politici Fortuyn, Bos en Verdonk. Ik bespaar u de deels tragikomische voorbeelden van celebrity politicians in India, de Filippijnen en Thailand.[11]



Selectionisme: een dringende zaak van, voor, en door burgers

Tijdens een van de vorige crisis van de Westerse democratie, die van de crisis van het collectivisme in het interbellum, schreeuwde de sociaal-democraat Bonger het uit: “De democratie zal selectionistisch zijn, of niet zijn!” (Problemen der democratie, heruitgave Amsterdam: De Trommel, 1976, p.80). Ons probleem vandaag heeft opnieuw te maken met een verstoring van de selectie. Kort gezegd: vele kiezers hebben een verslechterende standaard voor kwaliteit van volksvertegenwoordiging en leiding van het volk, terwijl vele politici kapot gaan aan de congestie (vervuiling) van het parlement, een probleem dat goeddeels van eigen makelij is.

         Veel kiezers zoeken naar lijsttrekkers en andere kandidaten die authentiek overkomen en transparantie beloven.[12] De structurele oorzaak hiervan is de verandering van politieke openbaarheid richting toeschouwersdemocratie. De culturele oorzaak betreft een dubbelzinnige opwaardering van echtheid en wantrouwen. Mensen zijn gewend geraakt aan het naoorlogse peil van welstand en zelfstandigheid. Ze willen anders leven dan hun voorouders, en wel in overeenstemming met hun hoogst persoonlijke aspiraties, overtuigingen, projecten en verhalen. Ze willen ook dat hun echte persoonlijkheid wordt opgemerkt door anderen in een respectvolle combinatie van afzijdigheid en hulpverlening. Deze gemengde (verlichte en romantische)  levensbeschouwing wordt vertaald in een luidruchtige eis aan de beroepspolitiek. Onze politici en bestuurders mogen nooit meer veinzen, verhullen en liegen. Ze moeten duidelijk zijn, eerlijk, menselijk in de uiting van hun indrukken en dromen, maar ook bovenmenselijk in de erkenning van eigen fouten en gebreken. Leiders moeten bovenal authentiek zijn in hun moed, volharding, en toewijding.

         De andere kant van deze cultus is wantrouwen. Echte mensen zijn mensen die doen alsof ze echt zijn en als zodanig willen overkomen op de rest. Dergelijke mensen hebben liever geen corrigerende autoriteit meer boven zich. Als het dan toch nuttig is macht te delegeren aan leraren, agenten, chefs op het werk en ambtenaren, dan enkel onder de voorwaarde dat de gezagsdrager luistert, kwesties bespreekbaar maakt, meeleeft en aldoor verantwoording aflegt voor eigen initiatieven. Dit geldt des te sterker voor hoog geplaatsten zoals ministers en bedrijfsbestuurders, die zelden meteen opstappen bij aantoonbare mislukking. In deze atmosfeer van populistische echtheid en anarchistisch wantrouwen wordt electoraal en bestuurlijk leiderschap een onmogelijke spagaatbeweging. De politicus/leider moet constant laten zien wat op welke manier en om welke reden wordt klaargemaakt in de politieke keuken. Geen enkele kok kan zo werken.

         Aan de kant van de politici is ook iets helemaal mis gegaan. We hebben het vaak over verdachte, bedorven en onbeduidende vertegenwoordiging door allochtone politici. Maar dit verschijnsel strekt zich ook uit over autochtone politici ondanks hun comparatieve voordelen. De meeste beste burgers zien af van een politiek ambt of ze doen dit voor één termijn, met uitzicht op een ministerschap, en een geregelde terugkeer in de oude werkkring. De beste kamerleden geraken ontmoedigd, gefrustreerd of teleurgesteld. Het lukt ze niet hun ambities te vervullen inzake medewetgeving, controle op de regering, publiek beraad over nationale kwesties, en partijenstrijd in een levendig theater. Slechte kamerleden gedijen en kraaien de victorie (ze worden op den duur voorzitter van de Tweede Kamer of staatssecretaris). De beste momenten van het parlement zijn van korte duur of hebben geen blijvend effect in een klimaat van sociale hypes en politieke schandalen (parlementaire enquêtes, kabinetscrises, spreekwoordelijke nachten). De beste arbeid van leden van het parlement – ook in vergelijking met die van eerdere generaties – wordt door journalisten niet gezien en verslagen. Het is omgekeerd: zelfs de beste politici zijn voor hun kennis totaal afhankelijk geworden van ambtenaren en journalisten. De beste leden, fracties, vergaderingen en moties worden door het grote publiek niet gewaardeerd. Men kijkt tegenwoordig neer op politici, wat een omkering is van een van de klassieke argumenten ten gunste van de representatieve democratie (zie hierboven).

         Ik concludeer dat Nederlandse burgers met een elitaire claim (cultuurdragers) de moed moeten hebben om de politiek als roeping te kiezen, terwijl Nederlandse politici hun kandidaatstelling fundamenteel moeten professionaliseren. Ik concludeer ook dat de Nederlandse politieke televisie door alle weldenkende kijkers moet worden geboycot. We lezen voortaan de kwaliteitskranten en luisteren in de file naar de radio. Mannen als Pauw en Witteman zijn de gladste vijanden van het volk. Maar dat is de stof voor een ander selectionistisch verhaal over leiderschap bij de omroepen. 


[1] Dean Keith Simonton, Greatness. Who Makes History and Why. New York: Guilford Press, 1994, 379.
[2] Paul Dekker, ‘Sterke man wordt salonfähig’, de Volkskrant, Het Betoog, 25 juni 2005, pag.1.
[3] De term neo-traditionalisme ontleen ik aan Arjo Klamer, In hemelsnaam! Kampen: Ten Have, 2005.
[4] Jos de Beus, ‘Een derde eeuw van conservatisme’, in Huib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben (red.), Ruimte op rechts? Amsterdam: Het Spectrum, 2006. Zie ook James Kennedy (red.), Schoorvoetende revolutie. Stand van het land Normen & waarden. Themanummer van de Volkskrant, 15 november 2006.
[5] Dean Keith Simonton, Greatness. New York: Guilford Press, 1994, 403. Vergelijk Barbara Kellerman, The Political Presidency. Oxford: University Press, 1984 en Idem, Political Leadership: A Sourcebook. Pittsburgh: University Press, 1986.
[6] Anders dan Burns, ga ik ervan uit dat er goede leiders kunnen zijn in een democratisch regime en ook in een autocratisch regime. Maar ik ga kortheidshalve niet op autocratische leiders (Castro, Poetin e tutti quanti) in. Dit is het oude probleem in de geschiedschrijving van de uitzonderlijke bekwaamheid  van mannen die een spoor van vernieling trekken (Napoleon, Hitler, Stalin, Mao). Zie James MacGregor Burns, Transforming Leadership. New York: Grove Press, 2003. Gijs Scholten van Aschat laat in zijn vertolking van Shakespeare zien dat gemene leiders als Richard III niet weten wat ze met hun macht moeten doen, dat goedaardige en doeltreffende leiders niet weten wanneer ze moeten opstappen (Richard II), dat brave leiders kwetsbaar zijn (Othello), en dat twijfelende leiders balanceren tussen grote hoogtes en diepe dalen (Hamlet).
[7] Arend Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. Zesde herziene druk. Haarlem: Becht, 1986, James C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Amsterdam: Boom, 1995, Idem, Een weloverwogen dood. Amsterdam Bert Bakker, 2002, Henk te Velde, Stijlen van leiderschap. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2002.
[8] Jack Snyder, From Voting to Violence. New York: Norton, 2000.
[9] Bernhard Manin, Principes du gouverment représentatif. Parijs: Calmann-Lévy, 1995, Idem, The Principles of Representative Government. Cambridge: University Press, 1997. Zie Jos de Beus, Een primaat van politiek. Amsterdam: University Press, 2001 (oratie) en Idem, Na de beeldenstorm. Etty Hillesumlezing. Amsterdam: Balans, 2002.
[10] In NRC Handelsblad van 21 oktober jongstleden viel ik het nihilisme aan van de huidige campagnepartijen en de leidende televisiejournalisten. Ik meen dat de huidige verkiezingsstrijd inderdaad is gedevalueerd in de richting van nihilisme (het gaat nergens over omdat het om partijdige en redactionele redenen nergens over mag gaan). Maar dit is geen algemene stelling, ook niet voor Nederland zelf. De even turbulente verkiezingen van 1994, 2002 en 2003 werden voorafgegaan door campagnes die stukken informatiever waren, zowel aan de kant van de partijen als van de televisieprogramma’s. Geen kwaad woord overigens over de politieke radio en kwaliteitspers alsmede de goede uitzonderingen op televisie (Buitenhof, Rondom Tien, journalisten als Rob Trip).
[11] Matthijs Rooduijn, Berlusconi’s Leadership by Personality. Universiteit van Amsterdam: Afdeling Politicologie, November 2006.
[12] Paul ’t Hart en Marcel ten Hooven, Op zoek naar leiderschap. Amsterdam: de Balie, 2004.