vrijdag 14 november 2014

Hoe de PvdA als emancipatiepartij aan haar succes ten onder dreigt te gaan.



De PvdA was jarenlang onder wat ik maar voor het gemak ‘het allochtone electoraat’ zal noemen verreweg de meest populaire partij. Dat is niet zo verbazingwekkend. Het behoort tot de sociaaldemocratische kernwaarden van de PvdA om zich in te zetten voor de belangen van de minst bedeelden in de samenleving, een categorie waarvan zeker de eerste generatie allochtonen  grotendeels deel uitmaakte. Het was uitermate rationeel dat allochtonen op de PvdA stemden, want als vrijwel geen andere partij staat de PvdA borg voor grondrechten, een rechtvaardige welvaartsverdeling, scholing en werk. Het is echter een denkfout om uit die rationele keuze af te leiden dat dat allochtone electoraat overwegend progressief zou denken. Veel allochtone PvdA-stemmers zouden, als ze daadwerkelijk politiek actief zouden worden en die partijen er voor open zouden staan, zich qua cultuur eerder thuis voelen bij partijen als CDA en SGP. 

Tot de emancipatie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving behoort ook het zich eigen maken en uitoefenen van politieke rechten: gebruik maken van het stemrecht en ook zelf politiek actief worden. Bij de PvdA wordt al jaren geprobeerd om de kieslijst zoveel mogelijk een ‘afspiegeling van de bevolking’ te laten zijn. Dit streven leidde regelmatig tot een hogere waardering voor ‘wat’ iemand was in plaats van ‘wie’ iemand was en wat hij of zij kon.

Het - op zich terechte - streven om ook ‘allochtonen’ als kandidaat te rekruteren bleek niet alleen ‘politiek correct’, maar ook politiek lucratief. Er werd massaal op de ‘allochtone’ kandidaten op PvdA-lijsten gestemd vanuit de eigen etnische groep. Een ‘win-win-situatie’, leek het. Helaas traden hierdoor wel wat perverse effecten op. Er werden kandidaten op lijsten geplaatst die qua ideologische overtuiging niet bepaald sociaaldemocratisch waren ingesteld en/of de meest basale kennis over de werking van onze democratie misten. Als er enige twijfel was over de capaciteiten van die kandidaten werden zij uit voorzorg door kandidaatstellingscommissies onder aan de lijst geplaatst, maar zij werden vaak toch met voorkeurstemmen gekozen. Dit werd door de partij overigens in de hand gewerkt door tijdens campagnes bij moskeeën te gaan flyeren en ‘allochtone’ kandidaten toe te staan om met persoonlijke campagnes - vaak ondersteund met propagandamateriaal in de taal van het land van herkomst - de eigen etnische groep te bewerken.

Gelukkig zijn er ook een heleboel uiterst capabele progressieve ‘allochtonen’, die in de PvdA hun draai gevonden hebben. De voorbeelden zijn legio. Het is alleen een teken aan de wand dat geëmancipeerde allochtonen de PvdA meer en meer de rug toe keren en hun stem uitbrengen op, of zich verkiesbaar stellen voor partijen als VVD, D66 of SP. Enerzijds is het een geruststellend teken van emancipatie dat de PvdA haar monopolie op ‘de allochtone stem’ verliest, anderzijds is het jammer dat hierdoor juist veel potentieel kader voor de PvdA – ‘moderne, seculiere en progressieve allochtonen’ - verloren gaat.

Een partij als de PvdA moet - binnen de kaders van de rechtsstaat - pal staan voor de grondrechten van iedereen, hoe conservatief ook, maar dat wil niet zeggen dat die conservatieven – zelfs niet als ze ‘allochtoon’ zijn - als sociaaldemocratische volksvertegenwoordigers gerekruteerd moeten worden, want dat zijn ze niet. Dat zal ongetwijfeld in eerste instantie stemmen kosten, maar dat is niet erg. In tegendeel. Op de langere termijn win je er alleen maar mee. Het vertrouwen van progressieve geëmancipeerde 'allochtonen' bijvoorbeeld.

maandag 9 juni 2014

Marc Ducret ou le destin



Traduit du Néerlandais par Sophie Velasco. Cet article a été publié dans De Leunstoel. 

‘C’est bizarre, tout de même...’ ‘Pardon ? Tu parles de quoi, exactement?’ ‘Je pensais à Marc Ducret.’ ‘Le guitariste français?’ ‘Oui, le plus beau cadeau de la France au monde ces temps-ci. A part Louis Sclavis, peut-être.’ ‘Tu trouves? Mais qu’est-ce qu’il a de bizarre?’ ‘Pas lui, les choses de la vie. Mais commençons par le commencement. Ou, du moins, par ce qui, à mon avis, a été le commencement.’

‘Ça a commencé avec Tim Berne. La première fois que je l’ai entendu, il jouait sur le CD Spy vs. Spy de John Zorn. En fait, j’avais découvert Zorn parce que Fred Frith joue dans le disque qu’il avait dédié à Ennio Morricone. Je suis fan de Frith depuis les débuts de Henry Cow. Au fait, tu savais que Michael Vatcher joue lui aussi sur ce CD? Je veux dire Spy vs. Spy. ’Là, je suis complètement perdu. De quoi est-ce que tu parles? Tu ne parlais pas de Ducret?’

http://www.youtube.com/playlist?list=PLad4MsZ66nNe6N8pO4nuWA5q6eBbcQkMV

‘Tout à fait. J’étais donc intéressé par Tim Berne et ai acheté plusieurs de ses CDs. Génial ! Des morceaux qui n’en finissaient pas et qui, en ce qui me concerne, n’avaient aucune raison de le faire et ne le faisaient d’ailleurs presque jamais. Bref, mon genre de musique. Il y avait aussi un guitariste extraordinaire. Un Français. Un certain Marc Ducret.’ ‘Et donc tu t’es mis à collectionner les CDs de Ducret. Rien d’anormal jusqu’ici, je te connais.’

‘Pas du tout, mais attends. J’avais parlé à mon amie de mon admiration pour Ducret. Elle avait tout de suite sauté sur Google pour voir où il se produisait. Et effectivement, il allait passer à Argenteuil, dans la banlieue parisienne. Tu sais qu’elle est originaire de cette région et donc, elle a pensé que ce serait une bonne idée de faire d’une pierre deux coups et de combiner une visite à des amis d’enfance avec ce concert-là. Aussitôt dit aussitôt fait, je me retrouve assis dans La Cave Dîmière, une superbe petite salle dans le vieux centre d’ Argenteuil, en train d’écouter Marc Ducret, avec un big band. Tim Berne était là aussi. ’ Et ton amie elle a aimé? “ Oh que oui. Elle est devenue fan inconditionnelle du batteur Tom Rainey.’  ‘Et c’était quand, tout ça, le week-end dernier?’ ‘Pas du tout, en Novembre 2012.’ ‘Et tu y penses encore?’ ‘Mais non, j’y arrive.’

 http://www.youtube.com/playlist?list=PLad4MsZ66nNe6N8pO4nuWA5q6eBbcQkMV

Hier, j’ai parlé à la sœur de mon amie. Elle a vécu avec un autre guitariste français, Alain Blesing, dont le père était hollandais, d’où son patronyme pas trop français. J’ai quelque part un CD de lui qui est magnifique et où il joue avec John Greaves de Henry Cow et Hugh Hopper de Soft Machine.’ ‘Tu recommences à t’égarer… «  ‘Pardon. Je reviens à mes moutons. Elle m’a dit qu’elle avait connu Ducret du temps où elle vivait avec Blesing. Je lui ai demandé si elle le voyait encore, ce qui n’était pas le cas. Elle m’a aussi dit qu’elle  l’avait vu pour la dernière fois au Chateau d’O, au festival de Montpellier en 1987!’ ‘Et alors? Qu’est-ce qu’il y a de bizarre là-dedans?’

‘Eh bien il se trouve que j’y étais moi aussi. J’y étais allée avec elle et d’autres amis. Elle avait complètement oublié que j’étais là mais je me souviens comme si c’était hier d’un guitariste chevelu impressionnant. Marc Ducret, qui a à présent la tête rasée. J’étais fan de lui avant de savoir qui il était!’ 

http://www.youtube.com/playlist?list=PLad4MsZ66nNe6N8pO4nuWA5q6eBbcQkMV

zondag 8 juni 2014

Referendumwetten zijn Paardenmiddel



Verschenen in Socialisme & Democratie, 28 mei 2014. Bewerking van 'Referendumwetten: politiek onvermogen' in De Leunstoel. 

GroenLinks parlementariër Linda Voortman legde in Buitenhof uit waarom ze samen met Manon Fokke (PvdA) en Gerard Schouw (D66) een initiatiefwet voor een raadgevend referendum had ingediend: “Mensen hebben het idee dat ze te weinig grip hebben wat er politiek gebeurt. (…) De strafbaarstelling van illegaliteit zou een mooi onderwerp zijn om daar een referendum over aan te vragen want daar was veel onvrede over.” Vervolgens noemde ze ook het wetsvoorstel voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning een referendabel onderwerp.  


Deze twee voorbeelden illustreren volgens mij uitstekend waarom referenda ongewenst zijn.  De strafbaarstelling van illegaliteit zou, als het aan een plebisciet zou worden onderworpen, wel eens massaal gesteund kunnen worden in het huidige politieke klimaat. Fareed Zakaria zet dat in De toekomst van de vrijheid duidelijk uiteen: de rechtsstaat is een veel grotere garantie voor de vrijheid dan de democratie. Als je langs direct democratische weg  de rechtsstaat kunt uithollen doemt er een ‘terreur van de meerderheid’ op. 

Het tweede voorbeeld, de WMO, is van een ander kaliber. Hoewel ik persoonlijk allerminst gecharmeerd ben van wat er dreigt uit te komen, lijkt het mij nog erger als dit soort wetgeving per referendum kan worden afgeschoten. De decentralisering van de AWBZ naar de WMO is een goed voorbeeld van een wet die Aukje van Roessel in navolging van Piet Hein Donner ‘web-akkoorden’ noemt: ‘Als je als regeringspartij niet alleen met je coalitiepartner moet onderhandelen, maar ook met allerlei organisaties in de zorg die onderling niet dezelfde belangen hebben en dan ook nog eens met oppositiepartijen met verschillende wensen, dan kun je maar beter niet open zijn. Dat beperkt je onderhandelingsruimte.’ 

Die ‘web-akkoorden’ dragen het gevaar in zich ‘dat je als burger niet meer weet waar je moet aankloppen voor verantwoording en controle.’ Moet je ‘de burger’ dan maar de macht geven om dit soort web-akkoorden per referendum weg te poetsen? Het referendum als ragebol? De Nederlandse samenleving zou dan al snel het door Zakaria geschetste schrikbeeld van het door referenda totaal verlamde Californië gaan vertonen. Piet Hein Donner bepleit iets anders: ‘Die web-akkoorden nopen er, zo vindt hij (Donner, WM) , dan wel toe dat politici niet langer pas achteraf verantwoording afleggen over de uitkomst, maar voortaan vooraf open en eerlijk in een publiek debat vertellen welke richting ze uit willen, welke prioriteiten ze hebben en welke randvoorwaarden ze stellen aan de uitkomst.’

Dat betekent dus dat politieke partijen hun ideologisch blazoen flink op moeten poetsen, zoals iemand als wijlen Bart Tromp jarenlang bepleitte. ‘Een revitalisering van de politieke democratie vereist juist een versterking van de rol van politieke partijen als dragers van concurrerende politieke ideologieën en behartigers van collectieve belangen en identiteiten. Dat is geen onmogelijke onderneming.’ 3)  

Ook Paul Kalma, tot mijn verbazing als Kamerlid een van de drijvende krachten achter de referendumvoorstellen, zegt dit met zoveel woorden in de onlangs verschenen bundel van de Raad voor het Openbaar Bestuur Politieke partijen: overbodig of nodig?’: ‘De grote vraag waarvoor we in democratieën als de onze staan is hoe politieke partijen weer de dragers kunnen worden van zo’n hartstochtelijke maar respectvolle belangen- en beginselstrijd.’ 4)

Kalma beëindigt zijn artikel met de verzuchting dat ‘de gevestigde politiek niet uit zichzelf gaat veranderen.’ Of er een paardenmiddel als een referendumwet (zelfs twee, want er komt nog een voorstel voor een correctief referendum aan!) voor nodig is betwijfel ik ten zeerste. Eerder lijkt hier op te gaan wat Bart Tromp vreesde: dat oplossingen in deze plebiscitaire richting niet alleen averechts werken, maar de crisis van de democratie verhevigen.

En als je echt wil dat mensen meer grip op hun leven krijgen, kun je er overigens beter voor zorgen dat de sociale zekerheid in stand blijft.

Willem Minderhout 

1) Fareed Zakaria, De toekomst van de vrijheid. De paradoxen en schaduwzijden van democratie, Amsterdam/Antwerpen: Contact 2004
2) Aukje van Roessel, ‘Biechtstoel’, De Groene Amsterdammer, 9 april 2014
4) Paul Kalma, ‘Uit de greep van het bestuur: politiek als bezielde strijd om het algemeen belang’, in: Sarah L. de Lange, Monique Leyenaar & Pieter de Jong, Politieke partijen: overbodig of nodig?, ROB, april 2014.

vrijdag 6 juni 2014

The return of Linda Sharrock

Originally published in De Leunstoel.


I am not a particular fan of ‘vocal jazz’.  Good jazz expresses the inexpressible so why would one have to explain it in a song? But as usual, there are many exceptions to the rule and Linda Sharrock is one of them. A few weeks ago, much to my surprise, I was invited to one of her concerts in The Hague. I could understand her playing my city but I was somewhat taken aback at the location:  the Autonoom Centrum, a squatters’ café in the Bezuidenhout neighbourhood. This café often features exciting music but more for the young lions of the extreme avant-garde. A mature diva was the last person I would have expected to perform there. The organiser, gifted young pianist Leo Svirsky, assured me it was not a joke.  

I first heard of Linda Sharrock when she was closely collaborating with Austrian saxophone player Wolfgang Puschnig. Puschnig, who became famous with the Vienna Art Orchestra, kept churning out exciting records by using a number of strongly disparate musical traditions. ‘Roots and Fruits’, for instance, brought together an Austrian brass band, a Korean percussion group and an American jazz band. You could not really call it ‘Fusion’ as he didn't blend these styles in some kind of musical 'smoothie'. It was more like actual ‘confrontations’. With a happy end, though. And then Linda Sharrock’s voice! Dark, warm, rhythmic, sensual, rebellious, committed …. For me, in one word, ‘mesmerizing’.  

How she landed on the ‘Austrian stage’ I don’t know. She’d been rather successful in her native country, the US. She had sung with Material, one of Bill Laswell’s many fantastic bands,  and turned out to be the widow of Sonny Sharrock, a fantastic guitar player whom I knew from another of Bill Laswell’s projects: Last Exit. And all of a sudden, there she was, in the squatters’ café… A little googling yielded some explanation for her appearance: she had had a severe cerebral hemorrhage and, despite her handicap, for Linda was no longer able to speak, she was on her way to make a comeback with a group of improvisers.




And there she was. Hunched on a wheelchair, her hair in a woolen cap. She signaled she needed a light. I had a lighter and seized the opportunity to tell her how grand it was for me to meet her. And then what? How do you have a conversation with someone who can’t talk back?  
After the performance of the Scandinavian Ape Club, it was her turn. Accompanied by friendly Bostonian Eric Zinman on the keyboard, Austrian ‘mad scientist’ Mario Rechtern on the saxophone, our own 'jeune premier' Onno Govaert on the drums and Julius Lind, Ape Club’s bass player who apparently blended in effortlessly, all hell broke loose. Vibrant and heavy free jazz filled the air at the Autonoom Centrum. 'La Sharrock' bowed her head towards the mike and started her long groans and roars. Handicapped, really? This was pure emotion! She sang the inexpressible. And there I was, in the front row with goose-pimples all over, among the “autonomous” who now and then ordered a 50 cent Euroshopper beer. Some of them did not have the faintest idea about the historical concert they were, or could have been, witnessing; they just wanted a beer in an 'antifascist' environment, or something like that.



Half way through the concert, I suddenly realised that Linda had come ‘full circle’. On her first LP with Sonny Sharrock, she’d also sang that kind of wordless vocals.  Portrait of Linda in three colors – all black was the name of the piece. I had just seen a portrait of Linda again. Right in front of my nose. Probably a darker one. But the colours! The whole gamut of life and all black.

Afterwards, I said a dazed goodbye and kissed her. She smiled. Life was good. 

Click here to view most of the concert.
The concert of  Ape Club can be found here.







  
 

woensdag 7 mei 2014

Op stap met Frieda Haas - Boekpresentatie 'Solidariteit in anonimiteit. De geschiedenis van de leden van de OSP.'

Een oud artikeltje van de Haagse PvdA-website van vrijdag 4 Jun 2004 - Willem Minderhout
Op stap met Frieda Haas / De Onafhankelijken
Op stap met Frieda
Enige tijd terug mailde Frieda Haas, één van onze oudste actieve leden, mij met de vraag of ik haar misschien naar Amsterdam zou kunnen rijden. Ze was uitgenodigd om op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis de presentatie van een nieuw boek van Bart de Cort bij te wonen. Omdat ze kon vermoeden, dat ik erg in geschiedenis geïnteresseerd ben, hoopte ze dat ik dat op prijs zou stellen.
Ik was uiteraard geïnteresseerd in wat voor boek dat dan eigenlijk was en wat Frieda daarmee te maken had. Ze vertelde me dat het een boek was over de leden van de OSP dat vooral was gebaseerd op gesprekken met oud-leden en – noodgedwongen, omdat er niet zoveel meer over zijn – met de kinderen van OSP-ers. Frieda’s ouders zijn heel actieve OSP-ers geweest en de schrijver van het boek was een paar maal bij Frieda langs geweest om haar herinneringen aan die tijd op te tekenen.
De OSP! Mijn belangstelling was onmiddellijk gewekt. Deze partij, de Onafhankelijke Socialistische Partij, heeft slechts drie jaar bestaan – van 1932 tot 1935 – en had als partij eigenlijk nooit veel voorgesteld. (Nooit een zetel in het parlement). Het partijtje barstte echter van de interessante, curieuze en dwarse personen, die - ieder op zijn of haar eigen manier - wel degelijk een stempel op de Nederlandse maatschappij hebben gedrukt. (Zie ‘De Onafhankelijken’.) Kortom: zo’n buitenkansje om met Frieda naar het IISG te gaan liet ik mij niet ontgaan.
In de auto op weg naar het IISG wilde ik natuurlijk het naadje van de kous weten. Frieda’s vader Maurice was via de spoorwegvakbond (Ned. Veren.van Spoor- en Tramwegpersoneel) bij de OSP terecht gekomen. Hij was zo’n gedreven OSP-er, dat hij weigerde op het werk zijn partijspeldje af te doen. Die weigering ging ten koste van zijn verdere carriëre, maar de partij ging voor. Geheide SDAP-ers waren echter nog strenger dan de Spoorwegen (HIJSM): Maurice werd uit het (Amsterdamse) koor de ‘Stem des Volks’ gezet.
Frieda’s ouders waren zeer actief in de steun aan vluchtelingen uit Nazi Duitsland (Emigranteneltern). Het waren grotendeels leden van de Duitse zusterpartij – Sozialistische Arbeiter Partei (SAP) – die door de OSP geholpen werden. Frieda maakte dat allemaal als puber mee. Van alle partijverwikkelingen had zij geen benul, maar die praktische solidariteit, die had ze aan den lijve beleefd en draagt ze nog steeds uit.
Tijdens de oorlog hadden Frieda en haar zus het geluk, om te kunnen onderduiken in Amsterdam. Haar ouders ‘lieten de jeugd voorgaan’ en vielen zelf ten offer aan de rassenwaan van de nazi’s. Na de oorlog kwam Frieda door een verhuizing van haar werkgever naar Den Haag. Haar Amsterdam bestond toch al niet meer.
Toen we bij het IISG waren aangekomen en we samen even ons nicotinepeil aan het verzorgen waren, stopte er een auto waaruit een stokoude man stapte, die in een rolstoel werd gehesen. “Ken je die man niet, Frieda?,” vroeg ik. “Welnee”, antwoordde zij.
In het zaaltje gingen we flink vooraan zitten. Frieda was per slot van rekening genodigde, bovendien hoort ze slecht. (Al haar hele leven, vertelde ze me later: dus geen ouderdomsverschijnsel.) Als feestredenaar was Igor Cornelissen ingehuurd, die op zijn onnavolgbare wijze de geschiedenis van de OSP aan de hand van de meest spraakmakende figuren de revue liet passeren.
(Ik smaakte ooit het genoegen om Igor Cornelissen te bezoeken in zijn huis aan de Zwolse Vondelkade, met mijn docent Piet de Buck en een aantal medestudenten. Op zijn met boeken volgepakte zolder gebruikte hij een oude sofa als trampoline om al springend uit allerlei hoeken en gaten de meest obscure brochures op te vissen.)
Daarna was het de beurt aan de auteur, Bart de Cort. Na een korte schets over de aanleiding voor en de totstandkoming van zjn boek reikte hij het eerste exemplaar uit aan één van de laatste overlevende OSP-ers: Frits Monnikendam: de man in de rolstoel.
Frieda zag ineens door de nevel van meer dan een halve eeuw in die oude man in de rolstoel de goede kameraad van haar vader bij de hulp aan vluchtelingen, die ze zo goed gekend had. De ontmoeting en alle opwellende herinneringen ontroerden hen zichtbaar en ik pinkte ook een traantje weg.
Plotseling zag Frieda dat ze ook de man die naast Monnikendam zat kende. Armin Tenner, had ze nog als zesjarig kind van Duitse vluchtelingen in Nederland zien komen. Armin, nu ook al rond de zeventig, was hoogleraar natuurkunde geworden aan de UvA. “Het was toen al een boekenwurm”, herinnert Frieda zich.
Uiteindelijk moesten we toch weer naar huis. Door Frieda’s hoofd wentelden merkbaar duizenden gedachten aan vroeger. “Weet je wie ook professor is geworden?”zei Frieda plotseling. “De dochter van Sal Tas. (Zie: De Onafhankelijken.) Die is met ene Jünger getrouwd.” Josine Jünger-Tas, de criminologe. Laat ik die nu ook kennen! Mijn broer Thijs had ooit een relatie met haar beeldschone dochter Sanda. Nooit ook maar vermoed dat zij een (klein)dochter van Sal Tas zou kunnen zijn. Op sommige dagen kun je de geschiedenis voelen.
Een paar dagen later mailde Frieda me weer: “Ik sta op een foto in het boek op bladzijde 37. En die foto komt niet van mij!” Maar die foto hoort er wel in. Het boek is een monumentje voor al die vergeten mensen die hard werkten om naar hun principes te leven. En ook een monumentje voor ons eigen monument: Frieda Haas.

Zie ook: 'Levensloop. Oorlogsherinneringen van Frieda Haas. 

Zie ook: 'Zout zonder pap.'

dinsdag 19 november 2013

De dag dat John Kennedy vermoord werd: herinnering van Rie Minderhout-Krook

Herinnering aan de moord op John Fitzgerald  Kennedy van mijn moeder, Rie Minderhout-Krook.

We waren een jong gezin en woonden in Middelburg. De moeder van mijn mijn echtgenoot woonde naast ons en mijn man was zeevarend dus niet vaak thuis.  Nu ging mijn zwager in Amsterdam trouwen op de 22te november 1963 en aangezien dat net op de dag was voordat mijn man weer op reis moest gingen hij en oma met vrienden van het bruidspaar naar Amsterdam om het huwelijk bij te wonen.  Zelf kon ik niet mee omdat ik enkele weken daarvoor bevallen was .  Vanwege de afstand bleef oma een nachtje over.  

Toen ze de 22ste ’s avonds thuis kwam  kreeg ik het verslag van het huwelijk en de groeten van mijn echtgenoot die vandaar op de boot gestapt was voor een lange reis naar de West.  Toen we uitgepraat waren en oma op weg naar bed ging zette ik nog even de radio aan en hoorde tot mijn verbijstering  het nieuws van de moord op Kennedy.  Ik liep haar achterna en samen hebben we de verslagen en commentaren aangehoord.  De volgende dag was het het middelpunt van de gesprekken, zoals dat wel overal geweest zal zijn.

Mijn oudste zoon Wim, toen 4 jaar, was erg geïnteresseerd in het verhaal en had allerlei vragen. “Gaat-ie nou  naar de hemel?  Komt onze Lieve Heer hem ’s nachts halen?  Is de man die schoot dezelfde als die  in ‘Wedstrijdstorie”?   (Westside Story was toen  “hot”)   Ach, het lijkt nog zo kort geleden maar hoeveel Wedstrijdstories  hebben er door de jaren heen helaas nog meer plaatsgevonden…

Tot zover mijn herinnering aan de moord op Kennedy.

 
Rie Minderhout-Krook