Posts tonen met het label mario benedetti. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mario benedetti. Alle posts tonen

zaterdag 5 mei 2012

Red jezelf niet. (No te salves.)


Red jezelf niet. (No te salves.)
        Mario Benedetti

Blijf niet stilstaan
aan de kant van de weg
vries je vreugde niet in
bemin niet met tegenzin
red jezelf niet nu
nooit
red jezelf niet
vul jezelf niet met rust
en neem geen genoegen met slechts
een rustig hoekje van de wereld
laat je oogleden niet dichtvallen
zo zwaar als een oordeel
blijf niet zonder lippen achter
ga niet slapen zonder slaap
denk niet zo bloedeloos over jezelf
beoordeel jezelf niet zonder er de tijd voor te nemen.

Maar als je het
ondanks alles
gewoon niet kan laten
en je vriest je vreugde in
en je bemint met tegenzin
en je redt jezelf nu
en je vult jezelf met rust
en je neemt genoegen met slechts
een rustig hoekje van de wereld
en je laat je oogleden dichtvallen
even zwaar als een oordeel
en je verdroogt zonder lippen
en je slaapt zonder slaap
en je denkt bloedeloos over jezelf
en je veroordeelt jezelf zonder er de tijd voor te nemen
en je blijft stilstaan
aan de kant van de weg.

En je redt je
blijf dan
niet bij mij.


Mario Benedetti 

Vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem Minderhout, 28 januari 2005

De Nacht van de lelijkerds (La Noche de los Feos)


De Nacht van de lelijkerds (La Noche de los Feos)
Mario Benedetti (1966)



1. 
Wij zijn allebei lelijk. Niet eens gewoon lelijk. Zij heeft een ingedeukte kaak; sinds haar achtste, toen ze die operatie onderging. Het walgelijke teken naast mijn mond werd veroorzaakt door een woeste brandwond, opgelopen aan het begin van mijn puberteit.

Je kunt ook niet zeggen dat we tedere ogen hebben, dat soort vuurtorens der rechtvaardiging  waarmee het de afgrijselijke soms lukt dichterbij de schoonheid te komen. Nee, helemaal niet. Zowel haar ogen als de mijne zijn afgunstige ogen, die niet of nauwelijks de berusting tonen waarmee we ons ongeluk onder ogen zien. Misschien is dat wat ons verenigd heeft. En misschien is verenigd niet het juiste woord. Ik heb het over de meedogenloze haat die elk van ons voor zijn eigen gezicht voelt. 

We leerden elkaar kennen bij de ingang van de bioscoop, toen we in de rij stonden om twee van die mooie weet ik veel wie's op het scherm te zien. Daar bekeken we elkaar voor het eerst, zonder sympathie maar met een duistere solidariteit; daar namen we elkaars eenzaamheid voor het eerst de maat. Iedereen stond twee aan twee in de rij , maar er waren ook echte koppels bij; echtgenoten, liefdespaartjes, grootouders, weet ik veel. Zij hielden allemaal - aan de hand of aan de arm - iemand vast. Alleen haar en mijn handen hingen los en stijf. Wij bekeken ekaars lelijkheden aandachtig, vrijmoedig, zonder nieuwsgierigheid. Mijn blik reisde langs de deuk in haar kaak met de zekere lef die mijn ingekrompen wang mij toestond. Zij bloosde niet. Ik vond het leuk dat ze hard was en dat zij op haar beurt met een nauwkeurige blik de gladde, baardloze plek van mijn oude brandwond inspecteerde . 

Uiteindelijk gingen we naar binnen. We gingen op verschillende maar aan elkaar grenzende rijen zitten. Zij kon niet naar mij kijken maar ik kon, in het schemerlicht, haar blond behaarde nek en haar welgevormde frisse oor zien. Het was het oor aan haar normale kant. 

Een uur en veertig minuten lang bewonderden we de schoonheid van de ruwe held en die van de tedere heldin. Ik ben altijd in staat geweest het schone te bewonderen. Mijn afschuw bewaar ik voor mijn eigen gezicht en soms voor God. Ook voor de gezichten van andere lelijkerds, andere vogelverschrikkers. Ik zou misschien medelijden moeten voelen maar het lukt me niet. Ze zijn net spiegels. Soms vraag ik me af wat er van die mythe geworden zou zijn, als Narcissus een ingezonken kaak had gehad, of als zijn wang met zuur was verbrand, of als hij de helft van zijn neus had gemist, of als hij ook een naad op zijn voorhoofd had gehad.

Na afloop wachtte ik haar op. Ik liep een paar meter naast haar en sprak haar uiteindelijk aan. Toen ze stopte en me aankeek had ik de indruk dat ze aarzelde. Ik nodigde haar uit om een poosje in een café of in een tearoom te gaan praten. Zij accepteerde mijn uitnodiging direct.

De tearoom was vol, maar juist op dat moment kwam er een tafel vrij. Toen we tussen de mensen doorliepen, merkten we dat men achter onze rug van zijn verbazing blijk gaf. Mijn voelsprieten zijn bijzonder gespitst op het ontvangen van die ziekelijke nieuwsgierigheid, dat onbewuste sadisme van hen die een normaal gezicht, zo'n wonder van symmetrie, bezitten. Maar dit keer was mijn getrainde intuïtie niet eens nodig want mijn oren namen gefluister, zacht gehoest en vals keelgerasp waar. Een griezelig gezicht is op zich natuurlijk best interessant; maar twee lelijkerds bij elkaar vormen een groot, welhaast afgesproken spektakel: iets dat men in gezelschap moet bekijken als men zich naast zo'n schoonheid bevindt met wie het waard is de wereld te delen. 

Wij gingen zitten, bestelden twee ijsjes en ze had genoeg moed (dat beviel mij ook) een spiegeltje uit haar handtas tevoorschijn te halen en haar haar te fatsoeneren. Haar mooie haar. 
"Wat is er aan de hand?", vroeg ik haar.
Ze deed de spiegel terug en glimlachte. De deuk in haar wang veranderde van vorm.
"Niets bijzonders", zei ze. "oog om oog". 

We bleven lang praten. Na anderhalf uur moesten we twee koffie bestellen om onze langdurige aanwezigheid te rechtvaardigen. Ineens besefte ik dat zowel zij als ik met zo'n  kwetsende eerlijkheid sprak,dat het de grensen van de eerlijkheid ver dreigde te overschrijden en bijna in iets dat op schijnheiligheid leek dreigde te veranderen. Ik besloot alles op het spel te zetten. 

"U voelt zich van de wereld uitgesloten, nietwaar?"
"Ja", zei ze en bleef me aankijken.
"U bewondert de knappe, normale mensen. U wou dat u net zo’n regelmatig gezicht had als dat jonge meisje dat naast u zit, ondanks dat u intelligent bent en zij, naar haar gelach te oordelen, ontegenzeggelijk dom is.."
"Ja." 
Voor de eerste keer kon zij mijn blik niet weerstaan. 
"Dat zou ik ook willen. Maar er bestaat een mogelijkheid, weet u? Dat u en ik iets bereiken."
"Wat voor iets?"
"Iets zoals van elkaar houden, verdikkie. Of eenvoudigweg goed met elkaar kunnen omgaan. Noem het zoals u wilt, maar de mogelijkheid bestaat wel." 
Ze fronste. Ze wilde geen hoop koesteren. 
"Belooft u dat u me niet voor een gestoorde houdt?"
"Ik beloof het."
"De mogelijkheid is de nacht in te duiken. De totale nacht. Het totale donker. Begrijpt u?"
"Nee."
"U moet me begrijpen! Het volledige donker. Waar u mij niet kunt zien en waar ik u ook niet kan zien. U heeft een mooi lichaam, wist u dat?" 
Ze bloosde en de deuk in haar wang werd opeens knal rood. 
"Ik woon alleen, in een flat, dichtbij" 
Ze tilde haar hoofd op en ze keek me weer aan, vragend, mij onderzoekend, ze probeerde wanhopig om tot een diagnose te komen. 
"Laten we gaan, zei ze."

2. 
Ik deed niet alleen het licht uit, maar sloot ook de dubbele gordijnen. Ze ademde naast me. En niet met een zenuwachtige adem. Ze liet zich niet helpen bij het uitkleden. 
Ik kon niets zien, helemaal niets. Maar ik besefte wel dat ze nu stilstond, afwachtend. Ik strekte voorzichtig een hand uit tot ik haar borsten vond. Mijn tastzintuigen namen een prikkelend en krachtig beeld waar. Zo zag ik haar buik, haar geslacht. En haar handen zagen mij ook. 

Op dat moment begreep ik dat ik mijzelf (en haar) moest bevrijden van de leugen die ik zelf verzonnen had. Of geprobeerd had te verzinnen. Het flitste als een bliksem door me heen. We waren dat niet. We waren dat niet. 

Ik moest alle reserves van mijn moed optrommelen maar ik deed het. Mijn hand steeg langzaam naar haar gezicht, vond die afgrijselijke groeve en begon een langzame, overtuigende en overtuigde streling. In feite wandelden mijn vingers in het begin een beetje bevend en vervolgens geleidelijk aan kalm, vele malen over haar tranen. 

En toen, toen we het het minste hadden verwacht, bereikte haar hand ook mijn gezicht en wandelde steeds opnieuw over de naad en de gladde huid, dat baardeloze eiland van mijn gruwelijke teken 
We huilden tot de dageraad. Ongelukkig, gelukkig. Daarna stond ik op en deed de dubbele gordijnen open. 


Mario Benedetti (1966)

Vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem Minderhout, 5 januari 2005

Dát (Eso)


Dát  (Eso)

Gracias por el fuego

De gevangene werd drie keer per week ondervraagd om er
achter te komen « wie hem dát had geleerd ». Hij
antwoordde altijd met een waardige stilte en vervolgens
sloot de luitenant van dienst de
afgrijselijke elektrodes aan op zijn testikels.

Op een dag kreeg de gevangene de ingeving om te
antwoorden: "Marx. Ja, ik weet het nu weer, het was
Marx." De luitenant, overdonderd maar alert, kon net
vragen: "Oh ja. En van wie heeft die Marx het dan geleerd?»

De gevangene, die in de stemming was om concessies te doen,
voegde er aan toe: "Ik weet het niet zeker, maar ik denk
dat het Hegel was."

De luitenant glimlachte tevreden en de gevangene,
misschien uit professionele routine, kon nog net
denken: "En nu maar hopen dat die oude in Duitsland is
gebleven."

Mario Benedetti, vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem
Minderhout, 8 november 2004

De Andere Ik (El Otro Yo)

De Andere Ik (El Otro Yo)

Gracias por el fuego

       
Hij was een gewone jongen: de knieën van zijn broeken waren versleten, hij las korte verhalen, hij smakte bij het eten, hij pulkte in zijn neus, snurkte tijdens zijn middagdutje, hij heette Armando en was in alles gewoon behalve in één ding: hij had Een Andere Ik.

De Andere Ik had een vleugje poëzie in zijn blik, werd op actrices verliefd, jokte voorzichtig, werd ontroerd door de schemering. De jongen zat nogal in zijn maag met zijn Andere Ik en geneerde zich voor hem in de aanwezigheid van zijn vrienden. Aan de andere kant was de Andere Ik melancholisch, waardoor Armand niet net zo vulgair kon zijn als hij wel had gewild.

Op een middag kwam Armand vermoeid thuis van zijn werk, trok zijn schoenen uit, bewoog langzaam zijn tenen en deed de radio aan. Op de radio klonk Mozart, maar de jongen viel in slaap. Toen hij wakker werd zat de Andere Ik te snikken. De jongen wist eerst niet wat hij er mee aan moest, maar hij vermande zich en begon de Andere Ik grondig uit te schelden. Deze zei niets, maar de volgende ochtend had hij zich van kant gemaakt.

In het begin was de dood van de Andere Ik een zware klap voor die arme Armando, maar hij dacht meteen dat hij nu wel naar hartelust vulgair kon zijn. Die gedachte troostte hem.

Hij had slechts vijf dagen rouw achter de rug toen hij naar buiten ging met de bedoeling zijn nieuwe en totale vulgariteit te vertonen. Hij zag zijn vrienden in de verte dichterbij komen. Dit vulde hem met geluk en hij begon onmiddellijk te schateren. Maar toen zij langs hem liepen merkten ze zijn aanwezigheid helemaal niet op. Nog erger, hij hoorde ze tegen elkaar zeggen: "Arme Armando, en maar denken dat hij er zo sterk en gezond uitzag".

Hij moest maar ophouden met lachen en voelde tegelijkertijd ter hoogte van zijn borstkas een benauwdheid die op heimwee leek. Maar echte melancholie kon hij niet meer voelen want die had de Andere Ik met zich meegenomen.


Mario Benedetti, vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem
Minderhout, 26 november 2004

Routine (Rutina)


Routine (Rutina)

Gracias por el fuego

Midden 1974 ontploften er in Buenos Aires tien tot twaalf bommen per nacht.
Ze waren van verschillende makelij, maar ze ontploften allemaal. Wakker worden om twee of
drie uur 's nachts met verschillende reeksen knallen was bijna een gewoonte
geworden. Zelfs de kinderen waren aan die routine gewend.
Een vriend uit Buenos Aires werd zich bewust van deze gewenning op
een nacht dat een zware ontploffing in de buurt van zijn appartement plaats
vond en zijn zoon, die nog geen vijf jaar oud was, wakker schrok.

"Wat was dat?" vroeg het kind. Mijn vriend nam hem in zijn armen en aaide
hem geruststellend, maar hij vertelde hem, zijn pedagogische principes volgend,
wel de waarheid: "Het was een bom". "Gelukkig!" zei het kind. " Ik dacht dat
het onweer was".

Mario Benedetti 
(Vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem Minderhout. 15 november 2004)

Staakt het vuren (La Tregua Montevideo - 1960)


Staakt het vuren (La Tregua Montevideo - 1960) 

Gracias por el fuego
"Ziet U enige uitweg?"
Wat mij betreft zie ik die niet, hoor.
Er zijn mensen die begrijpen wat er aan de hand is, maar zich er toe beperken om
het te betreuren. De hartstocht ontbreekt, dat is het geheim van deze grote
democratische bol die wij geworden zijn. Jarenlang zijn we vreedzaam
geweest, objectief, maar hoewel objectiviteit geen kwaad kan, het helpt niet om de
wereld te veranderen, niet eens om een land zoals dit, zo groot als een
zakdoek, te veranderen. Er is hartstocht nodig, en geschreeuwde, of met
schreeuwen bedachte, of met schreeuwen geschreven hartstocht. Men moet de
mensen in het oor schreeuwen, aangezien hun Oostindische doofheid een
soort zelfverdediging is, een laffe en ongezonde zelfverdediging. We moeten
ervoor zorgen dat zelfschaamte in anderen wakker wordt en dat zelfafschuw
de zelfverdediging vervangt. De dag dat je afschuw voelt van je eigen
passiviteit, die dag zal je in iets nuttigs veranderen.


Mario Benedetti 
(Vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem Minderhout. 15 november 2004)

Het kindje Vijf Duizend Miljoen


Het kindje Vijf Duizend Miljoen

Gracias por el fuego

Op een dag van het jaar 1987 werd het kindje Vijf Duizend
Miljoen geboren. Hij kwam zonder etiketje dus hij had
donker, blank, geel etc. kunnen zijn. Op die dag kozen
vele landen op goed geluk een kindje Vijf Duizend Miljoen om
hem een eerbetoon te geven en zijn eerste gehuil op te
nemen.

Maar het echte kindje Vijf Duizend Miljoen kreeg geen eerbetoon
en hij werd niet gefilmd, en hij had niet eens de
benodigde kracht om voor het eerst te huilen. Lang
voordat hij geboren werd had hij al honger. Een
verschrikkelijke honger. Een oeroude honger. Toen hij
uiteindelijk zijn vingers bewoog raakten zij droge
aarde. Gebarsten en droog. Aarde met spleten en
honden- of kamelen- of koeienskeletten. Ook 
met het skelet van het kindje 4.999.999.999.

Het echte kindje Vijf Duizend Miljoen had honger en dorst maar
zijn moeder was nog hongeriger en dorstiger en haar
donkere borsten waren net zo uitgeput als de aarde. Naast haar
zat de grootvader van het kindje, hij had een zelfs nog oudere honger
en dorst die iedere lust om te denken of te geloven
in hem hadden gedood.

Een week later was het kindje Vijf Duizend Miljoen een minuscuul
skeletje geworden en zo verminderde dus het
afgrijselijke risico dat de planeet overbevolkt zou kunnen
raken.

Mario Benedetti, vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en Willem
Minderhout, 28 oktober 2004