De Nacht van de lelijkerds
(La Noche de los Feos)
Mario Benedetti (1966)
1.
Wij zijn allebei lelijk. Niet eens gewoon lelijk. Zij heeft
een ingedeukte kaak; sinds haar achtste, toen ze die operatie onderging.
Het walgelijke teken naast mijn mond werd veroorzaakt door een woeste
brandwond,
opgelopen aan het begin van mijn puberteit.
Je kunt ook niet zeggen dat we tedere ogen hebben, dat soort
vuurtorens der rechtvaardiging waarmee het de afgrijselijke
soms lukt dichterbij de schoonheid te komen. Nee, helemaal niet. Zowel
haar ogen als de mijne zijn
afgunstige ogen, die niet of nauwelijks de berusting tonen
waarmee we ons ongeluk onder ogen zien. Misschien is dat wat ons
verenigd heeft. En misschien is verenigd niet het juiste woord. Ik heb
het over de meedogenloze haat die elk van ons voor zijn eigen gezicht
voelt.
We leerden elkaar kennen bij de ingang van de bioscoop, toen
we in de rij stonden om twee
van die mooie weet ik veel wie's op het scherm te zien. Daar
bekeken we elkaar voor het eerst, zonder sympathie maar met een
duistere solidariteit; daar namen we elkaars eenzaamheid voor
het eerst de maat.
Iedereen stond twee aan twee in de rij , maar er waren ook echte
koppels
bij; echtgenoten, liefdespaartjes, grootouders, weet ik veel.
Zij hielden
allemaal - aan de hand of aan de arm - iemand vast. Alleen haar
en mijn handen hingen los en stijf.
Wij bekeken ekaars lelijkheden aandachtig, vrijmoedig, zonder
nieuwsgierigheid.
Mijn blik reisde langs de deuk in haar kaak met de zekere lef
die mijn ingekrompen wang mij
toestond. Zij bloosde niet. Ik vond het leuk dat ze hard was en
dat zij
op haar beurt met een nauwkeurige blik de gladde, baardloze plek
van mijn oude brandwond inspecteerde .
Uiteindelijk gingen we naar binnen. We gingen op
verschillende maar aan
elkaar grenzende rijen zitten. Zij kon niet naar mij kijken maar
ik kon, in het schemerlicht, haar blond behaarde nek en haar
welgevormde frisse oor zien. Het was het oor
aan haar normale kant.
Een uur en veertig minuten lang bewonderden we de schoonheid
van de ruwe held en
die van de tedere heldin. Ik ben altijd in staat geweest het
schone te bewonderen. Mijn afschuw bewaar ik voor mijn
eigen gezicht en soms voor God. Ook voor de gezichten van andere
lelijkerds, andere vogelverschrikkers. Ik zou misschien medelijden
moeten voelen maar het lukt me niet. Ze
zijn net spiegels. Soms vraag ik me af wat er van die mythe
geworden zou
zijn, als Narcissus een ingezonken kaak had gehad, of als zijn
wang met zuur was verbrand, of als hij de helft van zijn neus had
gemist, of als hij ook een naad op zijn voorhoofd had gehad.
Na afloop wachtte ik haar op. Ik liep een paar meter naast haar en sprak haar
uiteindelijk aan. Toen ze stopte en me aankeek had ik de indruk dat ze aarzelde. Ik nodigde haar uit
om een poosje in een café of in een tearoom te gaan praten. Zij
accepteerde mijn uitnodiging direct.
De tearoom was vol, maar juist op dat moment kwam er een
tafel vrij.
Toen we tussen de mensen doorliepen, merkten we dat men achter
onze rug
van zijn verbazing blijk gaf. Mijn voelsprieten zijn bijzonder
gespitst
op het ontvangen van die ziekelijke nieuwsgierigheid, dat
onbewuste sadisme van
hen die een normaal gezicht, zo'n wonder van symmetrie,
bezitten. Maar dit keer was mijn getrainde intuïtie niet eens nodig want
mijn oren
namen gefluister, zacht gehoest en vals keelgerasp waar. Een
griezelig gezicht is
op zich natuurlijk best interessant; maar twee lelijkerds bij
elkaar
vormen een groot, welhaast afgesproken spektakel: iets dat men
in gezelschap moet bekijken als men zich naast
zo'n schoonheid bevindt met wie het waard is de wereld te
delen.
Wij gingen zitten, bestelden twee ijsjes en ze had genoeg
moed (dat beviel mij ook) een spiegeltje uit haar handtas tevoorschijn
te halen en haar haar
te fatsoeneren. Haar mooie haar.
"Wat is er aan de hand?", vroeg ik haar.
Ze deed de spiegel terug en glimlachte. De deuk in haar wang veranderde van vorm.
"Niets bijzonders", zei ze. "oog om oog".
We bleven lang praten. Na anderhalf uur moesten we twee
koffie bestellen om onze langdurige aanwezigheid te rechtvaardigen.
Ineens besefte ik dat zowel zij als ik met
zo'n kwetsende eerlijkheid sprak,dat het de grensen van de
eerlijkheid
ver dreigde te overschrijden en bijna in iets dat op
schijnheiligheid
leek dreigde te veranderen. Ik besloot alles op het spel te
zetten.
"U voelt zich van de wereld uitgesloten, nietwaar?"
"Ja", zei ze en bleef me aankijken.
"U bewondert de knappe, normale mensen. U wou dat u net zo’n
regelmatig gezicht had als dat jonge meisje dat naast u zit, ondanks dat
u intelligent bent en zij, naar haar gelach te oordelen, ontegenzeggelijk dom is.."
"Ja."
Voor de eerste keer kon zij mijn blik niet weerstaan.
"Dat zou ik ook willen. Maar er bestaat een mogelijkheid, weet u? Dat
u en ik iets bereiken."
"Wat voor iets?"
"Iets zoals van elkaar houden, verdikkie. Of eenvoudigweg goed met elkaar kunnen omgaan. Noem het zoals
u wilt, maar de mogelijkheid bestaat wel."
Ze fronste. Ze wilde geen hoop koesteren.
"Belooft u dat u me niet voor een gestoorde houdt?"
"Ik beloof het."
"De mogelijkheid is de nacht in te duiken. De totale nacht. Het totale donker.
Begrijpt u?"
"Nee."
"U moet me begrijpen! Het volledige donker. Waar u mij niet kunt zien en waar ik
u ook niet kan zien. U heeft een mooi lichaam, wist u dat?"
Ze bloosde en de deuk in haar wang werd opeens knal rood.
"Ik woon alleen, in een flat, dichtbij"
Ze tilde haar hoofd op en ze keek me weer aan, vragend, mij onderzoekend,
ze probeerde wanhopig om tot een diagnose te komen.
"Laten we gaan, zei ze."
2.
Ik deed niet alleen het licht uit, maar sloot ook de dubbele
gordijnen. Ze ademde naast me. En niet met een zenuwachtige adem. Ze
liet
zich niet helpen bij het uitkleden.
Ik kon niets zien, helemaal niets. Maar ik besefte wel dat ze
nu stilstond, afwachtend. Ik strekte voorzichtig een hand uit tot ik
haar borsten
vond
. Mijn
tastzintuigen namen een prikkelend en krachtig beeld waar. Zo zag ik haar buik, haar
geslacht. En haar handen zagen mij ook.
Op dat moment begreep ik dat ik mijzelf (en haar) moest bevrijden van de leugen die ik zelf verzonnen had. Of geprobeerd
had te verzinnen. Het flitste als een bliksem door me heen. We waren dat niet. We waren dat niet.
Ik moest alle reserves van mijn moed optrommelen maar ik deed
het. Mijn hand steeg langzaam naar haar gezicht, vond die afgrijselijke
groeve en begon een langzame, overtuigende en overtuigde streling. In
feite
wandelden mijn vingers in het begin een beetje bevend en
vervolgens geleidelijk
aan kalm, vele malen over haar tranen.
En toen, toen we het het minste hadden verwacht, bereikte haar hand ook mijn gezicht en
wandelde steeds opnieuw over de naad en de gladde huid, dat baardeloze eiland van mijn gruwelijke teken
We huilden tot de dageraad. Ongelukkig, gelukkig. Daarna stond ik op en deed de dubbele gordijnen open.
Mario Benedetti (1966)
Vertaling uit het Spaans: Sofia Velasco en
Willem Minderhout, 5 januari 2005