Door de onlangs losgebarste discussie over de 'Marokkaanse machocultuur' herinnerde me ik ineens een oud stukje dat ik ooit voor de Rode Reiger/Rauie Regah schreef (eenmalig omgedoopt tot 'Scharlaken Eiber'). Het blijkt na bijna tien jaar nog verbazend actueel te zijn. NB: het betreft hier satire, maar wellicht .... ;-)
"Nog hoogtepunten in deze Eiber, Willem?" "Ja,
meneer Minderhout. El Houssine trekt ten strijde tegen discriminatie in de
Horeca." "Van allochtonen?" "Sst, meneer Minderhout. Dat woord mogen we niet
meer gebruiken van meneer Johan Chandoe. Te generaliserend" "Marokkanen dan?"
"Marokkaanse Nederlanders, als ik het wel heb. Of meer in het algemeen
Nederlanders met een niet-westerse landsaanduiding ervoor."
"Goede actie van El
Houssine, maar het kan beter." "Hoe bedoelt u?" "Nou die niet-westerse
Nederlanders die geweigerd worden, dat zijn toch voornamelijk jongens?" "Ik
geloof het wel meneer Minderhout." "En wat willen die jongens? Dansen, drinken,
roken en, als het meezit, jeweetwel." "U zegt het." "Dus allemaal dingen die ze
van de AEL niet mogen en daarom moeten ze die Disco in kunnen! Want als ze niet
naar binnen mogen, dan zijn de druiven zuur. Dan gaan ze religieus gemotiveerd
afzien van dansen, drinken, roken en jeweetwel. Voor je het weet gaan ze dan ook
nog uit protest tegen de zionistische entiteit de omgeving van de Sjoel onveilig
maken. Ze moeten dus die Disco in.
Maar er speelt nog wat. Recent onderzoek
wijst uit dat de vele importhuwelijken te wijten zijn aan het feit dat de
niet-westerse Nederlandse meisjes de niet-westerse Nederlandse jongens te stom
vinden om voor de Duvel te dansen en die jongens vinden die meiden juist weer
veel te slim. Hoe komt dat? Omdat die jongens de hele nacht op pad moeten om een
Disco te vinden waar ze naar binnen mogen en dan hebben ze geen tijd meer om te
slapen, laat staan voor huiswerk. Die meiden mogen niks, dus die doen de hele
avond alleen maar huiswerk.
Ik stel dus voor dat niet-westerse Nederlandse
jongens altijd en overal moeten worden toegelaten op vertoon van minimaal één
zuster. Scheelt een hoop zoekwerk en die zus wil vast niet iedere avond mee. Dus
die jongens hebben meer tijd voor hun huiswerk, die meiden ietsje minder, zodat
ze weer een beetje op gelijk niveau komen. En in die Disco komen ze er misschien
achter dat niet alleen wat van ver komt lekker is."
"Geniaal idee, meneer
Minderhout. Maar daar wil de PvdA vast niet aan." "Geen nood, Willem. Ik speel
het door naar Ayaan. Misschien kunnen wij er in het kader van de inburgering een
weekje NIVON Huis tegenaan gooien."
Verscheen eerder in De Scharlaken Eiber, Elektronisch Magazine van de PvdA afdeling Den Haag, Vierde jaargang, nummer 19, dinsdag 17 juni 2003.
donderdag 10 mei 2012
De Leunstoel, nummer 13 van jaargang 9
Geachte lezers
Op donderdag 10 mei 2012 is nummer 13 van jaargang 9 actief geworden.
Ga naar www.deleunstoel.nl
Als u liever van papier leest: zorg dat er voldoende papier in de printer zit en druk op de knop onderaan de inhoudsopgave.
Claude Aendenboom diepte voor dit nummer een triootje op uit 1997. ‘Hoe houd je een nieuwe liefde fris?’ vroeg Marcel D. zich vorige keer af. Willem Minderhout weet het antwoord! Zelfs kookverhalen kunnen aanleiding zijn voor melancholie, ondervindt Maeve van der Steen. Het plaatje bij haar verhaal is van Elène Klaren.
Bij Peter Schröder pruttelt het rampennummer nog wat na. 'Diederik wie?' oud nieuws becommentarieerd door Jaap van Lakerveld. De familiegeschiedenis van Claude Aendenboom blijkt zwarte kanten te hebben.
Wat hoor ik daar toch? Oh, dat zijn de pratende apen van Willem Minderhout. Het verhaal over Nestor Verdaasdonk wordt door Carlo van Praag naar een verrassend einde gevoerd. Frits Hoorweg ontmoet in Wallonië de geest van Bob den Uyl.
In Zürich werd geschaakt, reden voor Dik Kruithof erheen te gaan. In het werelddorp van Sebastiaan Capel is niets meer wat het geweest is, tot zijn genoegen. Katharina Kouwenhoven constateert, met spijt lijkt het, dat er nog steeds geen grand cafés zijn.
Henk Klaren tenslotte portretteert het leven van alledag (Cartoon) en inventariseert de vele gedaanten van een lied: Jambalaya.
Vorige keer kondigden wij een interview van Willem Minderhout met Roos Vermeij aan, over haar rol in de Commissie de Wit. Vanwege politiek gedoe kon dat (nog?) niet doorgaan.
De plaatjes zijn van: Pepijn Lampe, Elène Klaren, Dik Kruithof, Katharina Kouwenhoven, Peter Schröder, Frits Hoorweg en Henk Klaren.
Stuur dit bericht door aan vrienden, kennissen en familie; wat ons betreft uw hele adresboek!
Met vriendelijke groet namens de redactie,
Frits Hoorweg
Ga naar www.deleunstoel.nl
Op donderdag 10 mei 2012 is nummer 13 van jaargang 9 actief geworden.
Ga naar www.deleunstoel.nl
Als u liever van papier leest: zorg dat er voldoende papier in de printer zit en druk op de knop onderaan de inhoudsopgave.
Claude Aendenboom diepte voor dit nummer een triootje op uit 1997. ‘Hoe houd je een nieuwe liefde fris?’ vroeg Marcel D. zich vorige keer af. Willem Minderhout weet het antwoord! Zelfs kookverhalen kunnen aanleiding zijn voor melancholie, ondervindt Maeve van der Steen. Het plaatje bij haar verhaal is van Elène Klaren.

Bij Peter Schröder pruttelt het rampennummer nog wat na. 'Diederik wie?' oud nieuws becommentarieerd door Jaap van Lakerveld. De familiegeschiedenis van Claude Aendenboom blijkt zwarte kanten te hebben.
Wat hoor ik daar toch? Oh, dat zijn de pratende apen van Willem Minderhout. Het verhaal over Nestor Verdaasdonk wordt door Carlo van Praag naar een verrassend einde gevoerd. Frits Hoorweg ontmoet in Wallonië de geest van Bob den Uyl.
In Zürich werd geschaakt, reden voor Dik Kruithof erheen te gaan. In het werelddorp van Sebastiaan Capel is niets meer wat het geweest is, tot zijn genoegen. Katharina Kouwenhoven constateert, met spijt lijkt het, dat er nog steeds geen grand cafés zijn.
Henk Klaren tenslotte portretteert het leven van alledag (Cartoon) en inventariseert de vele gedaanten van een lied: Jambalaya.
Vorige keer kondigden wij een interview van Willem Minderhout met Roos Vermeij aan, over haar rol in de Commissie de Wit. Vanwege politiek gedoe kon dat (nog?) niet doorgaan.
De plaatjes zijn van: Pepijn Lampe, Elène Klaren, Dik Kruithof, Katharina Kouwenhoven, Peter Schröder, Frits Hoorweg en Henk Klaren.
Stuur dit bericht door aan vrienden, kennissen en familie; wat ons betreft uw hele adresboek!
Met vriendelijke groet namens de redactie,
Frits Hoorweg
Ga naar www.deleunstoel.nl
dinsdag 8 mei 2012
De aantekeningen van Malte Laurids Brigge Hoofdstuk 7
De aantekeningen van Malte Laurids
Brigge Hoofdstuk 7
Rainer Maria Rilke
Dit uitstekende hotel is zeer oud, reeds in de tijd van koning Clovis stierf men daar in een beperkt aantal bedden. Momenteel wordt er in 599 bedden gestorven. Vanzelfsprekend fabrieksmatig. Bij zo'n enorme productie wordt iedere dood afzonderlijk niet zo goed uitgevoerd, maar daar komt het dan ook niet zo op aan. Het gaat om de massa. Wie is er tegenwoordig nog geïnteresseerd in een zorgvuldig uitgewerkte dood? Niemand. Zelfs de rijken, die het zich toch kunnen veroorloven om uitgebreid te sterven, beginnen nalatig en onverschillig te worden; de wens om een eigen dood te hebben wordt steeds zeldzamer. Nog eventjes en de eigen dood zal net zo zeldzaam zijn als een eigen leven.
Mijn god, alles is aanwezig! Men komt, men vindt een leven, kant en klaar, je hoeft het alleen maar aan te trekken. Men wil gaan, of men wordt daartoe gedwongen: hupsakee, wind je niet op: Voilä votre mort, monsieur. Men sterft zoals het uitkomt; men sterft de dood, die bij de ziekte hoort die men heeft (want sinds men alle ziekten kent, weet men ook dat de verschillende dodelijke aflopen een onderdeel zijn van die zíekten en niet van de mensen; de zieke heeft, zo te zeggen, zelf niets meer te doen).
In de sanatoria, waar immers graag en met zoveel dankbaarheid jegens artsen en verplegend personeel gestorven wordt, sterft men één van de door de inrichting gearrangeerde doden; dat wordt zeer op prijs gesteld. Als men echter thuis sterft, spreekt het vanzelf zo'n hoffelijke dood uit de betere kringen te kiezen, onlosmakelijk verbonden met een eerste klas begrafenis en alle toeters en bellen die bij die wonderschone gebruiken horen. Voor zo'n huis zie je dan de armen staan en ze kijken zich de ogen uit. Hun dood is vanzelfsprekend banaal, zonder al die heisa. Ze zijn al blij als ze er één vinden die een beetje past. Hij mag best wat ruim zitten, een mens groeit altijd nog wel een beetje.
Alleen wanneer hij niet sluit bij de borst, of je de keel dicht snoert, dan zit je in de problemen.
Rainer Maria Rilke
(vertaling uit het Duits: Willem Minderhout, 24-01-2004)
Rainer Maria Rilke
Dit uitstekende hotel is zeer oud, reeds in de tijd van koning Clovis stierf men daar in een beperkt aantal bedden. Momenteel wordt er in 599 bedden gestorven. Vanzelfsprekend fabrieksmatig. Bij zo'n enorme productie wordt iedere dood afzonderlijk niet zo goed uitgevoerd, maar daar komt het dan ook niet zo op aan. Het gaat om de massa. Wie is er tegenwoordig nog geïnteresseerd in een zorgvuldig uitgewerkte dood? Niemand. Zelfs de rijken, die het zich toch kunnen veroorloven om uitgebreid te sterven, beginnen nalatig en onverschillig te worden; de wens om een eigen dood te hebben wordt steeds zeldzamer. Nog eventjes en de eigen dood zal net zo zeldzaam zijn als een eigen leven.
Mijn god, alles is aanwezig! Men komt, men vindt een leven, kant en klaar, je hoeft het alleen maar aan te trekken. Men wil gaan, of men wordt daartoe gedwongen: hupsakee, wind je niet op: Voilä votre mort, monsieur. Men sterft zoals het uitkomt; men sterft de dood, die bij de ziekte hoort die men heeft (want sinds men alle ziekten kent, weet men ook dat de verschillende dodelijke aflopen een onderdeel zijn van die zíekten en niet van de mensen; de zieke heeft, zo te zeggen, zelf niets meer te doen).
In de sanatoria, waar immers graag en met zoveel dankbaarheid jegens artsen en verplegend personeel gestorven wordt, sterft men één van de door de inrichting gearrangeerde doden; dat wordt zeer op prijs gesteld. Als men echter thuis sterft, spreekt het vanzelf zo'n hoffelijke dood uit de betere kringen te kiezen, onlosmakelijk verbonden met een eerste klas begrafenis en alle toeters en bellen die bij die wonderschone gebruiken horen. Voor zo'n huis zie je dan de armen staan en ze kijken zich de ogen uit. Hun dood is vanzelfsprekend banaal, zonder al die heisa. Ze zijn al blij als ze er één vinden die een beetje past. Hij mag best wat ruim zitten, een mens groeit altijd nog wel een beetje.
Alleen wanneer hij niet sluit bij de borst, of je de keel dicht snoert, dan zit je in de problemen.
Rainer Maria Rilke
(vertaling uit het Duits: Willem Minderhout, 24-01-2004)
Ik volg je (Ich geh dir nach)
Ik volg je
Ik volg je, zoals uit een bedompte cel
een half-genezene strompelt: in de dag zo hel
waar met blanke handen de jasmijn hem wenkt.
Met een diepe zucht stapt hij over de drempel,
hij wankelt tastend voort: Golf na golf zo fel
is het de onstuimige lente die hem bijna verzengt.
Ik volg je als je trouwste toegewijde.
Ik voel je gestalte door deze weide
voor mijn uitgestrekte handen gaan.
Ik volg je, zoals uit een koortsig leiden
bange kinderen gaan naar vrolijke meiden,
die ze sussen omdat ze hun angst verstaan.
Ik volg je. Waar ook jouw hart mij voert
vraag ik niet. Ik volg je en ik ben geroerd
hoe alle bloemen van je jurk de zoom...
Ik volg je ook als de laatste deur ons beloert,
ik volg je ook uit de laatste droom...
Rainer Maria Rilke
(vertaling uit het Duits: Willem Minderhout, 24-01-2004)
Ik volg je, zoals uit een bedompte cel
een half-genezene strompelt: in de dag zo hel
waar met blanke handen de jasmijn hem wenkt.
Met een diepe zucht stapt hij over de drempel,
hij wankelt tastend voort: Golf na golf zo fel
is het de onstuimige lente die hem bijna verzengt.
Ik volg je als je trouwste toegewijde.
Ik voel je gestalte door deze weide
voor mijn uitgestrekte handen gaan.
Ik volg je, zoals uit een koortsig leiden
bange kinderen gaan naar vrolijke meiden,
die ze sussen omdat ze hun angst verstaan.
Ik volg je. Waar ook jouw hart mij voert
vraag ik niet. Ik volg je en ik ben geroerd
hoe alle bloemen van je jurk de zoom...
Ik volg je ook als de laatste deur ons beloert,
ik volg je ook uit de laatste droom...
Rainer Maria Rilke
(vertaling uit het Duits: Willem Minderhout, 24-01-2004)
Gazelle van de onvoorziene liefde (Gacela Del Amor Imprevisto)
Gazelle van de onvoorziene liefde
Niemand kon de kleur begrijpen van de duistere magnolia
van je buik.
Niemand wist dat je, uit liefde, tussen je tanden
een kolibrie folterde.
Duizend Perzische paarden sliepen op het plein met de
maan van je voorhoofd, terwijl ik vier nachten lang met mijn
hand je middel omklemde, vijandin van de sneeuw.
Tussen de gepleisterde muur en de jasmijnstruiken was je blik
een bleek boeket vol zaden.
Ik zocht, om ze aan jou te geven, diep in mijn hart
naar letters van ivoor, die zeggen altijd
altijd, altijd: tuin van mijn doodsangst
je lichaam voor altijd op de vlucht
het bloed van jouw aderen in mijn mond,
je mond die nu mijn dood niet meer verlicht.
Federico Garcia Lorca
(vertaling uit het Spaans: Willem Minderhout en Sofia Velasco, 14-02-2004)
Niemand kon de kleur begrijpen van de duistere magnolia
van je buik.
Niemand wist dat je, uit liefde, tussen je tanden
een kolibrie folterde.
Duizend Perzische paarden sliepen op het plein met de
maan van je voorhoofd, terwijl ik vier nachten lang met mijn
hand je middel omklemde, vijandin van de sneeuw.
Tussen de gepleisterde muur en de jasmijnstruiken was je blik
een bleek boeket vol zaden.
Ik zocht, om ze aan jou te geven, diep in mijn hart
naar letters van ivoor, die zeggen altijd
altijd, altijd: tuin van mijn doodsangst
je lichaam voor altijd op de vlucht
het bloed van jouw aderen in mijn mond,
je mond die nu mijn dood niet meer verlicht.
Federico Garcia Lorca
(vertaling uit het Spaans: Willem Minderhout en Sofia Velasco, 14-02-2004)
We kunnen er echt niet (We Really Can't)
We kunnen er echt niet
Over praten op een of andere oprechte manier. Er is op zijn minst één
Manier, laten we het daar maar bij houden. Zonneklaar. Laten we zeggen,
De zon gaat onder. Ik wil niet opscheppen of zo, maar dat is nogal
Indrukwekkend deze zonsondergang. Ik bedoel, we kijken er
Recht tegenaan, een tropisch eiland glinstert aan de horizon en ik zeg je:
Kijk daar nou toch eens. En dat doe je. En ik vraag je dit: Heb je ooit een
Indrukwekkendere zonsondergang gezien? Natuurlijk heb je dat niet,
Ik ook niet. Wat overblijft is een oneindige muggenzifterij,
Nou ja – één mug: we proberen zélf uit de stront te blijven. Wij zijn de diersoort
Met het beste juridische inzicht van de hele schepping. Je hebt
Het recht om te zwijgen tenzij we je overreden. In beide gevallen,
Word je waarschijnlijk overreden door een dronken chauffeur in Ecuador,
Nog steeds voortvluchtig. Ik zei je toch dat jasjes weer in de mode kwamen
En de volgende oorlog zou wel eens om water kunnen zijn. Luister, luister--
Deze keer heb je een kans, net als de vorige keer.
Claudia Grinnell
(vertaling uit het Engels: Willem Minderhout 18-10-2004)
Claudia Grinnell, geboren en getogen in Duitsland woont in Louisiana en doceert aan de Universiteit van Louisiana in Monroe. Zij schreef: Conditions Horizontal (Missing Consonant Press, 2001) en publiceerde gedichten in tijdschriften als Exquisite Corpse, New Orleans Review, Mudlark, and Minnesota Review. In 2000 kreeg zij de Southern Women Writers Emerging Poets Award.
Bovenstaand gedicht verscheen in Logos
Over praten op een of andere oprechte manier. Er is op zijn minst één
Manier, laten we het daar maar bij houden. Zonneklaar. Laten we zeggen,
De zon gaat onder. Ik wil niet opscheppen of zo, maar dat is nogal
Indrukwekkend deze zonsondergang. Ik bedoel, we kijken er
Recht tegenaan, een tropisch eiland glinstert aan de horizon en ik zeg je:
Kijk daar nou toch eens. En dat doe je. En ik vraag je dit: Heb je ooit een
Indrukwekkendere zonsondergang gezien? Natuurlijk heb je dat niet,
Ik ook niet. Wat overblijft is een oneindige muggenzifterij,
Nou ja – één mug: we proberen zélf uit de stront te blijven. Wij zijn de diersoort
Met het beste juridische inzicht van de hele schepping. Je hebt
Het recht om te zwijgen tenzij we je overreden. In beide gevallen,
Word je waarschijnlijk overreden door een dronken chauffeur in Ecuador,
Nog steeds voortvluchtig. Ik zei je toch dat jasjes weer in de mode kwamen
En de volgende oorlog zou wel eens om water kunnen zijn. Luister, luister--
Deze keer heb je een kans, net als de vorige keer.
Claudia Grinnell
(vertaling uit het Engels: Willem Minderhout 18-10-2004)
Claudia Grinnell, geboren en getogen in Duitsland woont in Louisiana en doceert aan de Universiteit van Louisiana in Monroe. Zij schreef: Conditions Horizontal (Missing Consonant Press, 2001) en publiceerde gedichten in tijdschriften als Exquisite Corpse, New Orleans Review, Mudlark, and Minnesota Review. In 2000 kreeg zij de Southern Women Writers Emerging Poets Award.
Bovenstaand gedicht verscheen in Logos
M.T.C. Cronin: Bestseller
M.T.C. Cronin: Bestseller
Bestseller, Vagabond Press, Sydney
Australia, 2001
(vertaling uit het Engels: Willem Minderhout,
begin: 08-10-2004, vooralsnog ernstig onvoltooid)
BESTSELLER
Het was een erg rustig land
Waar ik woonde
De president zei
Waar zullen we anders door geregeerd worden
Dan door de wet
Kan je ze in de rij zien staan
Voor wat liefde
Mijn vrienden en buren
Maakten me duidelijk
Dat ze die plaatsen heimelijk betraden
Hun huizen
Maar ze komen gewoonlijk naar buiten
Bij ieder geluid
Dat ze nooit eerder gehoord hebben
Ik dacht dat het
Slechts de avondklok was
En schreef een boek
Genaamd "Hoe om te gaan met de overheid"
Ik voelde me te gemakkelijk geraakt
Door dingen
Die te dicht bij me kwamen
Ik begon de indruk te krijgen
Onafhankelijk van het tijdstip van de dag
Dat het altijd laat in de nacht was
En ik las de kritieken op mijn boek
Met een gevoel alsof ik
De gebruiksaanwijzingen op het pak
Niet gelezen had
Een maand later
Toen ik een bestseller was
Kwamen ze om me mee te nemen
Steek de lijk-kaars aan zei ik
Ze gaan me zometeen vertellen
Over vrouwen en kerken
En de zielen van immer
De soldaten vermeden zorgvuldig
Enig geluid te maken
Waren wreed en beleeefd
Terwijl ze me hielpen een
verlengde limousine in te stappen
Let op de treeplank zei de jongste
Al die zorgzaamheid voor het graf? vroeg ik.
Waar ik woonde
De president zei
Waar zullen we anders door geregeerd worden
Dan door de wet
Kan je ze in de rij zien staan
Voor wat liefde
Mijn vrienden en buren
Maakten me duidelijk
Dat ze die plaatsen heimelijk betraden
Hun huizen
Maar ze komen gewoonlijk naar buiten
Bij ieder geluid
Dat ze nooit eerder gehoord hebben
Ik dacht dat het
Slechts de avondklok was
En schreef een boek
Genaamd "Hoe om te gaan met de overheid"
Ik voelde me te gemakkelijk geraakt
Door dingen
Die te dicht bij me kwamen
Ik begon de indruk te krijgen
Onafhankelijk van het tijdstip van de dag
Dat het altijd laat in de nacht was
En ik las de kritieken op mijn boek
Met een gevoel alsof ik
De gebruiksaanwijzingen op het pak
Niet gelezen had
Een maand later
Toen ik een bestseller was
Kwamen ze om me mee te nemen
Steek de lijk-kaars aan zei ik
Ze gaan me zometeen vertellen
Over vrouwen en kerken
En de zielen van immer
De soldaten vermeden zorgvuldig
Enig geluid te maken
Waren wreed en beleeefd
Terwijl ze me hielpen een
verlengde limousine in te stappen
Let op de treeplank zei de jongste
Al die zorgzaamheid voor het graf? vroeg ik.
HOOFDSTUK
ÉÉN
ZOALS HET
GESCHREVEN HAD KUNNEN ZIJN
DE DICHTER IN EEN TIJDPERK VAN OVERVLOED
Het aan een Audit onderworpen Hart
Woorden drongen naar voren en vochten en raakten gewond
En stierven en gingen naar huis en raakten verlamd -
De glibberige overlevenden ontleedden zich tesamen opdat we mogen luisteren
Naar hun zwaarden
Het gekletter
Dat is waar de tanden zijn, niet in de mond
Maar in de hand, zich uitstrekkend naar het hart daarachter
Deze kooi van heilige ontvangst
De wedren naar de bodem van die rode plek
Slang, dat ding, dat daar kronkelt
Genesteld onder de borst want er is hier alleen maar oorlog
Geweld aan de kust
In de gangen
Het land ontwerpt zichzelf, leeg en dreigend
Zonder de behoefte om de ruimte te meten tussen dit woord
En mijn laatste
Het heden wordt kleiner en kleiner
Terwijl de toekomst groter en groter wordt
Het boek van de Australiër werd geschreven
Als gevolg van een eed nooit te schrijven
Alweer. Alles
Was van te groot belang
Te weinig
Ik wil mijn lot niet laten rusten op het gewone
Op veiligheid - ik wil met iedereen praten!
Maar God is geen ouder
Geen moeder en geen vader
En jij moet ook acher mijn stem kijken
Om mijn stem waarlijk te horen
Zelfs ik, die het gedaan heeft, moet zoeken naar bewijsmateriaal van wat ik deed -
Zo vermoeid dat er geen gelegenheid is die ik te baat zal nemen
Niets vertrouwelijks in mijn bewegingen ten opzichte van de wereld
Ik kan niet rusten op mijn eigen hand
Schoonheid, zelfs van wolken, maakt me waakzaam
Voor de partijdigheid van de bloem
Ik heb de hand vastgehouden van de kleinste man
De kracht nog in ze, als van een reus
En
Mijn lach verheffend tot het niveau van een lichamelijk kenmerk
Zeg: Wees niet rusteloos met andermans liefde
Want deze lichaamsdelen, deze onberekenbare middelen tot opsporing
Zijn precies degenen die de grootste gewelddaden ondergaan
Net als die drie-ogige vis die rondrent
In de rivier achter onze huizen
Het aan een Audit onderworpen Hart
Woorden drongen naar voren en vochten en raakten gewond
En stierven en gingen naar huis en raakten verlamd -
De glibberige overlevenden ontleedden zich tesamen opdat we mogen luisteren
Naar hun zwaarden
Het gekletter
Dat is waar de tanden zijn, niet in de mond
Maar in de hand, zich uitstrekkend naar het hart daarachter
Deze kooi van heilige ontvangst
De wedren naar de bodem van die rode plek
Slang, dat ding, dat daar kronkelt
Genesteld onder de borst want er is hier alleen maar oorlog
Geweld aan de kust
In de gangen
Het land ontwerpt zichzelf, leeg en dreigend
Zonder de behoefte om de ruimte te meten tussen dit woord
En mijn laatste
Het heden wordt kleiner en kleiner
Terwijl de toekomst groter en groter wordt
Het boek van de Australiër werd geschreven
Als gevolg van een eed nooit te schrijven
Alweer. Alles
Was van te groot belang
Te weinig
Ik wil mijn lot niet laten rusten op het gewone
Op veiligheid - ik wil met iedereen praten!
Maar God is geen ouder
Geen moeder en geen vader
En jij moet ook acher mijn stem kijken
Om mijn stem waarlijk te horen
Zelfs ik, die het gedaan heeft, moet zoeken naar bewijsmateriaal van wat ik deed -
Zo vermoeid dat er geen gelegenheid is die ik te baat zal nemen
Niets vertrouwelijks in mijn bewegingen ten opzichte van de wereld
Ik kan niet rusten op mijn eigen hand
Schoonheid, zelfs van wolken, maakt me waakzaam
Voor de partijdigheid van de bloem
Ik heb de hand vastgehouden van de kleinste man
De kracht nog in ze, als van een reus
En
Mijn lach verheffend tot het niveau van een lichamelijk kenmerk
Zeg: Wees niet rusteloos met andermans liefde
Want deze lichaamsdelen, deze onberekenbare middelen tot opsporing
Zijn precies degenen die de grootste gewelddaden ondergaan
Net als die drie-ogige vis die rondrent
In de rivier achter onze huizen
KLEINE(RE)
LETTERTJES
EEN MILJOEN DODEN
Op de dag dat het prinsesje stierf
Stond Stalin op uit de dood en sprak:
"Een enkele dood is een tragedie,
een miljoen doden is een statistiek"
en Rilke fluisterde over die velen, misschien schreeuwde hij het wel,
dat ze stierven "in 559 bedden. Fabrieksmatig, vanzelfsprekend," (1)
terwijl Derrida het lijk opbaarde en verklaarde
vrouw, haar naam maakte geschiedenis -
het was de namiddag van de kat's grijze adem, Christus in bed,
veilig en warm, ingestopt voor het middagdutje,
de boerenkinkels keken allemaal TV
en de drankzaken leeg en stil als het graf.
De kerken ook leeg, op wat gebeden na, verzonden
per expresse
en geen enkele bloem in geen enkele tuin
bleef ongeplukt. Offergaven omzoomden de straten
en stapelden zich op tegen publieke gebouwen en buiten
de rechtbanken betaalden hooghartig grijnzende jongeren de prijs
geëist door het woedende, rouwende gepeupel. Gepeupel
verving de populatie en versmolt vervolgens tot één enkel beest
met tranen die over een dichotoom gezicht stroomden
om uiteindelijk van het puntje van zijn internationale neus te ploppen
en te landen op het puntje, het uiterste puntje, van een uitgestoken tong
geboren en getogen om enkel de schibbolet
van zijn generatie te stamelen; die tranen smaakten
als het spoor van het beest zelf; het achtervolgde zichzelf
in een cirkel en zeeg neer tussen de pagina's
van het plaatselijke sufferdje (Wat hetzelfde is
als alle plaatselijke sufferdjes over de hele wereld en
plaste op een drukpers rondtollend in een doodse plek
dat is waar de dood leeft). De krantenkop schreeuwde:
SCHOONHEIDSKONINGIN BANG VOOR BOM IN HAAR BREIN
(de subtext der menselijkheid lag zieltogend aan de voeten
van het redactioneel commentaar) en in kleinere letters, "prachtige
vrouw ontploft en laat alleen een gedeukte kroon na, de kostbare
edelstenen worden vermist..."
Bomen vielen in katzwijm, spelden en naalden staken
in de voeten der aarde, kunstenaars
stonden erbij als ondernemers en alle wereld-
leiders ontwikkelden, net als Pasternak, een zwak
voor het epitoom
(dat zei tenminste de schrijver van een mini-biografie) (van Pasternak!).
Kleur had geen status meer op deze zwart
witte pagina ondanks
de full colour foto van het bloed van de
onfortuinlijke - blauw niet rood - en de verschrikkelijk
goede herkenbaarheid die op de foto bewaard gebleven was
ondanks het feit dat krantenpapier goedkoop is
en grof van korrel. Tegen het einde van de week
waren de zielen uitgewrongen van het huilen en werden
in de wind te drogen gehangen, anderen werden aangevreten door katten alsof
ze katterigheid konden genezen, een waslijn
vol van hen wapperde in de wind totdat de zielen
duizelig en droog waren, sommigen werden over de rugleuning
van een stoel gegooid achtergelaten en gewoon vergeten -
overal strompelden lichamen rond
leeg en doelloos (maar tamelijk grappig
gewichtloos en luchthartig - als stomme
engelen of kleine Goden
zonder schepselen).
De "warm-aderige dubbelganger der Tijd"
arriveerde arm in arm met de dood
met Dylan Thomas die een slaperige jig danste
terwijl ginds in de zee, de miljoenen jaren oude zee,
nog geen vis met zijn ogen knipperde.
Op de dag dat het prinsesje stierf
werd een nieuw soort verveling geboren volgroeid
en luid blaffend aan de rand van de stad
als een zwaar versterkte hond. Op hun hoede voor zijn beet
kerfden de dichters hun initialen in de bomen
op de door pis zacht geworden schorre schors en de stompzinnigheid
van hun luid protesterende moeders en vaders
(poetische ouders, natuurlijk, die lofdichten
publiceerden in de nieuwsbladen en voordroegen voor de radio's
zachte woorden toen de kunst meer gebaat zou zijn geweest
bij terughoudendheid, maar...), gelukkig waren de besten
al dood tegen de tijd deze tijd
was voorbijgegaan en verbleef tamelijk
"onpoetisch" in het wonderbaarlijke en gewonde
land van het verleden. En bovendien duurde het niet lang totdat
iemand vuil spel suggereerde en de betreurde
verscheidene werd herboren in een complot:
uit de Hemel daalde ze neer en betrok haar residentie
op postzegels, porceleinen beeldjes en
CD-roms; verdomme, ze gaf zelfs popsterren,
seksbommen, levende heiligen en een paar beroemde
dode dieren een boel waar voor hun geld.
Het was moeilijk om het verschil te zien
met die goede oude tijd
behalve dat niemand meer iemand
zag sterven -
Maar dat was misschien zo slecht nog niet,
is zo slecht nog niet? En we leven nog lang en gelukkig
in een kasteel waar we tijdschriften lezen op onze privé
troon - het geluid van geknor en gescheet
en het gepomp van onze stront naar de zee . . .
terwijl Lacan's bangebroeken en spoken door de zalen zwerven
nagejaagd door die moderne filosofe
(Ik ben haar naam kwijt) die zo slim is
dat het nog wel eens slecht met haar zal aflopen.
Stond Stalin op uit de dood en sprak:
"Een enkele dood is een tragedie,
een miljoen doden is een statistiek"
en Rilke fluisterde over die velen, misschien schreeuwde hij het wel,
dat ze stierven "in 559 bedden. Fabrieksmatig, vanzelfsprekend," (1)
terwijl Derrida het lijk opbaarde en verklaarde
vrouw, haar naam maakte geschiedenis -
het was de namiddag van de kat's grijze adem, Christus in bed,
veilig en warm, ingestopt voor het middagdutje,
de boerenkinkels keken allemaal TV
en de drankzaken leeg en stil als het graf.
De kerken ook leeg, op wat gebeden na, verzonden
per expresse
en geen enkele bloem in geen enkele tuin
bleef ongeplukt. Offergaven omzoomden de straten
en stapelden zich op tegen publieke gebouwen en buiten
de rechtbanken betaalden hooghartig grijnzende jongeren de prijs
geëist door het woedende, rouwende gepeupel. Gepeupel
verving de populatie en versmolt vervolgens tot één enkel beest
met tranen die over een dichotoom gezicht stroomden
om uiteindelijk van het puntje van zijn internationale neus te ploppen
en te landen op het puntje, het uiterste puntje, van een uitgestoken tong
geboren en getogen om enkel de schibbolet
van zijn generatie te stamelen; die tranen smaakten
als het spoor van het beest zelf; het achtervolgde zichzelf
in een cirkel en zeeg neer tussen de pagina's
van het plaatselijke sufferdje (Wat hetzelfde is
als alle plaatselijke sufferdjes over de hele wereld en
plaste op een drukpers rondtollend in een doodse plek
dat is waar de dood leeft). De krantenkop schreeuwde:
SCHOONHEIDSKONINGIN BANG VOOR BOM IN HAAR BREIN
(de subtext der menselijkheid lag zieltogend aan de voeten
van het redactioneel commentaar) en in kleinere letters, "prachtige
vrouw ontploft en laat alleen een gedeukte kroon na, de kostbare
edelstenen worden vermist..."
Bomen vielen in katzwijm, spelden en naalden staken
in de voeten der aarde, kunstenaars
stonden erbij als ondernemers en alle wereld-
leiders ontwikkelden, net als Pasternak, een zwak
voor het epitoom
(dat zei tenminste de schrijver van een mini-biografie) (van Pasternak!).
Kleur had geen status meer op deze zwart
witte pagina ondanks
de full colour foto van het bloed van de
onfortuinlijke - blauw niet rood - en de verschrikkelijk
goede herkenbaarheid die op de foto bewaard gebleven was
ondanks het feit dat krantenpapier goedkoop is
en grof van korrel. Tegen het einde van de week
waren de zielen uitgewrongen van het huilen en werden
in de wind te drogen gehangen, anderen werden aangevreten door katten alsof
ze katterigheid konden genezen, een waslijn
vol van hen wapperde in de wind totdat de zielen
duizelig en droog waren, sommigen werden over de rugleuning
van een stoel gegooid achtergelaten en gewoon vergeten -
overal strompelden lichamen rond
leeg en doelloos (maar tamelijk grappig
gewichtloos en luchthartig - als stomme
engelen of kleine Goden
zonder schepselen).
De "warm-aderige dubbelganger der Tijd"
arriveerde arm in arm met de dood
met Dylan Thomas die een slaperige jig danste
terwijl ginds in de zee, de miljoenen jaren oude zee,
nog geen vis met zijn ogen knipperde.
Op de dag dat het prinsesje stierf
werd een nieuw soort verveling geboren volgroeid
en luid blaffend aan de rand van de stad
als een zwaar versterkte hond. Op hun hoede voor zijn beet
kerfden de dichters hun initialen in de bomen
op de door pis zacht geworden schorre schors en de stompzinnigheid
van hun luid protesterende moeders en vaders
(poetische ouders, natuurlijk, die lofdichten
publiceerden in de nieuwsbladen en voordroegen voor de radio's
zachte woorden toen de kunst meer gebaat zou zijn geweest
bij terughoudendheid, maar...), gelukkig waren de besten
al dood tegen de tijd deze tijd
was voorbijgegaan en verbleef tamelijk
"onpoetisch" in het wonderbaarlijke en gewonde
land van het verleden. En bovendien duurde het niet lang totdat
iemand vuil spel suggereerde en de betreurde
verscheidene werd herboren in een complot:
uit de Hemel daalde ze neer en betrok haar residentie
op postzegels, porceleinen beeldjes en
CD-roms; verdomme, ze gaf zelfs popsterren,
seksbommen, levende heiligen en een paar beroemde
dode dieren een boel waar voor hun geld.
Het was moeilijk om het verschil te zien
met die goede oude tijd
behalve dat niemand meer iemand
zag sterven -
Maar dat was misschien zo slecht nog niet,
is zo slecht nog niet? En we leven nog lang en gelukkig
in een kasteel waar we tijdschriften lezen op onze privé
troon - het geluid van geknor en gescheet
en het gepomp van onze stront naar de zee . . .
terwijl Lacan's bangebroeken en spoken door de zalen zwerven
nagejaagd door die moderne filosofe
(Ik ben haar naam kwijt) die zo slim is
dat het nog wel eens slecht met haar zal aflopen.
(1) Het Rilke citaat "in 559 bedden. Fabrieksmatig, vanzelfsprekend",
komt uit het zevende hoofstuk van de Aantekeningen van Malte Laurids
Brigge. Lees de vertaling hier >>>
DE OCEAAN ALS ZEE GEBRUIKEN
te verlangen om de taal te spreken
om rhetorische vragen serieus te nemen
Yeats: "Hoe kunnen we de danser onderscheiden van de dans?" *)
msschien zei hij niet dat ze niet te onderscheiden waren
misschien wilde hij het écht weten
lees niet uit, lees slechts in
Dat wil zeggen, leer nooit iets van de tekst
"bedoeling": wat was de bedoeling van de zelfmoordenaar?
om zowel een forensisch als een creatief personage te zijn?
om de oceaan te gebruiken als een zee?
om de spelletjes te spelen die we nu spelen
vinden we ons zelf zowel gefopt als gebrekkig
maar een gebrek aan plezier is vaak een gebrek aan nederigheid
zelfs zij die een sjaal dragen knippen wel of niet hun haar
identiteit is zijn eigen intrige
te verlangen om de taal te spreken
om rhetorische vragen serieus te nemen
Yeats: "Hoe kunnen we de danser onderscheiden van de dans?" *)
msschien zei hij niet dat ze niet te onderscheiden waren
misschien wilde hij het écht weten
lees niet uit, lees slechts in
Dat wil zeggen, leer nooit iets van de tekst
"bedoeling": wat was de bedoeling van de zelfmoordenaar?
om zowel een forensisch als een creatief personage te zijn?
om de oceaan te gebruiken als een zee?
om de spelletjes te spelen die we nu spelen
vinden we ons zelf zowel gefopt als gebrekkig
maar een gebrek aan plezier is vaak een gebrek aan nederigheid
zelfs zij die een sjaal dragen knippen wel of niet hun haar
identiteit is zijn eigen intrige
*) W.B. Yeats, Among School Children
Abonneren op:
Posts (Atom)



